Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4891

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
486161 / HA RK 19-231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 486161 / HA RK 19-231

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 13 september 2019

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker),

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 13 augustus 2019, tevens inhoudende het wrakingsverzoek van verzoeker

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 30 augustus 2019 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Verzoeker en de rechter zijn behoorlijk opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Zij zijn niet verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. P. Dondorp als behandelend kantonrechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer 7703768 AC EXPL 19-1341. In deze procedure treedt verzoeker op als gedaagde partij, V.O.F. [VOF] is de eisende partij.

2.2.

Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. Verzoeker vindt dat de procedure oneerlijk verloopt. Voorafgaand aan de comparitie was verzoeker in de veronderstelling dat hij nog schriftelijk mocht reageren op het standpunt van de eisende partij, nu deze ook een tweede keer aan het woord is geweest. Verzoeker stelt dat het hem niet bekend was dat hij tijdens de comparitie voor het laatst zijn verweer kon voeren. Verzoeker vond het bovendien niet eerlijk dat de eisende partij tijdens de comparitie een stapel papieren bij zich had, terwijl verzoeker zijn standpunt alleen mondeling kon toelichten. Daarnaast wenste verzoeker in de gelegenheid gesteld te worden bewijs te leveren van een van zijn stellingen, terwijl de rechter hem meedeelde daar geen aanleiding voor te zien. Omdat verzoeker dit alles oneerlijk vond, heeft hij om een andere rechter verzocht.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat zij voldoende duidelijk aan verzoeker heeft uitgelegd dat de eisende partij een tweede keer schriftelijk mocht reageren, omdat dat het verweer op de (later ingetrokken) tegenvordering van verzoeker betrof. Daarnaast meent de rechter dat zij voldoende duidelijk heeft uitgelegd wat de bedoeling van de comparitie was. Door niet meteen toe te staan dat verzoeker na de zitting nog verder schriftelijk verweer zou mogen voeren, meent de rechter geen blijk te hebben gegeven van vooringenomenheid of partijdigheid of de indruk te hebben gewekt dat zij zijn verweer niet serieus nam. Ten slotte voert zij aan dat zij verzoeker de ruimte heeft gegeven om nieuwe argumenten aan te voeren en dat zij hem veel en vaak het woord heeft gegeven in vergelijking tot de andere partij.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

De door verzoeker aangevoerde feiten en/of omstandigheden houden niet in dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens hem. De wrakingskamer is daarvan ook niet gebleken. Daarom zal moeten worden beoordeeld of naar objectieve maatstaven sprake is van feiten en omstandigheden die verzoeker grond hebben gegeven voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken of zal ontbreken.

3.4.

Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, volgt dat verzoeker het niet eens is met de procedurele gang van zaken, in het bijzonder dat hem na de comparitie niet zonder meer nog de gelegenheid zou worden geboden nog eens schriftelijk verweer te voeren. Gebleken is dat de rechter verzoeker de gebruikelijke gang van zaken heeft uitgelegd in een procedure waarin een comparitie is bepaald en dat zij nog geen beslissing had genomen met betrekking tot de wensen van verzoeker. Deze gang van zaken kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid of de schijn daarvan. Dat verzoeker volgens eigen zeggen niet goed op de hoogte was van de gebruikelijk gang van zaken bij een comparitie van partijen, maakt het voorgaande niet anders.

3.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de betrokken teamvoorzitter van de afdeling civielrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met 7703768 AC EXPL 19-1341 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beslissing is gegeven door mr. G.J.J.M. Essink, voorzitter, mr. A. van Dijk en mr. G.A. Bos als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.

de griffier wegens ontstentenis van de voorzitter wordt deze beslissing getekend door de oudste rechter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.