Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4887

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
UTR 19/1321
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete niet voldoen inburgeringsplicht. Dat valt eiseres te verwijten omdat zij geen pogingen heeft gedaan. Volgens Argonaut kan dat wel. Boete evenredig want geen inspanningen verricht. Beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1321

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Sala),

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1.250,- omdat eiseres niet tijdig heeft voldaan aan de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering.

Bij besluit van 22 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door haar dochter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres komt uit Syrië en is sinds 2014 in Nederland. Verweerder heeft eiseres met de brief van 7 november 2014 meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is. In deze brief staat dat eiseres voor 29 oktober 2017 moet voldoen aan de inburgeringsplicht. Later is dit gewijzigd naar 26 november 2017.

2. Op 6 juni 2017 heeft eiseres verzocht om ontheffing van de inburgeringsplicht wegens medische redenen. Aangezien er bij het verzoek een medisch advies ontbrak, heeft verweerder deze aanvraag bij besluit van 15 september 2017 buiten behandeling gesteld. Vervolgens heeft eiseres alsnog het formulier ‘Machtiging opvragen gezondheidsgegevens’ opgestuurd. Een arts, werkzaam bij Argonaut Advies (Argonaut), heeft op 14 december 2017 een negatief advies uitgebracht over het verzoek voor medische ontheffing. Volgens Argonaut is het voor eiseres mogelijk om binnen vijf jaar inburgeringsexamen te doen, in aangepaste vorm. Bij besluit van 2 januari 2018 heeft verweerder het verzoek om medische ontheffing afgewezen. Daartegen heeft eiseres geen bezwaar gemaakt, zodat het besluit vaststaat.

Eiseres heeft ook verzocht om verlenging van haar inburgeringstermijn. De medische situatie geeft volgens het advies van Argonaut van 26 september 2018 geen reden om de inburgeringstermijn te verlengen. Verweerder heeft daarom bij besluit van 2 oktober 2018 ook het verzoek om verlenging afgewezen. Hiertegen heeft eiseres ook geen bezwaar gemaakt, zodat ook dit besluit vaststaat.

3. Op 27 november 2017 heeft verweerder aan eiseres het voornemen geuit haar op basis van de gegevens van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een boete op te leggen van

€ 1.250,- omdat zij niet tijdig heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Ook heeft verweerder eiseres meegedeeld wat zij kan doen indien DUO niet over alle relevante gegevens beschikt. Dit heeft geleid tot de onder het procesverloop beschreven besluitvorming.

4. Eiseres voert aan dat het niet aan haar te verwijten valt dat zij niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Zij heeft namelijk medische klachten, waaronder forse pijnklachten, waardoor zij niet kan voldoen aan de inburgeringsplicht. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres medische stukken overgelegd. Zij heeft hierbij gewezen op artikel 2.8, vierde lid van het Besluit inburgering (ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap).

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft voldaan aan de plicht om binnen drie jaar het inburgeringsexamen te halen. De rechtbank overweegt verder dat eiseres geen pogingen heeft gedaan om een cursus te volgen en examen(onderdelen) af te leggen. In het advies van Argonaut van 14 december 2017 staat dat het voor eiseres mogelijk moet zijn om cursussen te volgen en examen te doen als rekening wordt gehouden met de medische omstandigheden van eiseres. Eiseres heeft geen contra-expertise overgelegd waaruit iets anders blijkt. De medische stukken die eiseres in beroep heeft overgelegd zien deels niet op de periode vóór het einde van de inburgeringstermijn. Daarnaast blijkt uit de stukken dat het gaat om dezelfde klachten die eiseres had ten tijde van het advies van Argonaut. Voor zover eiseres in dit verband verwijst naar artikel 2.8, vierde lid, van het Besluit inburgering, overweegt de rechtbank dat ontheffing van de inburgeringsplicht niet aan de orde kan komen in deze procedure. In deze procedure gaat het over boeteoplegging. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2019.1 Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht geconcludeerd dat het niet behalen van het inburgeringsexamen binnen de daartoe gestelde termijn aan eiseres kan worden verweten. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de boete onevenredig is en dat zij de boete niet kan betalen.

7. Uit artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden toegerekend. Verweerder kan beleid vaststellen en toepassen inzake het bepalen van de hoogte van een boete. Bij de toepassing van dit beleid moet in elk voorkomend geval beoordeeld worden of die toepassing strookt met de eisen die aan boeteoplegging moeten worden gesteld. Als dat niet het geval is, moet de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

8. Bij het vaststellen van de boete past verweerder de Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 maart 2018, over de vaststelling van de boete bij verwijtbaar overschrijden van de inburgeringstermijn toe (Beleidsregel boetevaststelling inburgering, Stcrt. 2018, 15704). Voor de hoogte van de boete wordt gekeken naar de gevolgde lesuren en de afgelegde examenonderdelen. De hoogte van de boete wordt vastgesteld aan de hand van de boetetabel zoals die is opgenomen in de bijlage bij de beleidsregel. De rechtbank vindt de beleidsregel niet onredelijk.

9. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een evenredige boete. De boete van

€ 1.250,- is in lijn met de door verweerder gehanteerde beleidsregel. Voor een lagere boete bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding. Eiseres heeft namelijk geen enkele inspanning geleverd om te voldoen aan haar inburgeringsplicht, terwijl uit het advies van Argonaut blijkt dat dit met aanpassingen wel mogelijk is.

De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres en haar gezin ingrijpend is wanneer zij de boete moet betalen, maar daarin ziet de rechtbank geen reden voor matiging omdat eiseres haar stelling dat zij de boete niet kan betalen geheel niet heeft onderbouwd.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

11 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2019:1239.