Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4863

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
16/179057-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft een 27-jarige man veroordeeld tot de Maatregel Inrichting Stelselmatige Daders (ISD-maatregel), voor de duur van twee jaar. De man pleegde op 18 maart van dit jaar een autokraak in de buurt van het 24 Oktoberplein in Utrecht, waar vlak daarvoor een schietpartij in een tram had plaatsgevonden. Ook is de man veroordeeld voor het gebruiken van een identiteitskaart die niet van hem was.

De man gedroeg zich op maandagmiddag 18 maart verdacht in de Admiraal Helfrichlaan in Utrecht. Een politieagent die op dat moment geen dienst had, zag vanuit een woning hoe de verdachte, en een andere man, met hun handen tegen een raam een auto in keken. Omdat hij het niet vertrouwde, maakte hij een paar foto’s en belde hij de politie. De mannen vertrokken, maar kwamen later weer terug. De politieagent zag vervolgens hoe één van hen met zijn elleboog tegen de zijruit van de auto sloeg. Ze pakten een laptop, een iPad en accu’s uit de auto en vluchtten weg.

De autokraak vond plaats op de dag van de schietpartij in een tram op het 24 Oktoberplein in Utrecht. Dat is ook de reden waarom de politie op dat moment menskracht te kort kwam en niets met de melding van de agent kon doen. De gekraakte auto was van een Duitse journalist die verslag deed van de schietpartij. Dat de verdachte juist de dag van de schietpartij uitkoos om een autokraak te plegen, getuigt volgens de rechtbank van een enorme brutaliteit en gebrek aan respect. De verdachte maakte gebruik van de hectiek op deze tragische dag.

De verdachte heeft een lang strafblad en komt regelmatig in contact met politie en justitie. Zo legde de rechter op 15 februari van dit jaar al een voorwaardelijke ISD-maatregel op. Hier ging de verdachte tegen in beroep. In de tussentijd pleegde hij nieuwe strafbare feiten, zoals de autokraak op 18 maart, slechts een maand na het eerdere vonnis. Om de problematiek van de verdachte te behandelen en de maatschappij optimaal te beschermen, legt de rechtbank hem een ISD-maatregel op van de duur van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/179057-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de PI Nieuwegein, HvB locatie Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen verdachte en mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te

's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 18 maart 2019 te Utrecht samen met (een) ander(en) door middel van braak een laptop, een I-pad, accu's en een tas met kleding van

[benadeelde 1] heeft weggenomen;

feit 2: zich op 25 juli 2019 te Zaltbommel opzettelijk en wederrechtelijk heeft geïdentificeerd met een niet op zijn naam gesteld Nederlands paspoort;

feit 3: op 18 oktober 2018 te Eindhoven samen met (een) ander(en) door middel van braak twee laptops, een Macbook Air met tas, een externe harde schijf, een Samsung telefoon, een bankpas en een OV-pas van [benadeelde 2] heeft weggenomen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen en zij heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit vrijspraak gevorderd omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte een van de daders is van de autokraken. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsman de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] betwist. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte herkend aan specifieke gezichts- en haarkenmerken terwijl verdachte op de foto’s een petje draagt waarbij zijn gezicht voor de helft bedekt is en verbalisant [verbalisant 2] heeft pas maanden na de herkenning een proces-verbaal opgesteld nadat hem dat is gevraagd door [verbalisant 1] . Die betwistingen vinden steun in het feit dat de foto’s, waarop de herkenningen moeten worden gedaan, breed zijn rondgestuurd binnen de politie en slechts twee verbalisanten tot een herkenning komen. Een groot gedeelte van die agenten werkt in Kanaleneiland en hebben verdachte dus niet herkend, terwijl zij hem wel goed kennen. Daar komt bij dat getuige [getuige] bij de rechter-commissaris andere namen heeft genoemd bij de personen op de foto dan de naam van verdachte. Verder merkt de raadsman nog op dat niet kan worden vastgesteld dat de auto, waarvan verbalisant [verbalisant 3] het kenteken heeft genoteerd anderhalf uur voor de inbraak, dezelfde auto is die na de inbraak hard wegrijdt.

De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte is gezien in het casino waar de auto van aangever geparkeerd stond, maar dat niemand heeft gezien dat het verdachte is geweest die deze kraak heeft gepleegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Bewijsmiddelen 1

Aangever [benadeelde 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 18 maart 2019 tussen 14.00 uur en 14.30 uur zijn auto heeft geparkeerd aan de [straat] te [woonplaats] . Toen hij rond 18.15 uur terug bij zijn auto kwam, zag hij dat de rechter zijruit en de achterruit compleet ingeslagen waren. Uit de auto waren een laptop, i-pad, accu's, oplaadkabels en een grote weekendtas met kleding en dure schoenen weggenomen.2

Verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard dat hij zich op 18 maart 2019 om 14:19 uur in een woning in Utrecht bevond, waarbij hij zicht had op de [straat] . Langs de [straat] stonden enkele voertuigen geparkeerd. Omstreeks 14:19 uur viel hem een tweetal jongens op. Deze jongens keken naar een zwarte, geparkeerde Mercedes, met kenteken [kenteken] . Hij zag dat de jongens met hun handen tegen het raam de auto in keken. Hij vertrouwde het niet en heeft enkele foto’s gemaakt.3 Vervolgens belde de verbalisant de politie om deze verdachte situatie door te geven. De jongens stapten in een geparkeerde zwarte Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] en reden weg. Even later zag de verbalisant de jongens opnieuw, maar nu met een derde persoon erbij. Rond 15.40 uur zag de verbalisant twee van de jongens weer lopen en zij liepen recht op bovengenoemde Mercedes af.4 Verbalisant [verbalisant 3] vertrouwde het niet en belde opnieuw met de politie. De verbalisant zag dat een van de personen met zijn elleboog tegen de zijruit van de Mercedes aan sloeg. Hij zag en hoorde dat het alarm van de auto af ging. Hij zag dat dezelfde persoon een oranje 'lifehammer' pakte en tegen de zijruit van de auto sloeg. Vervolgens rende hij naar de achterruit van de Mercedes en sloeg de achterruit in. Vervolgens rende deze persoon weg. Een andere persoon pakte twee tassen uit de achterbak van de Mercedes en rende ook weg. Enkele seconden later zag de verbalisant een zwarte Volkswagen Polo met verhoogde snelheid wegrijden. Dit betrof exact hetzelfde model en kleur Polo als de Volkswagen Polo waarmee de jongens eerder die middag weg reden.5

De Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken] staat op naam van [A] .6

Op 10 februari 2019 krijgt de wijkagent van de reclassering door dat verdachte bij zijn vriendin [A] komt wonen. Samen hebben zij in 2018 een kind gekregen.7

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij in de periode 2016-2019 werkzaam is geweest als wijkagent in Kanaleneiland. Verbalisant heeft verdachte herkend aan zijn opvallende blanke huidskleur, lengte en magere postuur. Ook herkende hij hem aan zijn opvallend puntige haarlijn aan de voorzijde, met inhammen aan de zijkanten, zijn langwerpig gezicht en zijn neus.8

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij ongeveer negen jaar werkzaam is geweest in het gebied Kanaleneiland waar verdachte ook woonachtig is en dat hij hem zeer vaak heeft gezien en gecontroleerd in de afgelopen jaren. Verbalisant heeft verder verklaard dat hij verdachte direct herkende op de foto. Hij herkende hem aan de vorm van het gezicht en aan de opvallende jas die verdachte droeg. Verbalisant had verdachte eerder op die dag ook al in deze kleding zien lopen.9

Bewijsoverweging

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde autokraak in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank is van oordeel dat de personen die verbalisant [verbalisant 3] heeft beschreven voorafgaand aan de autokraak als de personen die erg geïnteresseerd waren in de auto van aangever, dezelfde personen zijn die later de autokraak daadwerkelijk hebben gepleegd. Verbalisant [verbalisant 3] heeft niet alleen beschreven hoe de kraak in zijn werk is gegaan, maar ook heeft hij foto’s gemaakt van deze personen in de oriëntatiefase. Verdachte is hierop herkend door twee (voormalige) wijkagenten. Zij hebben beiden duidelijk omschreven waarvan zij verdachte kennen en waaraan zij verdachte herkennen. Beide verbalisanten zijn lange tijd werkzaam geweest als wijkagent in Kanaleneiland waar verdachte woont. Dat de herkenning van verbalisant [verbalisant 2] pas later in een proces-verbaal is terechtkomen, doet geen afbreuk aan de inhoud. Hij heeft duidelijk aangegeven dat hij verdachte al veel eerder had herkend maar pas later een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal. Daar komt nog bij dat de auto van de toenmalige)vriendin van verdachte is gezien op de plaats delict voorafgaand aan de autokraak en naar alle waarschijnlijkheid ook net na het tenlastegelegde.

De verklaring van [getuige] maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Niet alleen is er, zoals hierboven reeds geoordeeld, voldoende wettig en overtuigend bewijs waaruit blijkt dat verdachte een van de daders is, maar ook heeft [getuige] , die zelf reeds onherroepelijk veroordeeld is voor dit feit, als getuige bij de rechter-commissaris geen verdere gegevens willen geven over zijn gestelde mededader dan enkel de naam ‘ [naam] ’. Daarbij komt dat hij ook heeft verklaard dat hijzelf zowel de ruiten van de auto van aangever heeft vernield als ook de goederen uit de auto heeft weggenomen. Dit komt niet overeen met de waarnemingen van verbalisant [verbalisant 3] . Kennelijk probeert de getuige verdachte uit de wind te houden en de rechtbank acht de verklaring van de getuige dan ook niet geloofwaardig.

Feit 2

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 oktober 2019;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van 25 juli 2019, proces-verbaalnummer PL0600-2019329484-2, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, p. 15 en 16 van het (digitale) procesdossier (pv toetsing) met registratienummer PL0900-2019080104A, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, district Stad-Utrecht, totaal aantal pagina’s: 28.

Feit 3

De rechtbank acht, even als de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

op 18 maart 2019 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen een laptop en een I-pad en accu's en een tas met kleding toebehoorde aan [benadeelde 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2

op 25 juli 2019 te Zaltbommel opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Nederlands paspoort met het nummer [nummer] op naam van [B] , door dit paspoort aan te bieden ter identificatie.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd

verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna:

ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren op te leggen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting toegelicht dat verdachte geen ISD-maatregel wil omdat hij betrokken wil blijven bij de verzorging en opvoeding van zijn dochter. Verdachte wil wel geholpen wil worden door de reclassering.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank alleen zou komen tot een bewezenverklaring van feit 2, er geen ISD dient te volgen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 18 maart 2019 ten tijde en in het zicht van de tramaanslag op het 24 Oktoberplein in Utrecht, schuldig gemaakt aan het medeplegen van een zogeheten autokraak, waarbij door middel van braak kostbare goederen zijn weggenomen uit de auto van een buitenlandse journalist die op dat moment de verslaglegging van de tramaanslag deed. Een autokraak is sowieso al een ergerlijk feit omdat hieruit blijkt dat verdachte geen respect heeft voor de eigendommen van anderen, echter gaat het hier om een autokraak vlak na het schietincident in de tram in Utrecht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van deze zeer hectische en tragische dag, waarop de politie met man en macht aan het werk was aan de afwikkeling van deze schietpartij en gewonden nog voor hun leven aan het vechten waren in de verschillende ziekenhuizen. Dat verdachte juist dat moment heeft uitgekozen om een autokraak te plegen, getuigt van een enorme brutaliteit en gebrek aan respect.

Daarnaast heeft verdachte zich op 25 juli 2019 gelegitimeerd met een paspoort dat niet van hem was. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van identiteitsdocumenten moet kunnen worden gesteld. Dit is een kwalijk feit en verdachte heeft dit kennelijk gedaan om uit handen van de politie te blijven omdat hij wist dat hij werd gezocht.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 2 oktober 2019, opgesteld door [naam 2], reclasseringswerker. Daaruit blijkt onder meer dat er sprake is van langdurige problemen op verschillende leefgebieden. Ook is uit een intelligentie onderzoek, uitgevoerd in 2017, gebleken dat verdachte functioneert op de grens van zwakbegaafdheid. Verder komt in het rapport naar voren dat het verdachte ontbreekt aan overzicht, inzicht en vaardigheden om zelfstandig zijn leven te veranderen. Hij heeft de afgelopen jaren herhaaldelijk hulp aangeboden gekregen, zowel in vrijwillig als in een gedwongen kader. Indien onderhavige verdenkingen bewezen kunnen worden verklaard dan is de reclassering van mening dat de begeleiding die tot op heden is aangeboden in de verschillende kaders, onvoldoende is gebleken om het risico op recidive te verlagen. Het recidiverisico wordt namelijk ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan voor het opleggen van de ISD-maatregel. Bewezen is verklaard dat verdachte meerdere misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 5 september 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Deze straffen zijn, blijkens de door de officier van justitie overgelegd executieoverzichtje (opgenomen in haar schriftelijk requisitoir), ten uitvoer gelegd. Uit de hiervoor genoemde rapportage blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de aard en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Tot nu toe heeft niets verdachte er van kunnen weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie.
Verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader. Hij is een persoon van ouder dan 18 jaar die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijk ISD-maatregel. Uit het voornoemde reclasseringsadvies volgt dat eerdere hulpverlening en voorwaardelijke veroordelingen bij verdachte geen gedragsverandering teweeg hebben gebracht en daar komt bij dat verdachte op 15 februari 2019 een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen (waartegen verdachte in beroep is). Dit heeft verdachte er niet van weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen, onder ander op 18 maart 2019, slechts iets meer dan een maand later. Een strenger en voor de maatschappij veiliger kader is noodzakelijk.

De rechtbank acht in dit geval de ISD-maatregel noodzakelijk en zal die opleggen.

Om het recidiverisico te verminderen, de problematiek van verdachte te behandelen en de maatschappij optimaal te beschermen, is het naar het oordeel van de rechtbank van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel uit te voeren. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen.

De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal de rechtbank dan ook niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57, 231 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging maatregel

- legt aan verdachte ter zake het bewezen verklaarde op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. van den Boogaard, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. H.F. Koenis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 18 maart 2019 te Utrecht

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een laptop en/of een I-pad en/of accu's en/of een tas met kleding, in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak, verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 25 juli 2019 te Zaltbommel

opzettelijk en

wederrechtelijk

gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument

en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht, te weten een Nederlands paspoort met het nummer

[nummer] op naam van [B] ,

door dit paspoort aan te bieden ter identificatie;

( art 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 18 oktober 2018 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

twee laptops van het merk HP, een Macbook Air met tas, een Samsung

SSD externe harde schijf, een Samsung telefoon en/of een bankpas en

OV-chipkaart, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een

ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten

aan [benadeelde 2] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak, verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal PL0900-2019080104, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, district Stad-Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 88. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , pagina 7 en 8.

3 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 3] , pagina 17.

4 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 3] , pagina 18.

5 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 3] , pagina 19.

6 Proces-verbaal van relaas [verbalisant 4] , pagina 6.

7 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 4] , pagina 48.

8 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pagina 15.

9 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] , pagina 21/22.