Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4795

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
NL19.4361
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Geschil over de verkoop van een stuk grond. Welk stuk grond is verkocht? Bewijsopdracht. Beroep op misbruik van omstandigheden en bedrog verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.4361

Vonnis van 21 oktober 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van mevrouw [onderbewindgestelde] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres van de vordering,
verweerster op de tegenvordering,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
advocaat mr. P.G. Knoppers,

tegen

1 [verweerder sub 1] ,
2. [verweerster sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
verweerders op de vordering,
eisers van de tegenvordering,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [verweerder sub 1] c.s.,
advocaat mr. J. Nagtegaal.

1 De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

  • -

    de procesinleiding, met producties 1 tot en met 18

  • -

    het verweerschrift met een tegenvordering, met een productie

  • -

    het verweerschrift op de tegenvordering, met productie 19

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 9 juli 2019

  • -

    de spreekaantekeningen van partijen

  • -

    een ongenummerde productie van [verweerder sub 1] c.s. (foto)

  • -

    de akte na getuigenverhoor van de bewindvoerder, met producties 20 tot en met 29

  • -

    de akte na getuigenverhoor van [verweerder sub 1] c.s.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

Mevrouw [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ) woont aan het adres [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] in [woonplaats 2] . [verweerder sub 1] c.s. woont aan het adres [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] , dat ligt op een perceel dat grenst aan dat van [onderbewindgestelde] . In productie 2 van de bewindvoerder wordt deze situatie als volgt weergegeven:

2.2.

Sinds 2003 huurde [verweerder sub 1] c.s. van [onderbewindgestelde] een stuk grond (dat deel uitmaakt van het perceel van [onderbewindgestelde] ). Dat stuk ligt naast de opstal met het nummer [nummeraanduiding 2] , dat aan de rand van het perceel van [verweerder sub 1] c.s. ligt. De huurprijs was € 5,00 per jaar.

2.3.

[verweerder sub 1] c.s. heeft ook een stuk grond van [onderbewindgestelde] gekocht. De koopovereenkomst is in april of mei 2018 mondeling tot stand gekomen. De prijs was
€ 500,00. Op 16 mei 2018 is er door kandidaat-notaris mr. [B] (hierna: de notaris) een leveringsakte gepasseerd. De notaris heeft, naar aanleiding van deze leveringsakte, een stuk grond ‘voorlopig ingetekend’ bij het kadaster, via een daarvoor bedoelde applicatie. Het ingetekende stuk grond is ongeveer 168 m2 groot. Op 17 mei 2018 heeft de notaris een afschrift van de leveringsakte ingeschreven in het openbaar register.

2.4.

[onderbewindgestelde] ontving op 7 juni 2018 van het kadaster een brief met daarin, samengevat, het verzoek om te controleren of het door de notaris ingetekende stuk grond juist is. Daardoor kwam [onderbewindgestelde] op de hoogte van de manier waarop het stuk grond door de notaris was ingetekend. Zij heeft daar bezwaar tegen gemaakt bij het kadaster. Haar standpunt was dat alleen het stuk grond dat eerder werd verhuurd aan [verweerder sub 1] c.s. is verkocht. Duidelijk werd dat [verweerder sub 1] c.s. daar anders over dacht. [verweerder sub 1] c.s. vond dat hij een stuk van ongeveer 168 m2 heeft gekocht en geleverd gekregen. Het kadaster kon niet overgaan tot het vaststellen van de perceelgrens, omdat partijen het daarover niet eens zijn.

2.5.

Op 13 september 2018 is mevrouw [eiseres] benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] .

2.6.

In deze procedure vordert de bewindvoerder samengevat (i) een verklaring voor recht dat het aan [verweerder sub 1] c.s. verkochte stuk grond alleen het gehuurde omvat, (ii) vernietiging van de koopovereenkomst voor zover deze meer dan het gehuurde omvat,
(iii) een gebod aan [verweerder sub 1] c.s. tot medewerking aan het ‘intekenen’ van het voorheen gehuurde stuk grond en (iv) een verbod aan [verweerder sub 1] c.s. om zich zonder toestemming van de bewindvoerder op het perceel van [onderbewindgestelde] te bevinden.

2.7.

[verweerder sub 1] c.s. heeft tegenvorderingen ingediend. Hij vordert samengevat dat de bewindvoerder en [onderbewindgestelde] worden veroordeeld tot (i) medewerking aan het intekenen van het stuk grond van 168 m2, (ii) verplaatsing van de erfafscheiding en (iii) medewerking aan het leveren van een financiële bijdrage aan de uitbreiding van de erfafscheiding.

3 De beoordeling

A. Inleiding

3.1.

In de kern gaat deze zaak over de vraag welk stuk grond [onderbewindgestelde] aan [verweerder sub 1] c.s. heeft verkocht. Gaat het om (a) het stuk grond dat [verweerder sub 1] c.s. al huurde of (b) het stuk grond van 168 m2? Daarnaast is er de vraag of de koopovereenkomst gedeeltelijk vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden of bedrog. Ook moet de vraag worden beantwoord of tegen [verweerder sub 1] c.s. een verbod moet worden uitgesproken om het perceel van [onderbewindgestelde] te betreden. De rechtbank zal hierna ingaan op deze vragen. De vorderingen en tegenvorderingen zal zij daarbij zo veel mogelijk gezamenlijk beoordelen.

3.2.

Eerst zal de rechtbank nog twee formele beslispunten behandelen: de ontvankelijkheidsverweren die beide partijen hebben gevoerd en de toelaatbaarheid van delen van de akten na getuigenverhoor van beide partijen.

B. Ontvankelijkheid

3.3.

[verweerder sub 1] c.s. betoogt dat de bewindvoerder niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover die zijn gericht tegen de heer [verweerder sub 1] . Het aan de heer [verweerder sub 1] gerichte oproepingsbericht vermeldt op het voorblad dat “ [eiseres] ” eiseres is, terwijl niet wordt vermeld dat zij als bewindvoerder optreedt, aldus [verweerder sub 1] c.s.

Dit gaat niet op. Zoals [verweerder sub 1] c.s. zelf al opmerkt, wordt later in het stuk duidelijk dat mevrouw [eiseres] als bewindvoerder optreedt. De heer [verweerder sub 1] kon dat niet anders begrijpen en is ook niet in zijn belangen geschaad. Daar komt bij dat de bewindvoerder deze vergissing in een later stuk heeft rechtgezet. De bewindvoerder is dus ook tegenover de heer [verweerder sub 1] ontvankelijk in haar vorderingen.

3.4.

De bewindvoerder betoogt dat [verweerder sub 1] c.s. niet-ontvankelijk is in zijn tegenvorderingen. De tegenvorderingen zijn, zo stelt de bewindvoerder, gericht tegen de bewindvoerder in privé. Dat kan volgens de bewindvoerder niet, omdat de bewindvoerder niet in privé procespartij is.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:441 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moeten vorderingen tegen de onder bewind gestelde, [onderbewindgestelde] , worden gericht tegen de bewindvoerder (HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.3.2). Deze laatste is ‘formele procespartij’. Uit niets blijkt dat [verweerder sub 1] c.s. heeft beoogd vorderingen tegen de bewindvoerder in privé in te stellen. [verweerder sub 1] c.s. is dus ontvankelijk in zijn vorderingen tegen de bewindvoerder.

De bewindvoerder wijst er terecht op dat de tegenvorderingen zich, volgens de tekst daarvan, ook richten tegen “de Moeder”, [onderbewindgestelde] dus. Dit is een ongelukkige woordkeuze. [onderbewindgestelde] is materieel, maar niet formeel procespartij. Tegen haar kunnen in deze procedure dus geen vorderingen worden ingesteld. Dit heeft echter geen belang, omdat een veroordeling van de bewindvoerder als formele procespartij ook [onderbewindgestelde] als materiële procespartij bindt. De rechtbank leest de tegenvorderingen dan ook zo dat deze alleen tegen de bewindvoerder zijn gericht.

C. Toelaatbaarheid van delen van de akten na getuigenverhoor

3.5.

Tussen partijen is ook een discussie ontstaan over de toelaatbaarheid van onderdelen van de akten na getuigenverhoor. Die akten mogen – voor zover daarover niets anders is afgesproken – alleen zien op het getuigenverhoor.

3.6.

De rechtbank deelt de opvatting van [verweerder sub 1] c.s. dat niet alle onderdelen van de akte van de bewindvoerder betrekking hebben op het getuigenverhoor. Bovendien bevat de akte nieuwe stellingen en gegevens die al eerder aan de orde hadden kunnen worden gesteld. Het gaat om de nummers [.] , [.] tot en met [.] en [.] tot en met [.] . De rechtbank zal deze nummers buiten beschouwing laten. De daarin opgenomen stellingen en gegevens zijn overigens ook niet van belang voor deze zaak, om de volgende redenen. Dat [verweerder sub 1] c.s. eerder, buiten deze procedure, zou hebben beweerd dat er een door het kadaster gewaarmerkte tekening is en dat dat onjuist is, is irrelevant. De rechtbank ziet ook niet in waarom de tekening bij de huurovereenkomst licht werpt op deze zaak. Dat er vanaf 2003 een bepaald stuk grond werd gehuurd, staat tussen partijen immers niet ter discussie. De discussie gaat over het stuk grond dat is verkocht en geleverd. Het betoog van de bewindvoerder over de ‘belangenafweging’ – en wat ze in dat verband naar voren brengt –

gaat evenmin op. Een belangenafweging is niet aan de orde. De rechtbank moet de feiten, waaronder de inhoud van de koopovereenkomst, vaststellen en bepalen welke rechten aan partijen toekomen.

3.7.

De bewindvoerder heeft op haar beurt betoogd dat ook onderdelen van de akte na getuigenverhoor van [verweerder sub 1] c.s. buiten beschouwing moeten blijven, namelijk nummers [.] tot en met [.] . Deze nummers hebben echter bij uitstek wel betrekking op het getuigenverhoor en de rechtbank ziet dan ook geen reden om deze buiten beschouwing te laten.

3.8.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beslispunten.

D. Welk stuk grond is verkocht?

3.9.

De eerste vraag is: welk stuk grond heeft [onderbewindgestelde] aan [verweerder sub 1] c.s. verkocht? Daarbij gaat het erom dat óf (a) het gehuurde is verkocht, zoals de bewindvoerder stelt, óf (b) het door [verweerder sub 1] c.s. bedoelde stuk grond van ongeveer 168 m2 is verkocht. Is de stelling van de bewindvoerder juist, dan moet de door haar gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen en moeten de tegenvorderingen worden afgewezen. Is de stelling van de bewindvoerder onjuist, dan is de verklaring voor recht niet toewijsbaar en moeten de tegenvorderingen worden toegewezen. De stelling van de bewindvoerder dat alleen het gehuurde is verkocht, staat dus centraal. De bewindvoerder draagt de bewijslast van die stelling.

Wat hebben partijen aangevoerd?

3.10.

De bewindvoerder heeft het volgende aangevoerd. Voorafgaande aan het passeren van de leveringsakte is tussen [onderbewindgestelde] en [verweerder sub 1] c.s. besproken dat [verweerder sub 1] c.s. het stuk grond dat hij al sinds 2003 van [onderbewindgestelde] huurde, wilde kopen. [verweerder sub 1] c.s. heeft aan de notaris getoond om welk stuk het volgens hem ging. [onderbewindgestelde] was daar niet bij. Zij wist niet dat het volgens [verweerder sub 1] c.s. om een groter stuk, namelijk een stuk van ongeveer 168 m2, ging. [onderbewindgestelde] was bereid om het gehuurde aan [verweerder sub 1] c.s. te verkopen voor € 500,00. Daarmee kwam een mondelinge overeenkomst tot stand.

3.11.

[verweerder sub 1] c.s. heeft verweer gevoerd. Volgens hem is tussen hem en [onderbewindgestelde] eerst alleen de verkoop van het gehuurde besproken en heeft [verweerder sub 1] c.s. vervolgens om het grotere stuk grond van ongeveer 168 m2 gevraagd. [onderbewindgestelde] begreep goed welk stuk werd bedoeld en was bereid om dat grotere stuk aan [verweerder sub 1] c.s. te verkopen. De notaris heeft [onderbewindgestelde] ook gevraagd of zij dat echt wilde en toen heeft zij dat bevestigd. [onderbewindgestelde] heeft op advies van de notaris een koopprijs van € 500,00 voorgesteld. Dat was bedoeld als symbolische prijs. Volgens [verweerder sub 1] c.s. hebben partijen in het bijzijn van de notaris een tekening ondertekend, waarop een strook van ongeveer 168 m2 is gemarkeerd, bestaande uit een stuk van 3,5 × 30 meter en een stuk van 3,5 × 18 meter. De tekening uit productie 21 van de bewindvoerder zal hierna worden weergegeven. De rechtbank stelt vast dat productie 7 van de bewindvoerder dezelfde tekening bevat, zij het dat daarin een deel is ingekleurd.

3.12.

Op de mondelinge behandeling van 9 juli 2019 is de notaris als getuige gehoord. De notaris heeft onder meer als volgt verklaard:

“(…) 2. Ik was bij mevrouw op bezoek voor een aanpassing van haar testament en levenstestament. Toen kwam ook de verkoop en levering van een stukje grond aan de orde. De buurman had hierom verzocht en daarvoor een tekening gemaakt. Dit is de tekening die als productie 7 aan de procesinleiding is gehecht.

3. Het was een mondelinge overeenkomst. Ik ben nagegaan of mevrouw [onderbewindgestelde] daadwerkelijk dit stuk grond wilde verkopen. Ik heb gevraagd waarom ze dat zou willen. Zij was akkoord met het verzoek van de buren.

4. Ik ben met de buren gaan spreken, ook omdat normaal gesproken de koper de notaris aandraagt. Na het gesprek met de buurman heeft [onderbewindgestelde] nogmaals bevestigd dat ze de strook grond wilde verkopen aan de buren.

5. De tekening was mij duidelijk. Op de tekening was te zien welk stuk grond in gebruik was en welk stuk grond erbij zou komen. Ter plekke was dit ook duidelijk. Het ging om een halve sloot en een stukje talud en een stukje van de grond achter de schuur. [onderbewindgestelde] had ook gezegd dat die grond achter de schuur voor haar niet belangrijk was.

6. In het gesprek met [onderbewindgestelde] heb ik de tekening met haar besproken en ze wist waar het over ging en vond het prima. Ze tekende een volmacht. (…)

9. De groengele tekening heeft mevrouw [onderbewindgestelde] op 15 mei 2018 bij haar thuis in mijn bijzijn van haar handtekening voorzien.

3.13.

Hoewel de rechtbank aan de waardering van deze verklaring nog niet toekomt, stelt de rechtbank vast dat deze verklaring van de notaris steun biedt aan de betwisting van [verweerder sub 1] c.s.

3.14.

Gelet op het voorgaande heeft [verweerder sub 1] c.s. de stellingen van de bewindvoerder voldoende gemotiveerd betwist. Dat leidt ertoe dat de bewindvoerder bewijs moet leveren van de stelling dat [onderbewindgestelde] alleen het stuk grond dat sinds 2003 door [verweerder sub 1] c.s. werd gehuurd, aan deze laatste heeft verkocht.

3.15.

Dat bewijs heeft de bewindvoerder nog niet geleverd. Het sterkste argument van de bewindvoerder is dat artikel 3 van de leveringsakte (productie 4 van de bewindvoerder) met betrekking tot het verkochte stuk grond onder meer vermeldt: “(…) koper had de betreffende strook grond als huurder reeds sinds tweeduizend drie in gebruik”. Zoals de bewindvoerder ook zelf stelt, is de leveringsakte echter niet eenduidig. Andere onderdelen van de akte wijzen juist in een andere richting. Zo vermeldt de leveringsakte dat het stuk grond “een are acht en zestig centiare” groot is. Ook wordt verwezen naar een tekening. Tussen partijen is niet in geschil dat die tekening de hiervoor opgenomen tekening is, waarop een stuk grond van ongeveer 168 m2 is aangegeven. Dat stuk grond is veel groter dan het gehuurde. De frase in artikel 3 van de leveringsakte kan de rechtbank daarom niet overtuigen van het gelijk van de bewindvoerder.

3.16.

Het argument van de bewindvoerder dat de prijs van € 500,00 erop wijst dat alleen het gehuurde is verkocht, overtuigt evenmin. Dat argument zou kunnen opgaan als partijen een marktconforme transactie hebben willen sluiten. De bewindvoerder heeft de stelling van [verweerder sub 1] c.s. dat de prijs symbolisch – en dus niet marktconform – was echter niet betwist. Dat de prijs symbolisch was, is ook aannemelijk omdat, zoals de bewindvoerder zelf ook stelt, de huur van € 5,00 per jaar die [verweerder sub 1] c.s. betaalde, ook symbolisch was. Bovendien heeft de bewindvoerder gesteld dat ook de prijs van € 500,00 voor strook B een irreële prijs is, maar verbindt daaraan niet de conclusie dat verkoop van dat stukje grond niet de bedoeling van [onderbewindgestelde] was. Dat de prijs voor de grond € 500,00 was, biedt daarom geen steun aan de stellingen van de bewindvoerder en doet niet – zonder meer – af aan de mogelijkheid dat [onderbewindgestelde] een stuk grond van 168 m2 heeft willen verkopen.

3.17.

Ook heeft de bewindvoerder naar voren gebracht dat [onderbewindgestelde] , nadat zij door het kadaster was benaderd, per brief van 15 juli 2018 bezwaar heeft gemaakt. De brief bevat een omschrijving van wat volgens [onderbewindgestelde] is verkocht, namelijk het stuk grond dat al sinds 2003 werd gehuurd. Deze brief, die ná het passeren van de leveringsakte is verzonden, bevat geen bewijs van de inhoud van de koopovereenkomst en geeft alleen het standpunt weer dat in deze procedure door de bewindvoerder wordt ingenomen.

3.18.

Volgens de bewindvoerder is het ook niet aannemelijk dat [onderbewindgestelde] het door [verweerder sub 1] c.s. bedoelde stuk heeft willen verkopen, omdat dit een ‘hap’ neemt uit het perceel van [onderbewindgestelde] , met gevolgen voor de waarde daarvan. De bewindvoerder maakt niet duidelijk dat partijen bij het aangaan van de koopovereenkomst met dit aspect rekening hebben willen houden. Overigens legt de bewindvoerder ook niet uit waarom er in dit opzicht een relevant verschil is tussen de verkoop van het gehuurde, dat ook een ‘hap’ neemt uit het perceel, en het grotere stuk van 168 m2. Dat het perceel van [onderbewindgestelde] zelfs ‘onbruikbaar’ wordt als wordt aangenomen dat het stuk grond van 168 m2 aan [verweerder sub 1] c.s. is verkocht en overgedragen, zoals de bewindvoerder stelt, ziet de rechtbank niet in. Dat, zoals de bewindvoerder verder betoogt, het door [verweerder sub 1] c.s. bedoelde stuk grond van ongeveer 168 m2 de wagenschuur van [onderbewindgestelde] doorkruist en aan de achterkant van de paardenstallen raakt – zodat onderhoud daar niet mogelijk is – wordt door [verweerder sub 1] c.s. weersproken en is door de bewindvoerder niet verder onderbouwd. Overigens is dit voor het antwoord op de vraag welk stuk grond door [onderbewindgestelde] is verkocht ook geen doorslaggevend aspect.

Bewijsopdracht

3.19.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de bewindvoerder zal opdragen bewijs te leveren van de stelling dat [onderbewindgestelde] alleen het door [verweerder sub 1] c.s. gehuurde stuk grond aan [verweerder sub 1] c.s. heeft verkocht.

3.20.

De gang van zaken is als volgt:

i. De bewindvoerder moet op uiterlijk 18 november 2019 door middel van een bericht aan de rechtbank en aan [verweerder sub 1] c.s. laten weten op welke wijze(n) zij het haar opgedragen bewijs wil leveren.

Als de bewindvoerder (mede) door schriftelijke stukken of andere gegevens bewijs wil leveren, dan moet zij deze uiterlijk op 18 november 2019 bij akte in het geding brengen. In de akte mag de bewindvoerder toelichten waarom de in het geding gebrachte gegevens het opgedragen bewijs opleveren. De akte moet tot dat onderwerp beperkt zijn. [verweerder sub 1] c.s. zal in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte in te dienen.

Als de bewindvoerder getuigenbewijs wil leveren, dan moet zij uiterlijk op 18 november 2019 door middel van een bericht de verhinderdata van haarzelf, van [verweerder sub 1] c.s. en hun advocaten opgeven op de manier die hierna in 4.4 wordt bepaald.

De rechtbank zal dan een dag en een tijdstip voor het getuigenverhoor bepalen. De namen en woonplaatsen van de getuigen moeten uiterlijk een week voor het verhoor door middel van een bericht aan de griffier en aan [verweerder sub 1] c.s. worden opgegeven (artikel 170 lid 1, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechtbank verzoekt [verweerder sub 1] c.s. om, als hij tegenbewijs wil leveren door middel van getuigen, te bevorderen dat deze getuigen op dezelfde zitting als de getuigen van de bewindvoerder kunnen worden gehoord.

Is de koopovereenkomst vernietigbaar?

3.21.

De bewindvoerder heeft verder – subsidiair – vernietiging van de koopovereenkomst gevorderd voor zover het verkochte meer omvat dan het gehuurde. Volgens de bewindvoerder is de koopovereenkomst (in zoverre) door misbruik van omstandigheden, althans bedrog, tot stand gekomen. Aan de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden of bedrog, komt de rechtbank alleen toe als de bewindvoerder niet slaagt in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs. Mocht na bewijslevering die conclusie worden getrokken, dan gaat een beroep op vernietiging van de koopovereenkomst voor het meerdere niet op, om de volgende redenen.

3.22.

Volgens artikel 3:44 lid 1 jo. 4 BW is een overeenkomst alleen op grond van misbruik van omstandigheden vernietigbaar als:

(i) er bij een partij ‘bijzondere omstandigheden’ aanwezig zijn;

(ii) de wederpartij die omstandigheden kent of moet kennen;

(iii) zij weet dat die omstandigheden de andere partij bewegen tot het aangaan van die overeenkomst (causaal verband); en

(iv) zij de totstandkoming van die overeenkomst bevordert, terwijl dat wat zij weet haar daarvan zou moeten weerhouden.

3.23.

Dat er op het moment van het aangaan van de koopovereenkomst ‘bijzondere omstandigheden’ waren, kan worden aangenomen. Weliswaar zijn de omstandigheden die de bewindvoerder in de procesinleiding aanvoert, te algemeen en overtuigen deze de rechtbank niet, maar ter zitting heeft de bewindvoerder dit betoog aangevuld. Zij heeft gesteld dat [onderbewindgestelde] in de periode waarin de koopovereenkomst tot stand kwam, april en mei 2018, geneesmiddelen gebruikte en dat dit haar onzeker en verward maakte. Ze had wisselende gemoedstoestanden, aldus de bewindvoerder. [verweerder sub 1] c.s. heeft dit niet weersproken.

3.24.

Daarmee is de koopovereenkomst echter nog niet gedeeltelijk vernietigbaar. Om te beginnen heeft de bewindvoerder niet gesteld dat [verweerder sub 1] c.s. de hiervoor in 3.23 genoemde omstandigheden kende of moest kennen. Dat valt ook niet zonder meer in te zien. Daarbij is van belang dat de notaris heeft verklaard dat hij meerdere gesprekken heeft gevoerd met [onderbewindgestelde] om na te gaan of zij de transactie daadwerkelijk wilde en dat hem geen “omstandigheden zijn gebleken waaruit enig vermoeden van misbruik bleek”. De bewindvoerder had tegen die achtergrond beter moeten uitleggen waarom de ‘bijzondere omstandigheden’ die het gevolg waren van het medicijngebruik bij [verweerder sub 1] c.s. bekend waren of hadden moeten zijn.

3.25.

Daar komt bij dat het causaal verband niet aannemelijk is geworden. De bewindvoerder gaat er – nog steeds subsidiair – van uit dat, als de in 3.23 genoemde omstandigheden zich niet zouden hebben voorgedaan, [onderbewindgestelde] alleen het gehuurde zou hebben verkocht en niet het grotere stuk van ongeveer 168 m2. In essentie doet de bewindvoerder in dit verband alleen een beroep op de koopprijs van € 500,00, in verhouding tot de omvang van het stuk grond. Volgens de bewindvoerder is de prijs van € 500,00 te laag voor het stuk grond van 168 m2. Hiervoor in 3.16 overwoog de rechtbank al dat [verweerder sub 1] c.s. heeft gesteld en de bewindvoerder niet heeft betwist dat die prijs symbolisch was, net als de huur van € 5,00 per jaar. Bovendien hecht de rechtbank betekenis aan de onweersproken stelling van [verweerder sub 1] c.s. dat [onderbewindgestelde] de prijs van € 500,00 heeft voorgesteld. De bewindvoerder heeft niet uitgelegd waarom moet worden aangenomen dat [onderbewindgestelde] onder ‘normale omstandigheden’ niet bereid zou zijn geweest het stuk grond van 168 m2, maar wel het gehuurde stuk grond, voor een symbolische prijs te verkopen. Dat valt ook niet zonder meer in te zien. De stelling van de bewindvoerder dat [verweerder sub 1] c.s. wegens de prijs van € 500,00 niet had mogen meewerken aan de totstandkoming van de overeenkomst, gaat daarom evenmin op. Om dezelfde reden gaat het verwijt dat [verweerder sub 1] c.s. geen taxateur heeft ingeschakeld ook niet op.

3.26.

Het beroep op bedrog slaagt evenmin. Er is alleen bedrog als iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door een opzettelijke kunstgreep (artikel 3:44 lid 1 jo. 3 BW). Uit wat de bewindvoerder naar voren brengt, blijkt geen opzettelijke kunstgreep. Dat [verweerder sub 1] c.s., zoals de bewindvoerder stelt, niet aan [onderbewindgestelde] heeft medegedeeld dat de prijs van € 500,00 niet marktconform was, is niet een kunstgreep omdat [verweerder sub 1] c.s. dat niet hoefde mede te delen. De onduidelijkheid in de leveringsakte – die door de notaris is opgesteld nadat er een koopovereenkomst was – levert evenmin een kunstgreep op.

3.27.

De vordering van de bewindvoerder onder II kan dus niet worden toegewezen.

F. Het betreden van het perceel van [onderbewindgestelde]

3.28.

De bewindvoerder vordert ook [verweerder sub 1] c.s. te verbieden zich zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewindvoerder te bevinden op het perceel van [onderbewindgestelde] . Voor zover dit ziet op het betreden van het hiervoor onder D besproken stuk grond, waarvan [verweerder sub 1] c.s. stelt eigenaar te zijn, is het verbod in beginsel alleen toewijsbaar als komt vast te staan dat dat stuk grond geen eigendom is van [verweerder sub 1] c.s. Aangenomen moet echter worden dat [verweerder sub 1] c.s. de beslissing van de rechtbank zal respecteren en het betreffende stuk grond, en ook de rest van het perceel, niet zonder toestemming zal betreden. De vordering van de bewindvoerder onder III mist daarmee belang en zal worden afgewezen.

G. Verdere beslissingen

3.29.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

draagt de bewindvoerder op te bewijzen dat [onderbewindgestelde] alleen het door [verweerder sub 1] c.s. gehuurde stuk grond aan [verweerder sub 1] c.s. heeft verkocht;

4.2.

bepaalt dat de bewindvoerder op uiterlijk 18 november 2019 door middel van een bericht aan de rechtbank en aan [verweerder sub 1] c.s. moet laten weten op welke wijze(n) zij het haar hiervoor in 4.1 opgedragen bewijs wil leveren;

4.3.

bepaalt dat de bewindvoerder eventuele schriftelijke stukken of andere gegevens uiterlijk op 18 november 2019 bij akte in het geding moet brengen;

4.4.

bepaalt dat de bewindvoerder, als zij bewijs door middel van getuigen wil leveren, uiterlijk op 18 november 2019 moet opgeven op welke dagen zij, haar advocaat, [verweerder sub 1] c.s. en zijn advocaat en de getuige(n) die zij wensen te horen in de drie daarop volgende maanden zijn verhinderd; daarvoor gelden de volgende regels:

- bij de opgave moeten partijen ten minste vijftien dagdelen vrijlaten waarop het getuigenverhoor kan plaatsvinden;

- indien partijen bij hun opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen vrij laten, kan het getuigenverhoor worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel;

- vervolgens zal een datum en tijdstip voor het getuigenverhoor worden bepaald;

- indien partijen geen gebruik maken van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven, zal de rechtbank een datum bepalen waarbij geldt dat uitstel in beginsel niet meer mogelijk is;

- voor het opgeven van verhinderdata zal geen uitstel worden verleend;

4.5.

wijst de bewindvoerder erop dat zij de namen en woonplaatsen van de getuige(n) ten minste een week voor het verhoor bij de griffier en bij [verweerder sub 1] c.s. moet opgeven;

4.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, bijgestaan door mr. R. Bloemink als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2019.