Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4789

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
16/700732-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige vrouw is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf voor het doden van haar zoontje in 2012. Daarnaast legt de rechtbank de vrouw tbs met voorwaarden op, die kan worden omgezet in tbs met dwangverpleging als ze zich niet aan de voorwaarden houdt. Bovendien mag de vrouw niet met anticonceptie stoppen zonder haar behandelaars hiervan op de hoogte te brengen.

Op 16 april 2012 heeft de vrouw het neusje en het mondje van haar 9-maanden oude baby dichtgeknepen totdat hij niet meer ademde. Het jongetje lag op dat moment in zijn bed. Uit onderzoek blijkt dat hij ook hersenschade had die moet zijn veroorzaakt door slaan, stompen en/of schudden. Het slachtoffer is nog gereanimeerd maar een dag later is hij overleden. Pas nadat de vrouw in 2018 een bekennende verklaring heeft afgelegd is zij vervolgd. Eerder was de zaak tegen haar geseponeerd.

Volgens haar eigen verklaring zag de vrouw tegen de dagelijkse routine van de verzorging van haar zoon op. Zij wilde naar de buitenwereld toe laten zien dat zij een goede moeder was, maar kon dit uiteindelijk niet meer opbrengen. De vrouw heeft haar zoontje, terwijl hij lag te slapen, om het leven gebracht. Zij heeft een onschuldig en gezond kindje niet de zorg gegeven die hij verdiende. Ook neemt de rechtbank het de vrouw kwalijk dat zij niet direct openheid van zaken heeft gegeven. Zij heeft hiermee bij de vader en andere nabestaanden intens verdriet veroorzaakt.

Na de dood van haar zoontje is de vrouw uitvoerig onderzocht. Bij de vrouw is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis en er zijn aanwijzingen voor zwakbegaafdheid en een verstandelijke beperking. Haar handelen, het mishandelen van haar zoontje en uiteindelijk het dichtknijpen van de neus en mond, is beïnvloed door de borderline persoonlijkheidsstoornis. Hierdoor kan de doodslag haar niet volledig toegerekend worden. De rechtbank vindt dat de vrouw naast de gevangenisstraf een langdurige behandeling moet ondergaan. Bovendien neemt de rechtbank de adviezen van deskundigen over, onder andere als het gaat over de zorg voor kinderen. De vrouw mag niet de zorg dragen voor kinderen van zichzelf of anderen en omgang met kinderen is alleen toegestaan onder begeleiding van een andere volwassene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/700732-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1991] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .
gedetineerd in te P.I.V. HvB Nieuwersluis.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 april 2019, 18 juni 2019, 24 juli 2019 en 3 oktober 2019. Op de laatste zitting is de zaak inhoudelijk behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen door verdachte en mr. W. Korteling, advocaat te 's-Gravenhage, alsmede van hetgeen namens de benadeelde partij [benadeelde] door Slachtofferhulp Nederland naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 3 oktober 2019 gewijzigd (nader omschreven ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering). De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

op 16 april 2012 te Veenendaal met voorbedachte raad haar kind, [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd (moord);

subsidiair

op 16 april 2012 te Veenendaal haar kind, [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd (doodslag).

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachte raad haar kind om het leven heeft gebracht. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten in het dossier om te kunnen bewijzen dat zij al eerder plannen had om [slachtoffer] iets aan te doen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte gehandeld in een opwelling, ingegeven door gevoelens van zwaarmoedigheid. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer] .

Wel acht de officier van justitie het opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] , en daarmee de subsidiair ten laste gelegde doodslag, bewezen. Verdachte heeft bekend dat zij het neusje en het mondje van haar zoontje [slachtoffer] heeft dichtgeknepen. Volgens de deskundige van het NFI is het goed mogelijk dat dit tot de dood heeft geleid, maar de netvliesbloedingen in de ogen van [slachtoffer] kunnen daardoor niet worden verklaard. Die bloedingen kunnen volgens de deskundige enkel zijn veroorzaakt door forse krachtsinwerking van buitenaf (dus een heftig schudmoment en/of forse impact). De officier van justitie gaat er op basis van deze bevindingen van uit dat verdachte niet de hele waarheid vertelt, dat er meer is gebeurd toen zij alleen thuis was met [slachtoffer] en dat dit handelen heeft bijgedragen aan de dood van [slachtoffer] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer] . Volgens de verdediging is geen sprake geweest van voorbedachte raad. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat er iets in haar hoofd gebeurde toen zij even bij [slachtoffer] ging kijken om te zien of hij in slaap was gevallen. Zij voelde zich een slechte moeder en werd overvallen door de gedachte dat het beter was het leven van [slachtoffer] te beëindigen. De gedachte kwam op om een kussen te gebruiken, maar dat heeft zij niet gedaan. Zij ging even terug naar de woonkamer en toen ontstond de idee om het neusje en de mond van [slachtoffer] dicht te duwen, wat zij vervolgens ook heeft gedaan. Hoewel er enige tijd is geweest voor verdachte om zich te beraden op haar beslissing moet meer gewicht worden toegekend aan de contra-indicaties voor voorbedachte raad.

De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde schudden, stompen en/of slaan van [slachtoffer] . Verdachte ontkent deze handelingen. Omdat verdachte wel bekent [slachtoffer] te hebben gedood door zijn neusje en mondje dicht te knijpen, is de subsidiair ten laste gelegde doodslag in zoverre te bewijzen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

De akte van overlijden van [slachtoffer] houdt in:

“Geslachtsnaam: [slachtoffer]

Voornamen: [voornamen]

Woonplaats: [woonplaats]

Dag van geboorte: [2011]

Dag van overlijden: [2012]

Geslachtsnaam moeder: [verdachte]

Voornamen moeder: [voornamen]2

Naar aanleiding van de gerechtelijke sectie op 19 april 2012 is onder meer het volgende geconstateerd:

“Bij inwendig onderzoek was er sprake van sterke hersenzwelling met afplatting en

inklemmingsverschijnselen waarschijnlijk het gevolg van ernstig zuurstofgebrek.

Bij oogpathologisch onderzoek werden de klinisch waargenomen netvliesbloedingen bevestigd. Er waren geen aanwijzingen voor oude netvliesbloedingen of resten van netvliesbloedingen. De netvliesbloedingen kunnen zijn veroorzaakt door acceleratie-deceleratie en/of impact trauma op het hoofd.3 De oorzaak van de hersenzwelling, de hersenschade en de netvliesbloedingen en daarmee van het overlijden wordt gevormd door niet-accidenteel schedelhersenletsel zoals door impacttrauma en/of door acceleratie-deceleratie (heftig schudden) kunnen optreden.4

Uit medisch-forensisch onderzoek blijkt onder meer het volgende:

“Bij pathologisch onderzoek5 van de oogbollen werden in beide ogen uitgebreide netvliesbloedingen, met name richting de buitenzijde van de ogen en in verschillende lagen van het netvlies, met uitbreiding in het glasvocht, gezien. Bij een microscopische kleuring werden geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van ijzerpigment gezien.6 De combinatie van bevindingen, met onder meer uitgebreide netvliesbloedingen in beide ogen, is niet passend bij verstikking als oorzaak.7

Verdachte heeft als volgt verklaard:

“Op 16 april (de rechtbank begrijpt: 2012) ben ik opgestaan. Ik heb [slachtoffer] opgepakt, gezegd ga maar slapen. Na een kwartiertje ging ik kijken. Hij was nog wakker. Hij had babbeltjes praatjes, hij keek me zo aan met glinsterende oogjes. Ik dacht nu moet ik hem uit deze hel halen. Ik heb mijn hand op zijn neusje geknepen en mijn andere hand op zijn mondje geduwd. Het ging heel gemakkelijk, en toen ik zag dat hij niet meer ademde ben ik op de bank gaan zitten in de woonkamer. Ik dacht hij leeft niet meer. Ik heb geluisterd of hij nog ademde, nee. Ik deed mijn hand op zijn buik, nee hij ademde niet.8

Naar aanleiding van de door verdachte afgelegde verklaring heeft forensisch arts W.A. Karst van het NFI een aanvullend rapport opgesteld, waarin onder meer het volgende wordt vermeld:

“2. Past de verklaring van [verdachte] binnen de destijds geconstateerde

letsels?

De moeder van [slachtoffer] verklaarde dat zij de neus en de mond van [slachtoffer] heeft

dichtgeknepen/dichtgeduwd. Deze handeling zal, afhankelijk van de mate van

afsluiting, in korte tijd leiden tot een tekort aan zuurstof in het bloed wat leidt tot

zuurstoftekort in de organen. Bij een volledige afsluiting met volledige belemmering

van zuurstoftoevoer, zal dit bij een baby doorgaans binnen enkele minuten leiden

tot ernstige hersenbeschadiging en de dood.

De beschreven handelingen zullen doorgaans leiden tot een forse drukverhoging in

de bloedvaten en tot het uittreden van vocht uit de bloedvaten in de hersenen. Het

gevolg is een zwelling van de hersenen. De tijdens de sectie bij [slachtoffer]

geconstateerde forse hersenzwelling en de neuropathologisch geconstateerde

schade van de hersenen (hersenweefselversterf) als gevolg van zuurstoftekort, als

ook de stipvormige bloeduitstortingen in het gelaat, zijn passende gevolgen van de

beschreven handelingen.9

Dat geldt echter niet voor de geconstateerde ernstige netvliesbloedingen.

Plotse stijging van hersendruk bij kinderen zou mogelijk tot (uitbreiding met) een

beperkt aantal oppervlakkige netvliesbloedingen rondom de papil kunnen leiden,

maar alleen als de blinde vlek door die hersendruk gezwollen is. De

netvliesbloedingen bij [slachtoffer] waren uitgebreid (meerlagig, tot in de periferie en tot in

het glasvocht), waarbij geen sprake was van een gezwollen blinde vlek.

Ook zuurstoftekort zonder (plotse) stijging van de hersendruk is geen oorzaak van uitgebreide netvliesbloedingen.

Hiermee is het geheel aan medische bevindingen niet te verklaren door de

beschreven handelingen. Als de schade in de hersenen en de stipvormige

bloeduitstortingen in het gelaat veroorzaakt zijn door de beschreven handelingen,

dan moet tevens sprake zijn geweest van een forse krachtsinwerking zoals

beschreven in de voorgaande rapportages.

Op zichzelf kunnen de beschreven handelingen voldoende zijn om het overlijden van

[slachtoffer] te verklaren. Echter, de oogpathologisch als recent geduide netvliesbloedingen

(zonder bloedafbraakproducten, dus maximaal enkele dagen oud ten tijde van het

overlijden) zijn dusdanig uitgebreid, dat de noodzakelijke forse krachtsinwerking

(eveneens) tot ernstig hersenletsel geleid zou moeten hebben. Een normaal

functioneren nadien (in de dagen en de ochtend voorafgaande aan de reanimatie op

16 april 2012, als daarvan sprake is geweest), is niet mogelijk. Het is om die reden

aannemelijk dat na het laatste moment van normaal functioneren sprake zal zijn

geweest van een forse krachtinwerking die tot de uitgebreide netvliesbloedingen

heeft geleid.10

De deskundige van het NFI, W.A. Karst, heeft op 3 oktober 2019 ter zitting als volgt verklaard:

“Netvliesbloedingen kunnen alleen ontstaan als er bloed circuleert. Dat betekent dat de bloedsomloop van [slachtoffer] nog functioneerde ten tijde van de forse krachtsinwerking. Omdat normaal functioneren na het ontstaan van de netvliesbloedingen niet meer mogelijk was, moet de forse krachtsinwerking direct voor het laatste moment van normaal functioneren van [slachtoffer] hebben plaatsgevonden.”

Bewijsoverwegingen

Verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer] heeft gedood door zijn neusje en mondje dicht te knijpen. Zij heeft ontkend dat sprake is geweest van de ten laste gelegde geweldshandelingen en schudden van [slachtoffer] . Uit het medisch forensisch onderzoek, zoals hiervoor weergegeven, volgt echter dat bij [slachtoffer] – bij leven – (ook) sprake moet zijn geweest van geweldshandelingen, op een zodanige wijze dat een normaal functioneren daarna niet mogelijk is. Wettig en overtuigend is bewezen dat ofwel sprake is geweest van krachtig schudden, ofwel van slaan of stompen (al dan niet met een voorwerp tegen het hoofd, dan wel van het hoofd tegen een voorwerp), ofwel van een combinatie daarvan. De deskundige W.A. Karst heeft ter zitting toegelicht dat niet is vast te stellen wat de volgorde van de verschillende handelingen is geweest. De afwezigheid van een bloeduitstorting in de hersenen van [slachtoffer] kan evenwel mogelijk worden verklaard doordat de hersenen al gezwollen waren door zuurstofgebrek toen de forse krachtsinwerking plaatsvond. De rechtbank begrijpt uit de verklaring van de deskundige ter zitting dat het dus mogelijk is dat verdachte eerst het neusje en mondje van [slachtoffer] heeft dicht geknepen – met zuurstofgebrek en een zwelling van de hersenen tot gevolg – en daarna geweld heeft gepleegd. Dit staat echter niet vast. De rechtbank moet dan ook in het midden laten in welke volgorde de handelingen van verdachte hebben plaatsgevonden. Dát sprake is geweest van een combinatie van handelingen die uiteindelijk tot het overlijden van [slachtoffer] hebben geleid, staat evenwel vast.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood op de hiervoor genoemde wijze.

VRIJSPRAAK VAN HET PRIMAIR TEN LASTE GELEGDE

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan en zal haar hiervan vrijspreken.

In het algemeen geldt dat sprake is van voorbedachte raad als de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De rechtbank leidt met de officier van justitie en de verdediging uit de verklaring van verdachte af – en acht die verklaring op dit punt ook aannemelijk – dat de besluitvorming en de uitvoering tot stand zijn gekomen in een korte tijdspanne, terwijl verdachtes handelen door gevoelens van heftige emotie werd beheerst. De rechtbank kent daarbij mede betekenis toe aan de het hierna te bespreken bevindingen van de rapporterende psycholoog en de psychiater waaruit blijkt dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis en daarnaast van zwakbegaafdheid dan wel een verstandelijke beperking en dat er aanwijzingen zijn dat verdachtes gedragskeuzes daardoor zijn beïnvloed. Aldus stelt de rechtbank vast dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat zij moet worden vrijgesproken van moord.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 16 april 2012 te Veenendaal, opzettelijk haar minderjarige kind [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door

- de neus en mond van die [slachtoffer] dicht te duwen en dichtgeduwd te houden, en,

- tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen, al dan niet met een voorwerp en/of met het hoofd van die [slachtoffer] tegen een voorwerp te slaan en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) te schudden,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op [2012] te [woonplaats] is overleden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

doodslag.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte is het volgende rapport opgemaakt:

- een triple onderzoek van 11 juni 2019 door S.A. Moonen, GZ-psycholoog, M.M. Sprock, psychiater en W. de Kruijf, forensisch milieuonderzoeker.

De psychiater en de psycholoog adviseren het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank concludeert op basis van de bevindingen van deze deskundigen dat het ten laste gelegde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate. Ook verder is niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid geheel uitsluit.

Verdachte is dus strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, en

- de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat passend is een gevangenisstraf van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 10 jaren. Als bijzondere voorwaarden dienen te gelden de voorwaarden zoals de reclassering in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden heeft geadviseerd.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat passend is een gevangenisstraf van 1 jaar en het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Met betrekking tot de inhoud van de aan de terbeschikkingstelling te stellen voorwaarden refereert de verdediging zich ook hier aan het advies van de reclassering.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in 2012 haar zoontje [slachtoffer] , nog maar negen maanden oud, gedood. [slachtoffer] was als baby volledig afhankelijk van zijn moeder. In plaats van hem de veiligheid en geborgenheid te geven die hij nodig had, heeft zij hem van het leven beroofd. Volgens haar eigen verklaring zag zij tegen de dagelijkse routine van de verzorging van [slachtoffer] op. Zij wilde naar buiten laten zien dat zij een goede moeder was, maar kon dit uiteindelijk niet langer opbrengen. Terwijl [slachtoffer] rustig in zijn bedje lag, heeft zij zijn neusje en mondje dichtgeknepen totdat hij niet meer ademde. Daarnaast is uit medisch onderzoek door deskundigen komen vast te staan dat sprake is geweest van heftig schudden en/of een geweldshandeling met contacttrauma tot gevolg. Met deze combinatie van handelingen heeft verdachte niet alleen een voortijdig einde gemaakt aan het leven van een onschuldig en gezond kindje, maar heeft zij ook intens verdriet veroorzaakt bij de vader en verdere familie van [slachtoffer] . Hoe groot dat verdriet is blijkt ook uit de verklaring die de vader van [slachtoffer] ter terechtzitting bij het uitoefenen van het spreekrecht heeft afgelegd.

De rechtbank weegt ten nadele van verdachte bij de strafoplegging mee dat zij over haar rol bij het overlijden van [slachtoffer] gedurende lange tijd geen openheid van zaken heeft gegeven, hetgeen het rouwproces van de vader en andere familieleden zal hebben bemoeilijkt. Ook heeft dit het strafrechtelijk onderzoek aanzienlijk vertraagd.

Bij het bepalen van de soort straf en hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de ernst van het onderhavige feit met zich dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur.

De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie (strafblad) betreffende verdachte van 22 augustus 2019;

- het hiervoor genoemde triple onderzoek van 11 juni 2019 door S.A. Moonen, GZ‑psycholoog, M.M. Sprock, psychiater en W. de Kruijf, forensisch milieuonderzoeker;

- een reclasseringsadvies van 18 juli 2019, uitgebracht door M.J.M. van der Spek, reclasseringswerker, en

- een reclasseringsadvies ‘tbs met voorwaarden’ van 29 augustus 2019, uitgebracht door M. Bakker, reclasseringswerker.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank ziet echter geen aanleiding dit aan te merken als een strafverminderende omstandigheid, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde.

De volgende omstandigheden weegt de rechtbank wel in strafverminderende zin mee bij het bepalen van de hoogte van de straf.

Verdachte is nog jong (op dit moment 27 jaar en ten tijde van het bewezen verklaarde 20 jaar oud). Verdachte zal zelf ook de rest van haar leven moeten leven met het verlies van haar zoontje en haar aandeel daarin.

Uit de bevindingen van de psycholoog en de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Er zijn aanwijzingen voor zwakbegaafdheid dan wel een verstandelijke beperking. Daarbij is er sprake van een persisterende depressieve stoornis, namelijk chronische depressieve klachten die in meer of mindere mate aanwezig zijn gedurende haar leven. Waarschijnlijk zijn verdachtes gedragskeuzes ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed door de borderline persoonlijkheidsstoornis. De beperkte cognitieve vermogens in de vorm van zwakbegaafdheid dan wel verstandelijke beperking kunnen bijgedragen hebben aan de chronische overvraging die naar alle waarschijnlijkheid aanwezig was. Het bewezen verklaarde kan verdachte dan ook slechts in verminderde mate worden toegerekend.

Volgens de deskundigen ontstaat als verdachte opnieuw een kind krijgt dan wel de zorg krijgt over een kind, een hoog risico op gewelddadig handelen vergelijkbaar met waar zij van wordt verdacht. De problematiek van verdachte is ernstig en chronisch en brengt een zeer beperkte draagkracht en belastbaarheid met zich; ze is structureel kwetsbaar, snel overprikkeld en emotioneel ontregeld waarbij haar impulsregulatie ernstig gestoord kan raken. In geval van een nieuwe zwangerschap zal de opvoeding en verzorging van een kind haar opnieuw ernstig overvragen, haar onzekerheid doen toenemen en opnieuw de problematiek versterken met alle mogelijke risicoscenario’s van dien.

Volgens de deskundigen is het van belang dat een klinische behandeling wordt ingezet ter behandeling van verdachtes problematiek en ter preventie van een volgende zwangerschap. De deskundigen spreken zich niet uit over het kader waarbinnen deze klinische behandeling vormgegeven zal moeten worden, maar zij noemen als kader een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel, een terbeschikkingstelling met voorwaarden of een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De reclasseringsadviezen van 18 juli 2019 en 29 augustus 2019 bevestigen dat het van belang is dat verdachte klinisch zal worden behandeld. Na deze behandeling zal moeten worden ingezet op (langdurig) toezicht en begeleiding. Omdat de verdenking een ernstig feit betreft en de kans op herhaling in geval van een nieuwe zwangerschap als hoog wordt ingeschat, dient het slagen van de behandeling volgens de reclassering zo goed mogelijk te worden gegarandeerd. Borderline-problematiek kenmerkt zich door wisselvalligheid in meningen, emoties en motivatie en dat kan een negatieve invloed hebben op de motivatie van verdachte met betrekking tot de behandeling. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheden om de risico’s op herhaling in voldoende mate te beheersen binnen het kader van een voorwaardelijke veroordeling. De reclassering ziet binnen het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden voldoende mogelijkheden om het risicomanagement te waarborgen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat – naast een gevangenisstraf – oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling noodzakelijk is. Een voorwaardelijk strafdeel biedt onvoldoende zekerheid dat verdachte de noodzakelijke behandeling zal ondergaan. Aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Bij verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ook aan de overige voorwaarden die de wet stelt, wordt voldaan. Op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaar gesteld. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist de maatregel.

De rechtbank acht terbeschikkingstelling met dwangverpleging, net als de officier van justitie, niet opportuun, nu een terbeschikkingstelling met voorwaarden voldoende zekerheid biedt dat verdachte de noodzakelijke behandeling zal volgen. Daarbij zal de rechtbank de voorwaarden stellen die zijn neergelegd in het advies van de reclassering van 29 augustus 2019. Verdachte heeft zich bereid verklaard deze voorwaarden na te leven.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is:

- een gevangenisstraf van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en

- de maatregel tot terbeschikkingstelling onder oplegging van voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte, zoals geadviseerd door de reclassering.

De maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (doodslag). Dat betekent dat de maatregel in duur niet is gemaximeerd indien op grond van artikel 38e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht alsnog de dwangverpleging wordt bevolen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 200,87. Dit bedrag bestaat materiële schade vanwege het opnemen van verlof en reis- en parkeerkosten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en wettelijke rente toe te kennen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De gevorderde kosten zijn geen direct gevolg van het strafbare feit zodat die niet voor vergoeding in aanmerking komen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering betreft in de kern een verzoek tot vergoeding van proceskosten die samenhangen met het doen van een verzoek tot schadevergoeding en het toelichten daarvan ter terechtzitting. Aan deze proceskosten ligt in dit geval echter geen vordering tot vergoeding van rechtstreekse schade ten grondslag. Er wordt met andere woorden geen schadevergoeding gevorderd, maar enkel vergoeding van proceskosten. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om het verzoek tot vergoeding van deze proceskosten toe te wijzen, zelfs niet in de vorm van een ambtshalve op te leggen schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 18 april 2000 (ECLI:NL:HR:2000:ZD1786) en 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793). De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank zal de proceskosten van verdachte en de benadeelde partij compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 37a, 38 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:


Recidive

 Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

Meewerken aan reclasseringstoezicht

  • -

    Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

  • -

    Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.

  • -

    Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

  • -

    Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

  • -

    Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.

  • -

    Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

  • -

    Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

  • -

    Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

Opname in een zorginstelling

 Verdachte laat zich opnemen in een FPC/FPK/ FPA of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vindt. Zij houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Ambulante behandeling

 Verdachte laat zich behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start, indien nodig, aansluitend aan de klinische opname. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Zij houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Zorg voor kinderen

 Verdachte zal geen zorg dragen voor kinderen van zichzelf en/of anderen. Omgang met kinderen zal in het bijzijn van een andere volwassene en na overleg met de reclassering plaats vinden. Verdachte zal zich houden aan aanwijzingen van instanties betrokken bij minderjarigen.

Anticonceptie en zwangerschap

 Verdachte zal niet stoppen met het gebruik van anticonceptiemiddelen zonder de reclassering en behandelaar hiervan tijdig in kennis te stellen. In het geval van een zwangerschap geeft zij de reclassering toestemming om een melding bij Veilig Thuis/SAVE te doen. Verdachte zal betrokkenheid/begeleiding door deze instellingen accepteren.

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

 Verdachte verblijft, indien nodig, in een instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.

Relatie

 Verdachte zal open communiceren over haar relaties naar de reclassering en de betrokken behandelaar(s). Zij zal meewerken aan relatiegesprekken, indien geïndiceerd.

Netwerk

 Verdachte zal openheid geven over haar sociale netwerk. Zij geeft de reclassering en betrokken behandelinstelling, toestemming contact op te nemen met alle relevante referenten en derden uit haar netwerk.

Financiën

 Verdachte zal inzicht geven in de financiën en indien de reclassering dat nodig acht meewerken aan externe begeleiding als Stadsgeldbeheer of soortgelijke instelling.

Meewerken aan time-out

 Verdachte werkt mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch setting (FPA/ FPK/FPC) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar.

Niet naar het buitenland

 Verdachte gaat niet naar het buitenland of naar de Nederlandse Antillen zonder toestemming van het Openbaar Ministerie.

- geeft opdracht aan de reclassering de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van verdachte en de benadeelde partij in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbeij en

R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen-van der Hoek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 16 april 2012 te Veenendaal, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade haar

minderjarige kind [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door

- de neus en/of mond van die [slachtoffer] dicht te duwen en/of dichtgeduwd te houden,

en/of,

- tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen, al dan niet met een voorwerp en/of met het hoofd van die [slachtoffer] tegen een voorwerp te slaan en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) te schudden,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op [2012] te [woonplaats] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

zij op of omstreeks 16 april 2012 te Veenendaal, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk haar minderjarige kind [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, door

- de neus en/of mond van die [slachtoffer] dicht te duwen en/of dichtgeduwd te houden,

en/of,

- tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen, al dan niet met een voorwerp en/of met het hoofd van die [slachtoffer] tegen een voorwerp te slaan en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) te schudden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op [2012] te [woonplaats] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte - proces-verbaal van 26 juli 2012, genummerd PL0900-2012085697, opgemaakt door politie Midden‑Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 666; - proces-verbaal van 20 december 2018, genummerd PL0900-2018355770, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 667 tot en met 897; - proces-verbaal van 28 december 2018, genummerd PL0900-2018355770, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 898 tot en met 914; - proces-verbaal van 4 maart 2019, genummerd PL0900-2018355770, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 915 tot en met 939. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een geschrift, te weten een akte van overlijden van 24 april 2012, p.326.

3 Een geschrift, te weten het rapport van pathologisch onderzoek van 5 november 2012 van arts en patholoog A. Maes van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), pagina 836.

4 Een geschrift, te weten het rapport van pathologisch onderzoek van 5 november 2012 van arts en patholoog A. Maes van het NFI, pagina 837.

5 Een geschrift, te weten het rapport van medisch-forensisch onderzoek van 11 april 2013 van forensisch arts KNMG W.A. Karst van het NFI, pagina 869.

6 Een geschrift, te weten het rapport van medisch-forensisch onderzoek van 11 april 2013 van forensisch arts KNMG W.A. Karst van het NFI, pagina 870.

7 Een geschrift, te weten het rapport van medisch-forensisch onderzoek van 11 april 2013 van forensisch arts KNMG W.A. Karst van het NFI, pagina 890.

8 De verklaring van 14 februari 2019 van verdachte, pagina 932.

9 Een geschrift, te weten een rapport van 19 juli 2019 van het NFI, losbladig, pagina 4.

10 Een geschrift, te weten een rapport van 19 juli 2019 van het NFI, losbladig, pagina 5.