Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4783

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3921
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag politieagent. Ernstig plichtsverzuim. Evenredigheid.

Artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp)

Eiser heeft een veelheid aan gedragingen begaan waarmee hij zich niet heeft gehouden aan de hoge eisen die aan politieambtenaren mogen worden gesteld op het gebied van betrouwbaarheid en integriteit. Het gaat onder meer om omgang met criminelen in privétijd en het niet registreren van deze contacten, het begaan van verkeersovertredingen en het raadplegen van politiesystemen voor niet-werkgerelateerde doeleinden. De veelheid aan gedragingen onderstreept in dit geval de ernst ervan, maar een aantal gedragingen kan op zichzelf ook al als ernstig plichtsverzuim worden aangemerkt. Verweerder heeft hiervoor aan eiser de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Gelet op de aard, de ernst en de omvang van het plichtsverzuim acht de rechtbank deze disciplinaire straf daaraan niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3921

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr.drs. M.H. Welter),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J. Zorgdrager).

Procesverloop

In het besluit van 31 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Subsidiair heeft verweerder aan eiser ontslag opgelegd op grond van ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

In het besluit van 5 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft op 10 september 2019 plaatsgevonden. Eiser was op deze zitting aanwezig samen met zijn gemachtigde. Namens verweerder waren aanwezig de gemachtigde en de teamchef van het basisteam [basisteam] , [A] .

Overwegingen

Wat ging er aan het strafontslag vooraf?

1. Eiser was bij verweerder in dienst, voor het laatst als [rang] van politie Eenheid [eenheid] , district [district] , basisteam [basisteam] .

2. Onder leiding van de Officier van Justitie is in de periode van 25 mei 2016 tot en met eind januari 2017 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar mogelijk door eiser gepleegde strafbare feiten. Na het afsluiten van het strafrechtelijk onderzoek is door de Officier van Justitie besloten eiser niet te vervolgen voor het plegen van een strafbaar feit. Door de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek zijn wel vermoedens ontstaan dat eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan plichtsverzuim. Naar aanleiding hiervan is opdracht gegeven tot het instellen van een intern onderzoek tegen eiser.

3. Op 21 juni 2017 is het interne onderzoek schriftelijk aan eiser aangezegd. Daarbij is eiser vanwege de ernst van de verdenkingen met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld.

4. Bij het onderzoek is met toestemming van de Officier van Justitie gebruik gemaakt van de bevindingen en gegevens van het tegen eiser ingestelde strafrechtelijk onderzoek. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen is eiser op 20 september 2017 en op 22 september 2017, beide keren in het bijzijn van zijn toenmalige advocaat, gehoord. Vervolgens is nader onderzoek verricht, waarna op 28 september 2017 het rapport Disciplinair Onderzoek is uitgebracht.

5. In het voorgenomen besluit van 21 november 2017 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat hij het voornemen heeft om aan eiser op grond van artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens toerekenbaar plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen.

6. Eiser heeft vervolgens op 22 december 2017 over dit voornemen zijn zienswijze ingediend. Daarna heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals onder procesverloop weergegeven.

Waar gaat het geschil over?

7. Het geschil gaat over de vraag of verweerder aan eiser terecht de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag heeft opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser gedragingen heeft begaan die opgeteld en in samenhang bezien kunnen worden aangemerkt als ernstig plichtverzuim. Dit plichtsverzuim kan aan eiser worden toegerekend. Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de aan eiser verweten gedragingen is verweerder van mening dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag in een evenredige verhouding staat tot het gepleegde plichtsverzuim.

9. Voor de beoordeling van dit geschil moet een aantal vragen worden beantwoord, te weten:

  • -

    Welke gedragingen worden aan eiser verweten?

  • -

    Heeft eiser deze gedragingen begaan?

  • -

    Zijn de gedragingen aan te merken als plichtsverzuim?

  • -

    Zijn de gedragingen aan eiser toe te rekenen?

  • -

    Is de opgelegde straf evenredig aan het plichtsverzuim?

10. Bij de beantwoording van deze vragen zal de rechtbank ingaan op de door eiser ingediende beroepsgronden.

Welke gedragingen worden eiser verweten?

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser verwijt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende gedragingen:

  1. het onderhouden van niet-zakelijke contacten met meerdere personen met een criminele achtergrond;

  2. het veelvuldig begaan van verkeersovertredingen in privétijd;

  3. het raadplegen van politiesystemen voor niet-werkgerelateerde doeleinden;

  4. het niet juist verantwoorden van uren in de Basis Voorziening Capaciteitsmanagement (BVCM);

  5. het onterecht houden van goederen van anderen in zijn kledingkast, wapenkluis en postvak;

  6. het opstellen van bezwaarschriften tegen bekeuringen voor derden met daarin een onjuiste weergave van de feiten en het zich uitgeven voor een ander in contacten daarover met het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB);

  7. het veelvuldig voeren van privé telefoongesprekken in diensttijd;

  8. et verstrekken van politie-eigendommen aan derden.

Heeft eiser deze gedragingen begaan en kunnen deze gedragingen worden aangemerkt als plichtsverzuim?

12. Uit artikel 76 van het Barp volgt dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is het noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Op bedoelde feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1.

13. Voor de overtuiging dat eiser de in overweging 11 beschreven gedragingen heeft begaan bestaat voldoende grondslag. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Ad a. het onderhouden van niet-zakelijke contacten met meerdere personen met een criminele achtergrond

14. In de tap van het telefoongesprek tussen eiser en [B] van 28 oktober 20162 is te lezen dat door eiser onder meer wordt gezegd: “Daar verbouwen ze geen wiet”, en “ [C (voornaam)] doet het in dinges hoor, in [plaatsnaam] ”.

15. De rechtbank is van oordeel dat deze woorden niet anders kunnen worden begrepen dan dat eiser ervan op de hoogte was dat [C (voornaam)] in [plaatsnaam] betrokken was bij het telen van wiet, wat strafbaar is op grond van de Opiumwet. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat niet is gebleken dat eiser iets met deze informatie heeft gedaan. Van een integer politieagent mag dat wel worden verwacht. De stelling van eiser dat hij de informatie niet hoefde te

registreren omdat het volgens hem niet mogelijk was dat op de desbetreffende locatie hennep werd geteeld, ontslaat hem niet van zijn meldplicht.

16. In de tap van het telefoongesprek tussen eiser en [D] ( [D] ) op 25 augustus 20163 staat dat door [D] onder meer wordt gezegd: “ (…). Al die jaren, 7 jaar, ben ik als katvanger gebruikt”.

17. De rechtbank is van oordeel dat ook uit deze tap volgt dat eiser ervan op de hoogte is dat criminele activiteiten hebben plaatsgevonden. Dat dit slechts een terloopse opmerking was, zoals eiser stelt, doet niet af aan de kennis van eiser over een mogelijk gepleegd strafbaar feit. De stelling van eiser dat de term ‘katvanger’ in dit telefoongesprek werd gebruikt in een andere zin van het woord, acht de rechtbank niet aannemelijk.

18. Verder wijst de rechtbank op de tap van het telefoongesprek tussen eiser en [D] op 15 november 20164. Daarin vraagt [D] aan eiser of hij het nummer heeft van [E] ( [E] ). Verweerder heeft toegelicht dat [E] antecedenten heeft op het gebied van vermogens- en geweldsdelicten en de Wet wapens en munitie en dat hij wordt aangemerkt als een zware crimineel.

19. Niet in geschil is dat eiser het telefoonnummer had [E] en dat hij dit niet heeft geregistreerd in het politiesysteem. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen zakelijke reden heeft gegeven voor het hebben van het telefoonnummer van [E] . De enkele stelling van eiser dat hij niet heeft geregistreerd dat hij het nummer had, omdat [E] vaak van telefoonnummer wisselde en het nummer dus al snel achterhaald zou zijn, is hiervoor geen afdoende verklaring.

20. Ook wijst de rechtbank op het proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 20175. Daarin staat een deel van een telefoongesprek weergegeven tussen eiser en [F] ( [F] ) op 5 juni 2013. Over het contact met [F] heeft verweerder toegelicht dat [F] antecedenten heeft op het gebied van vermogensdelicten. Hij is bovendien verdachte geweest in een omvangrijke fraudezaak.

21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij gedurende het onderzoek naar de fraude-zaak contact met [F] heeft gehad, terwijl uit de inhoud van het tapgesprek blijkt dat hij op de hoogte was van het fraude-onderzoek. Ook heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij [F] tijdens het telefoongesprek op 5 juni 2013 heeft geadviseerd over zijn houding ten aanzien van het fraude-onderzoek, door te zeggen dat hij zich nergens mee moet bemoeien en gewoon zijn werk moet doen.

22. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser contact had met criminelen in privétijd en dat hij die contacten ten onrechte niet in de politie-systemen heeft geregistreerd. Dat eiser dat niet heeft gedaan is in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid die aan een politieambtenaar worden gesteld en levert dus plichtsverzuim op.

Ad b. het veelvuldig begaan van verkeersovertredingen in privétijd

23. In het proces-verbaal van relaas van 1 maart 20176 staan gegevens over eiser van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Uit deze gegevens volgt dat eiser in de periode van juli 2010 tot en met mei 2016 zestien bekeuringen heeft ontvangen, voornamelijk voor snelheidsovertredingen. In de periode van 22 september 2016 tot en met 4 december 2016 heeft eiser drie bekeuringen ontvangen voor respectievelijk een snelheidsovertreding, het negeren van een parkeerverbod en het negeren van een rood verkeerslicht. In het proces-verbaal van relaas van 1 maart 2017 staat ook dat de gedragingen van eiser in het verkeer op negen dagen zijn geobserveerd gedurende de periode van 20 juni 2016 tot en met 4 januari 2017. Deze observaties laten zien dat eiser in die negen dagen diverse verkeersovertredingen heeft begaan, te weten:

  • -

    het meermaals telefoneren tijdens het rijden;

  • -

    het meermaals negeren van het rode verkeerslicht (bijvoorbeeld op 30 juni 2016 driemaal in een half uur);

  • -

    het passeren van auto’s die voor het verkeerslicht staan te wachten en vervolgens het rijden door rood licht.

24. Eiser heeft erkend dat hij deze verkeersovertredingen heeft begaan. Echter, hij heeft betoogd dat het toeval is dat hij net een aantal van deze overtredingen beging toen hij werd geobserveerd. Over de gehele periode berekend gaat het slechts om twee overtredingen per jaar.

25. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijk geconstateerde en erkende verkeersovertredingen niet passen bij de functie van politieambtenaar. Verweerder heeft bij dit standpunt terecht betrokken dat eiser als politieambtenaar bevoegd is mensen die dergelijk verkeersgedrag vertonen aan te spreken en te bekeuren. Gelet hierop moet eiser als politieagent zelf het goede voorbeeld geven en moet hij van onbesproken gedrag zijn. Hiervan is, door het begaan van diverse verkeersovertredingen zoals hiervoor beschreven, geen sprake bij eiser. Het door eiser vertoonde gedrag levert dan ook plichtsverzuim op.

Ad c: het raadplegen van politiesystemen voor niet-werkgerelateerde doeleinden:

26. Verweerder heeft toegelicht dat eiser was geautoriseerd voor de systemen Basis Voorziening Handhaving (BVH) en Bedrijfsvoorziening Informatie (BVI). Op het overzicht7 van de inloggegevens van deze systemen is te zien dat eiser deze systemen voor niet werkgerelateerde werkzaamheden heeft bevraagd. De bevragingen betroffen zijn eigen kenteken, zijn eigen naam en de naam van zijn toenmalige vriendin, [B] . Ook heeft eiser aangiftes van bekenden nagetrokken.

27. Eiser heeft het voorgaande niet betwist.

28. De rechtbank stelt voorop dat de politiesystemen slechts mogen worden bevraagd voor werkgerelateerde doeleinden. Juist omdat het lastig is om aan te tonen wat met de opgevraagde informatie wordt gedaan, moet deze regel strikt worden gehanteerd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het bij deze raadplegingen ging om werkgerelateerde belangen en dat het juist vanuit zijn functie zijn plicht was om dat te doen. Het natrekken van een eigen kenteken en aangiftes van bekenden dient namelijk het privé belang van eiser en zijn bekenden. De stelling van eiser dat bij cursus over de politiesystemen aan politiemedewerkers werd geadviseerd om met de eigen gegevens bevragingen te doen om te oefenen, is door verweerder betwist en is door eiser op geen enkele wijze onderbouwd. Verweerder heeft op de zitting naar voren gebracht dat politiemedewerkers op diverse manieren bewust worden gemaakt van het feit dat men uiterst terughoudend moet zijn bij het raadplegen van de systemen voor niet werkgerelateerde doeleinden. Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van de rechtbank extra kwalijk dat eiser daar niet naar heeft gehandeld. Verweerder heeft deze gedraging van eiser dan ook terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

Ad d: het niet juist verantwoorden van uren in de Basis Voorziening Capaciteitsmanagement (BVCM)

29. In het rapport van bevindingen van 23 februari 20178 is geconcludeerd dat significante verschillen zijn waar te nemen tussen de geplande en de daadwerkelijk door eiser gedraaide diensten. De resultaten van het onderzoek laten namelijk zien dat eiser in de periode van 25 augustus 2016 tot en met 8 december 2016 ten minste 4.044 minuten te weinig heeft gewerkt. Dat is gemiddeld 1 uur en 13 minuten te weinig per dienst.

30. Eiser heeft het voorgaande niet betwist, maar heeft aangevoerd dat hij soms ook wel eens meer werkte dan hij was ingeroosterd.

31. De rechtbank stelt gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen vast dat structureel sprake was van een onjuiste urenregistratie door eiser. Verweerder heeft terecht aan eiser verweten dat hij de politieorganisatie hierdoor heeft benadeeld. Dat past niet bij de integriteit die van een politieagent mag worden verwacht. De stelling van eiser dat hij niet de intentie heeft gehad zijn werkgever te benadelen en dat hij zichzelf juist heeft benadeeld door ook in privétijd te werken, doet niet af aan zijn verplichting om zijn uren op een juiste manier te registreren. Daarbij komt dat verweerder heeft toegelicht dat bij de berekening van het aantal te weinig gewerkte uren rekening is gehouden met de tijd die eiser extra heeft gewerkt. Verder is in dit verband van belang dat in een e-mail van [H] aan eiser van 4 maart 20169 staat dat met eiser is afgesproken dat diensten volgens diensttijd en in uniform worden gedraaid. De rechtbank concludeert dan ook dat het voorgaande plichtsverzuim oplevert.

Ad e: het onterecht houden van goederen van anderen in zijn kledingkast, wapenkluis en postvak

32. In het proces-verbaal van bevindingen van 1 mei 201710 staat dat in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen eiser zijn postvak, wapenkluis en kledingkast zijn doorzocht. Daarbij zijn geld, sieraden en documenten aangetroffen, waarvan het niet gebruikelijk is dat deze daarin worden bewaard. Onder andere is een rijbewijs aangetroffen dat als vermist is opgegeven. Ook zijn niet afgewerkte strafdossiers aangetroffen.

33. Eiser heeft het voorgaande niet betwist.

34. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van eiser als politieambtenaar mag worden verwacht dat hij op een zorgvuldige manier omgaat met spullen van een ander en met de afronding van een zaak en dat hij dit soort spullen niet in zijn kledingkast, wapenkluis of postvak mag bewaren. De verklaring van eiser dat het aangetroffen strafdossier niet op zijn naam stond en dat hij niet wist dat het in zijn kast lag, ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid op juiste wijze zorg te dragen voor documenten die hij in zijn bezit zijn. Door het onder zich houden van een strafdossier heeft eiser mogelijk een strafprocedure belemmerd en heeft hij hierdoor mogelijk een slachtoffer benadeeld. De stelling van eiser dat hij meermalen contact heeft gehad met de eigenaar van het rijbewijs maar dat de eigenaar er kennelijk zelf voor heeft gekozen het rijbewijs niet af te halen, heeft hij niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Het voorgaande levert ook plichtsverzuim op.

Ad f: het opstellen van bezwaarschriften tegen bekeuringen voor derden met daarin een onjuiste weergave van de feiten en het zich uitgeven voor een ander in contacten daarover met het CJIB

35. In de tap van het telefoongesprek tussen eiser en [G] op 2 december 201611 staat onder meer:

“(…).

[voornaam van G] : Maar in het bezwaarschrift moet je opschrijven dat mijn vrouw naast mij zat.

Eiser: hmmm.

[voornaam van G] : zo zullen wij het opschrijven, dat je het weet

Eiser: Is goed. We kunnen het schrijven, geen probleem, we schrijven het zoals jij het wil.

[voornaam van G] : hij moet bewijzen dat ik (…) in m’n eentje was.

Eiser: ja ja, is goed. (…)”.

Verder is in de taps van gesprekken tussen eiser en een medewerker van het CJIB van 26 januari 201712 en 27 januari 201713 te lezen dat eiser zich in deze gesprekken voordoet voor een ander en dat hij namens die ander het woord voert.

36. Volgens eiser heeft hij het bezwaarschrift waarover in het telefoongesprek met [G] wordt gesproken nooit opgesteld. Verder kan volgens eiser uit deze tap niet worden afgeleid dat hij daartoe bereid was. Dat hij zich in gesprekken met het CJIB heeft voorgedaan voor een ander, erkent hij wel.

37. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor weergegeven tap van het gesprek met [G] niet anders kan worden gelezen dan dat eiser bereid was voor een ander een bezwaarschrift op te stellen met daarin een onjuiste weergave van de feiten. Dat het bezwaarschrift naar eiser stelt uiteindelijk niet is ingediend doet niet af aan de bereidheid van eiser om daarin feiten op te nemen die niet juist zijn. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser, door zijn bereidheid in een bezwaarschrift onjuiste feiten op te nemen, het werk van zijn collega’s die de bekeuringen hebben gegeven saboteert en ondermijnt en dat dergelijk gedrag niet integer is.

Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verwijtbaar is dat eiser niet naar waarheid heeft geantwoord op de uitdrukkelijk vraag van een medewerker van het CJIB of hij voor zichzelf spreekt of voor een ander. Ook dit past niet bij het gedrag dat van een politieagent mag worden verwacht. Eén en ander levert plichtsverzuim op.

Ad g: het veelvuldig voeren van privé telefoongesprekken in diensttijd

38. Op basis van het afluisteren en vastleggen van de gegevens van zowel de diensttelefoon

als de privételefoon van eiser in de periode 25 augustus 2016 tot en met 8 december 2016 heeft

verweerder geconcludeerd dat eiser gemiddeld 12 minuten per dienst heeft besteed aan

privécontacten.

39. Eiser heeft het voorgaande niet betwist.

40. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze mate van privé telefoongebruik tijdens de dienst plichtsverzuim oplevert. De stelling van eiser dat het niet buitensporig is om gemiddeld 12 minuten per dienst aan privécontacten te besteden, gaat niet op. Gesteld noch gebleken is namelijk dat sprake was van bijzondere omstandigheden die dit privételefoongebruik rechtvaardigen. Dat verweerder de terugvordering van de kosten van dit privételefoongebruik heeft laten vallen betekent, anders dan eiser heeft aangevoerd, ook niet dat het geen plichtsverzuim oplevert dat eiser zoveel tijd van zijn dienst aan privé gesprekken heeft besteed.

Ad h: het verstrekken van politie-eigendommen aan derden

41. In de tap van het telefoongesprek tussen eiser en [B] van 14 november 201614 staat onder meer:

“(…).

[voornaam van B] : (…) Kun je mij toch een USB lenen alsjeblieft…

(…)

[voornaam van eiser] : Ik zal het voor je regelen. (…). Nee, we hebben hier plenty van. Ik zal er eentje… geen probleem.

In het proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 201715, staat dat [B] USB-sticks aan verbalisanten laat zien, waarvan zij zegt dat zij die van eiser heeft gekregen. Een collega-verbalisant heeft verklaard dat deze USB-sticks in het verleden in [basisteam] werden gebruikt.

42. Volgens eiser kan uit het voorgaande niet worden afgeleid dat hij een USB stick van het werk aan [B] heeft verstrekt.

43. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Gelet op wat [B] heeft verklaard, in samenhang met de inhoud van het telefoongesprek op 14 november 2016 tussen haar en eiser, heeft verweerder mogen concluderen dat eiser de hem verweten gedraging heeft begaan.


Verweerder heeft deze gedraging terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Het past namelijk niet
bij de integriteit die van een politieambtenaar mag worden verwacht om zonder toestemming van de werkgever politie-eigendommen aan een derde te verstrekken.

Zijn de gedragingen aan eiser toe te rekenen?

44. Bij de beantwoording van de vraag of het plichtsverzuim aan eiser kan worden toegerekend is volgens vaste rechtspraak van de CRvB16 van belang of eiser ten tijde van de gedragingen in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien en of hij in staat was overeenkomstig dit inzicht te handelen en de gedragingen achterwege te laten.

45. Eiser heeft op dit punt geen beroepsgronden ingediend. Hij heeft dus niet bestreden dat het plichtsverzuim hem kan worden toegerekend. Verweerder was daarom bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

Is de opgelegde straf evenredig aan het plichtsverzuim?

46. Eiser heeft aangevoerd dat de disciplinaire straf van ontslag niet evenredig is aan de hem verweten gedragingen. Volgens hem staat de geringe aard van de verwijten in combinatie met het gegeven dat ze elkaar niet versterken in de weg aan een optelsom die strafontslag rechtvaardigt. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat verweerder ongeschiktheidsontslag aan hem had moeten verlenen.

47. De rechtbank stelt voorop dat voor de oplegging van de disciplinaire straf van ontslag sprake moet zijn van ernstig plichtsverzuim. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat daarvan sprake is. Aan politieambtenaren mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Eiser heeft zich op veel fronten niet gehouden aan deze kernwaarden van de politie. De veelheid aan gedragingen onderstreept in dit geval de ernst van het plichtsverzuim.

Afgezien van de veelheid kan naar het oordeel van de rechtbank een aantal gedragingen op zichzelf ook als ernstig plichtsverzuim worden aangemerkt. Alleen al de omgang van eiser met criminelen in privé-tijd, in samenhang bezien met het niet registreren van deze contacten en zelfs het niet melden van strafbare feiten waar eiser kennis van had, heeft verweerder terecht als ernstig plichtsverzuim gekwalificeerd. Het standpunt van verweerder dat het verkeersgedrag van eiser op zichzelf ook ernstig plichtsverzuim oplevert, volgt de rechtbank ook. Daarbij betrekt de rechtbank de brede maatschappelijk uitstraling die van zulk verkeersgedrag uitgaat. Dat geldt ook voor de raadpleging van de politiesystemen voor niet-werkgerelateerde doeleinden. Door meermalen misbruik te maken van de toegang tot de politiesystemen en het misbruik maken van zijn ambt als politieagent heeft eiser het in hem gestelde vertrouwen in ernstige mate geschonden. De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat de politie uitsluitend op grond van een wettelijke basis voor professionele doeleinden gebruik maakt van de vertrouwelijke gegevens waarover zij de beschikking heeft. Gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim acht de rechtbank de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig.

48. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de stelling van eiser dat verweerder ongeschiktheidsontslag aan hem had moeten verlenen.

49. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter, en mr. S.G.M. Buys en mr. E.E.M. van Abbe, leden, in aanwezigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1663

2 Onderzoek IOZMN16044, sessienummer 30610, pag. B19

3 Onderzoek IOZMN16044, sessienummer 1133, pag. B23

4 Onderzoek IOZMN16044, sessienummer 42102, pag. B27

5 Onderzoek IOZMN16044, proces-verbaalnummer 2017030911005078, pag. B36

6 Onderzoek IOZMN16044, rapport nummer 20170301 0730.REL, pag. B64

7 Overzicht BVI-IB Loggings van 2014 tot januari 2017, pag. B132

8 Proces-verbaal nummer 20161221.1100.9112.BEV, pag. B186.

9 Zie pag. B134

10 Onderzoek IOZMN16044, rapport nummer 20170501 0840 9112.BEV, pag. B72

11 Onderzoek IOZMN16044, sessienummer 44005, pag. B45

12 Onderzoek IOZMN16044, sessienummer 75840, pag. B50

13 Onderzoek IOZMN16044, sessienummer 76342, pag. B53

14 Onderzoek IOZMN16044, sessienummer 40155, pag. B62

15 Onderzoek IOOMD170114, rapport nummer 2017102007405621.BEV, bijlage 4 van de B-stukken.

16 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3364