Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4773

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
16/153915-19; 09-011093-18 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten geen respect gehad voor het welzijn en het eigendomsrecht van een ander.

De man is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij worden de bijzondere voorwaarden opgelegd zoals door de reclassering verzocht. Daarnaast blijkt uit de reclasseringsrapportage dat verdachte geen inzicht heeft in zijn financiële schuld en dat hij eerder zijn financiën niet op orde wist te krijgen. De wanhoop over zijn financiële situatie was volgens verdachte zelfs de stimulans om het onderhavige delict te plegen. Om die reden legt de rechtbank verdachte ook nog als bijzondere voorwaarde op dat hij moet meewerken aan het op orde krijgen van zijn financiën. Aan de reclassering wordt opdracht gegeven om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/153915-19; 09-011093-18 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de PI Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.C. Smits en van hetgeen verdachte en mr. M.A. van de Weerd, advocaat te ‘s-Gravenhage, alsmede de heer [aangever] , namens benadeelde partij het Kruidvat, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 27 juni 2019 te Utrecht met geweld en bedreiging met geweld heeft geprobeerd een hoeveelheid geld te stelen bij het Kruidvat.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De rechtbank acht dit feit op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens het Kruidvat;2

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 oktober 2019.3

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 27 juni 2019 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld, toebehorende aan “Kruidvat” (vestiging [adres] ), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerkster van het Kruidvat), te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

- over het kassameubel van de winkel is gesprongen en

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en die [slachtoffer] een bajonet heeft getoond en (terwijl hij die [slachtoffer] vast bleef houden) die bajonet op (zeer) korte afstand van de keel van die [slachtoffer] heeft gehouden en

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: “Ga die kassa opendoen, snel” en

- aan de kassalade heeft getrokken en op de kassalade heeft geslagen (teneinde die kassalade te openen), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als (bijzondere) voorwaarden, de voorwaarden zoals vermeld in de reclasseringsrapportage.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft uit financiële nood impulsief gehandeld en heeft een authentieke spijtbetuiging afgelegd. Verdachte was pas 19 jaar toen hij het delict pleegde. De reclassering adviseert weliswaar niet om het jeugdstrafrecht toe te passen, maar er kan bij de strafoplegging wel rekening worden gehouden met de jonge leeftijd van verdachte. Nu het gaat om een poging, wordt verzocht om een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in de reclasseringsrapportage aan verdachte op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten geen respect gehad voor het welzijn en het eigendomsrecht van een ander. Gewelddadige overvallen zorgen voor een toename van het gevoel van onveiligheid bij betrokkenen en in de maatschappij in het algemeen. Met name het feit dat verdachte een mes aan het slachtoffer heeft getoond en dat op enkele centimeters van haar keel heeft gehouden is zeer beangstigend voor het slachtoffer geweest en kan ingrijpende negatieve gevolgen hebben voor haar verdere leven. Dat verdachte dit niet in de weg heeft laten staan aan het plegen van het strafbare feit, rekent de rechtbank hem zeer aan. In dat licht is het goed om te zien dat verdachte spijt heeft van zijn handelen en bereid is te voldoen aan de bijzondere voorwaarden, voorgesteld door de reclassering om toekomstige misdrijven te voorkomen.

De persoon van de verdachte

Uit het uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 5 september 2019 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar al meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. De rechtbank zal in strafverzwarende zin rekening houden met deze recidive.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van

26 september 2019, opgemaakt door H. Luites, reclasseringswerker. De reclassering constateert dat het verdachte in de afgelopen jaren niet is gelukt om zijn leven zelfstandig op de rit te krijgen. Verdachte heeft geen bron van inkomsten, geen huisvesting, geen zinvolle dagbesteding en gebruikt dagelijks softdrugs. Daarnaast vormt de uitzichtloosheid van zijn situatie en het onvermogen om zijn leven zelfstandig

vorm te geven aanleiding voor wanhoop en impulsief gedrag. Nader psychologisch onderzoek is van belang om duidelijk te krijgen wat de oorzaken zijn van deze omstandigheden en in hoeverre verdachte daadwerkelijk in staat is zijn leven zelfstandig op orde te krijgen. Begeleiding en behandeling worden naast het steunend netwerk van familie en partner belangrijk geacht om problemen in de toekomst te voorkomen. Het recidiverisico is immers hoog. Dat verdachte gemotiveerd is en mee wil werken wordt als positief beschouwd voor het uitvoeren van interventies.

De reclassering adviseert bij een bewezenverklaring een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een locatiegebod en het meewerken aan dagbesteding en middelencontrole. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard ook graag hulp te willen bij het op orde brengen van zijn financiën.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn zich aan deze voorwaarden te houden.

Straf

De officier van justitie heeft verzocht om verdachte voor het bewezenverklaarde feit te veroordelen tot - kort gezegd - een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De rechtbank wijkt af van deze eis en heeft bij het bepalen van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor een overval op een winkel met ‘ander geweld’ dan een enkele ruk of duw zonder letsel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar. In deze zaak heeft verdachte het slachtoffer vastgepakt en gedreigd met geweld door een mes op een aantal centimeters van haar keel te houden. Dit aan te merken als ‘ander geweld’. Nu sprake is van een poging geldt dat de straf met een derde moet worden verminderd, waardoor in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar passend en geboden is.

Gelet op de reclasseringsrapportage van 26 november 2019, acht de rechtbank het ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten evenwel noodzakelijk om verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Eén van de voorwaarden is een locatiegebod waardoor verdachte ook na zijn detentie in zijn bewegingsvrijheid beperkt zal zijn. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de jonge leeftijd van verdachte en zijn bereidheid om zich aan een aantal bijzondere voorwaarden te houden en zo aan een betere toekomst zonder recidive te werken. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. Daarbij worden de bijzondere voorwaarden opgelegd zoals door de reclassering verzocht. Daarnaast blijkt uit de reclasseringsrapportage dat verdachte geen inzicht heeft in zijn financiële schuld en dat hij eerder zijn financiën niet op orde wist te krijgen. De wanhoop over zijn financiële situatie was volgens verdachte zelfs de stimulans om het onderhavige delict te plegen. Om die reden legt de rechtbank verdachte ook nog als bijzondere voorwaarde op dat hij moet meewerken aan het op orde krijgen van zijn financiën. Aan de reclassering wordt opdracht gegeven om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden.

9 BENADEELDE PARTIJ

[aangever] heeft zich namens het Kruidvat als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.027,50. Dit bedrag bestaat uit materiële schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht zich voldoende ingelicht om een beslissing te nemen op de vordering. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.027,50 en zal de vordering derhalve in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 juni 2019 tot de dag van volledige betaling.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de politierechter te ’s-Gravenhage van 12 april 2018 (parketnummer 09-011093-18) is verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 dagen, met aftrek, waarvan 7 dagen voorwaardelijk opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal het voorwaardelijk deel van deze straf alsnog ten uitvoer worden gelegd.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte

* zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland. Betrokkene blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

* zich laat onderzoeken en eventueel behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, gedurende maximaal 6 maanden of korter indien het Openbaar Ministerie dat wenselijk acht. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Op doordeweekse dagen met dagbesteding heeft verdachte een aaneengesloten blok van 14 uur dat hij niet op het verblijfadres hoeft te zijn. Zonder dagbesteding is dat 4 uur. In de weekenden heeft verdachte een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen. Verdachte werkt mee aan elektronische controle op dit locatiegebod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische controle nodig is dat verdachte in Nederland blijft. Het huidige verblijfadres is [adres] [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De aansluiting van het elektronische controlemiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden op [adres] [woonplaats] ;

* een controleerbare dagbesteding heeft in de vorm van werk en/of een studie, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Ook als dit inhoudt dat verdachte wordt verwezen naar een instantie die hem hierbij begeleidt;

* meewerkt aan controle op het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

* meewerkt aan het op orde krijgen van zijn financiën, op de wijze waarop en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vordering van de benadeelde partij

- wijst de vordering van het Kruidvat van € 1.027,50 (zegge duizend zevenentwintig euro en vijftig cent) toe;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan het Kruidvat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2019 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 09-011093-18

  • -

    wijst de vordering toe;

  • -

    gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage bij vonnis van 12 april 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. J. Ebbens en E.J.W. Verhaagh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.A.E.J. Koster, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2019.

mr. E.W.J. Verhaagh is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 juni 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan “Kruidvat”” ( vestiging [adres] ) in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en / of te doen vergezellen en / of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerkster van het Kruidvat), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te
maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- over het kassameubel van de winkel is gesprongen en/of
- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of in een nekklem heeft vastgehouden en/of die [slachtoffer] een mes/bajonet getoond en/of (terwijl hij die [slachtoffer] vast bleef houden) dat mes/bajonet op (zeer) korte afstand van de keel van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: “Ga die kassa opendoen, snel” en/of
- aan de kassalade heeft getrokken en/of op de kassalade heft geslagen (teneinde die kassalade te openen),
zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 juli 2019, genummerd 2019189306, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 124. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 49-51.

3 Proces-verbaal ter terechtzitting, 2 oktober 2019.