Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4768

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3594
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo. Verweerder heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de geuremissie van de droogtunnel bij de kippenstal. Schorsing van het besluit en voorlopige voorziening om de boventallige kippen uit deze stal te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/469 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3594

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2019 in de zaak van

1 a

[verzoeker/verzoekster 1] , [verzoeker/verzoekster 2] , [verzoeker/verzoekster 3] , [verzoeker/verzoekster 4] , [verzoeker/verzoekster 5] , [verzoekster 6] , [verzoeker/verzoekster 7] , [verzoeker/verzoekster 8] , [verzoeker/verzoekster 9] , [verzoeker/verzoekster 10] , [verzoeker/verzoekster 11] , [verzoeker/verzoekster 12] , [verzoeker/verzoekster 13] , [verzoeker/verzoekster 14] , [verzoeker/verzoekster 15] , [verzoeker/verzoekster 16] , [verzoeker/verzoekster 17] , allen te [woonplaats 1] ,

[verzoeker/verzoekster 18] , [verzoeker/verzoekster 19] en [verzoeker/verzoekster 20], allen te [woonplaats 2] ,

verzoekers

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater, verweerder

(gemachtigde: S. de Rijke).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] ,

vergunninghouder

(gemachtigde: C.M.R. ter Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor een wijziging van de bestaande inrichting en een interne verbouwing van twee pluimveestallen op het adres [adres] in [vestigingsplaats] .

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019. Verzoekers [verzoeker/verzoekster 1] en [verzoeker/verzoekster 5] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [A] en [B] . Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] en haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet. Voor de vraag of het bestreden besluit dient te worden geschorst geeft de voorzieningenrechter allereerst in deze uitspraak een voorlopig oordeel over de vraag of de omgevingsvergunning rechtmatig is of niet. Daarna zal zij afwegen of de belangen van verzoekers om het besluit te schorsen al dan niet zwaarder wegen dan het belang van verweerder en derde-partij om het besluit in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoekers.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1.

Vergunninghouder heeft een pluimveehouderijbedrijf op het adres [adres] te [vestigingsplaats] . Verweerder heeft voor dit bedrijf vanaf 2008 meerdere omgevingsvergunningen verleend en meldingen Activiteitenbesluit geaccepteerd.

2.2.

Op 28 mei 2019 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag ingediend voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting en het intern verbouwen van twee pluimveestallen (stal 3 verdieping en stal 4 begane grond en verdieping) ten behoeve van het Wintergarten-systeem. De Omgevingsdienst regio Utrecht heeft op 9 juli 2019 advies uitgebracht over de aanvraag. De Veiligheidsregio heeft op 12 juli 2019 advies uitgebracht over de aanvraag. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Met de omgevingsvergunning wordt een (deels) reeds uitgevoerde verbouwing gelegaliseerd.

2.3.

De vergunninghouder beoogt met de verbouwing een Beter Leven keurmerk. Hij wil daarom deze stallen inrichten volgens het Wintergarten-systeem. Dit is een onverwarmde uitloop met daglicht waar de legkippen kunnen scharrelen. Daarnaast wil hij in totaal 840 kippen minder houden en het aantal kippen in de verschillende stallen wijzigen.

2.4.

De verdieping van stal 3 is vorig jaar verbouwd. Voorheen zaten hier 3.160 kippen, er komen 8.320 kippen, zodat het aantal kippen op de verdieping met 5.160 kippen zal toenemen. De mest van de kippen in stal 3 wordt opgevangen en verwerkt in de bestaande droogtunnel bij de stal.

De verbouwing in stal 4 is net afgerond. In stal 4 zaten in totaal 48.000 kippen. Dit wordt verminderd naar 42.000 kippen. Op de benedenverdieping van stal 4 zitten op dit moment 21.000 kippen. De bovenverdieping staat nog leeg. Op 18 oktober zullen daar 21.000 kippen worden geplaatst. Deze kippen zitten nu nog in een andere stal op het terrein. De mest van de kippen uit stal 4 wordt opgeslagen in een afgesloten mestloods en wordt vervolgens iedere week afgevoerd.

Stal 7 is terugveranderd in de eerdere staat. De verleende vergunning ziet daar niet op.

3. Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het milieu-neutraal wijzigen van de bestaande inrichting. De vergunning ziet op de activiteiten bouwen en het veranderen van een inrichting (milieu). Aan de vergunning voor bouwen ligt ten grondslag dat de verbouwing niet in strijd is met de bepalingen van het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemminsplan of de redelijke eisen van welstand. Bij de vergunning voor het veranderen van de inrichting heeft verweerder overwogen dat de aangevraagde veranderingen niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan de inrichting op grond van de eerder verleende omgevingsvergunning mag veroorzaken.

4. Verzoekers hebben hun verzoek op de zitting gewijzigd. Zij verzoeken primair de verleende omgevingsvergunning te schorsen, subsidiair verzoeken zij te bepalen dat de vergunninghouder de 21.000 kippen niet op de verdieping van stal 4 mag plaatsen, en meer subsidiair verzoeken zij te bepalen dat de vergunninghouder geen nieuwe dieren plaatst in de opfokhennenstal om de emissie te beperken.

Brandveiligheid

5. Verzoekers voeren aan dat de aanvraag onvoldoende informatie bevat om het brandrisico te beoordelen. Zo bevat de aanvraag enkele algemene engels- en franstalige certificaten en is niet duidelijk of aan de brandcompartimenteringseis wordt voldaan.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat de Veiligheidsregio Utrecht de brandveiligheid heeft beoordeeld en een positief advies heeft gegeven. Bij de aanvraag zijn een aantal certificaten meegezonden. Dat twee certificaten in het Engels en Frans zijn opgesteld heeft kennelijk niet aan een goede beoordeling in de weg gestaan. Naast het positieve advies adviseert de Veiligheidsregio Utrecht aanvullend dossieronderzoek uit te voeren naar de vraag of de brandcompartimentering voldoet aan het vereiste niveau. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat dit aanvullende advies niet ziet op deze omgevingsvergunning, maar op de brandveiligheid voor het hele bedrijf van vergunninghouder.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op het vorenstaande, geen grond voor het oordeel dat deze beoordeling van de brandveiligheid niet juist zou zijn.

Stalsysteem Wintergarten

7. Daarnaast stellen verzoekers zich op het standpunt dat de wijziging van de inrichting niet milieu-neutraal zal zijn. Zij stellen dat door het realiseren van de overdekte uitloop en de toename van mestdroging ernstig rekening moet worden gehouden met een verdere toename van de stankhinder. Voor de onderbouwing verwijzen zij naar het deskundigenrapport van 17 september 2019 van [bedrijfsnaam] .

8.1.

Uit artikel 3, derde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij blijkt dat indien de geurbelasting groter is dan aangegeven in het eerste lid of de afstand kleiner is dan aangegeven in het tweede lid, een omgevingsvergunning niet wordt geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt.

8.2.

Verweerder heeft de vergunning verleend met toepassing van de Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning. Artikel 3.7.2 van deze handleiding geeft een regeling voor de beoordeling van de Wintergarten. Uitgangspunt is blijkens deze bepaling dat de uitloop niet meetelt voor de berekening van de geurbelasting. De uitloopopeningen tussen stal en overdekte uitloop zijn geen relevante emissiepunten voor de geurberekening. De reden is dat bij een goed functionerend mechanisch ventilatiesysteem sprake is van een contante onderdruk in de stal.

De handleiding meldt vervolgens dat het in dat verband belangrijk is om altijd een dimensioneringsrapport te laten overleggen waaruit blijkt de onderdruk in de stal is gewaarborgd.

De vergunninghouder heeft een dimensioneringsrapport bij de aanvraag overgelegd.

8.3.

In zijn onderzoeksrapport heeft [bedrijfsnaam] aangegeven dat het dimensioneringsrapport bij de aanvraag onvoldoende is, omdat daaruit niet blijkt welke onderdruk in de stal wordt gehanteerd en hoe de ventilatie wordt geregeld. Daarbij heeft [bedrijfsnaam] verwezen naar een leaflet met algemene adviezen voor een goed stalklimaat van het Klimaatplatform Pluimveehouderij. Verzoekers hebben ook gewezen op de jurisprudentie waarin gevallen zijn beschreven waarbij de ventilatie van de Wintergarten problemen heeft opgeleverd.

8.4

Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat in de stallen van vergunninghouder een nieuw systeem is toegepast. Daarbij is geen sprake van een buitenmuur die uit open gaas bestaat, maar een geperforeerde damwand, die grotendeels dicht is. Verweerder heeft op de zitting nader toegelicht dat daardoor de inlaat van lucht in de wintergarten kleiner is dan de uitlaat, waardoor bij ventilatie de situatie van onderdruk in de stal gewaarborgd blijft.

8.5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder bij vergunningverlening het toetsingskader van de Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning heeft gevolgd. Voorts is, gelet op het toegepaste systeem in de stal, op voorhand niet gebleken dat er problemen zullen ontstaan met het handhaven van onderdruk in de stal. De voorzieningenrechter ziet ook hierin geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bezwaarfase niet in stand zal blijven.

Droogtunnel

9. Verzoekers voeren aan dat de wijziging van de inrichting ook niet milieu-neutraal zal zijn, omdat het volume van de te drogen mest (en daarmee de geuroverlast) in de droogtunnel van stal 3 door een toename van het aantal kippen in die stal zal toenemen. Verweerder heeft de milieugevolgen van deze wijziging ten onrechte niet afzonderlijk beoordeeld. Daarbij verwijzen verzoekers naar het rapport van [bedrijfsnaam] .

10.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het aantal kippen op de verdieping van stal 3 met 5.016 zal toenemen en dat hun mest ook in de bestaande droogtunnel van de verdieping van stal 3 zal komen. Dit betekent dat de hoeveelheid mest in deze droogtunnel toe zal nemen.

10.2.

Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat hij de geuremissie van de droogtunnel niet apart heeft berekend. Hij is ervan uitgegaan dat de toename van de hoeveelheid mest in de droogtunnel geen extra geuremissie tot gevolg zal hebben, omdat in de droogtunnel de lucht uit de stal zelf zal worden gebruikt. De lucht die vervolgens naar buiten komt is, aldus verweerder, dezelfde lucht die al in de stal hing voordat die naar de droogtunnel ging.

10.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4081 en van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1031 volgt dat geuremissie van een droogtunnel bij de vergunningverlening afzonderlijk moet worden beoordeeld. Verweerder mocht naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet volstaan met de aanname dat de geuremissie in de droogtunnel bij ruim 5.000 extra kippen niet zal toenemen. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar de mogelijke toename van geuremissie van de droogtunnel. In het kader van de beoordeling van het bezwaar dient verweerder alsnog dit onderzoek te verrichten.

In afwachting van dit onderzoek zal de voorzieningenrechter, gelet op de belangen van de omwonenden, de omgevingsvergunning schorsen voor zover die ziet op het toestaan van meer dan 3160 kippen op de bovenverdieping van stal 3 (het aantal dat volgens de oude vergunning op de verdieping van stal 3 is toegestaan) tot zes weken na het moment dat verweerder een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift.

Daarbij treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening, eveneens geldend tot 6 weken na de beslissing op het bezwaarschrift, dat als er meer dan 3160 kippen op de verdieping in stal 3 aanwezig zijn, de boventallige kippen verwijderd moeten worden.

11. Ten aanzien van de overige punten die verzoekers aanvoeren ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding om te oordelen dat bestreden besluit in de heroverweging niet in stand zal kunnen blijven.

12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.049,40 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Daarnaast dient verweerder de gemaakte reiskosten van [..] naar Utrecht te vergoeden voor twee eisers van € 25,40. De kosten voor het rapport van [bedrijfsnaam] komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat aannemelijk is dat verzoekers dit rapport in het kader van de bezwaarprocedure hebben laten opstellen en niet voor deze procedure. Een mogelijke vergoeding van deze kosten kunnen verzoekers in de bezwaarprocedure nader aan de orde stellen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst de omgevingsvergunning, verleend bij besluit van 23 juli 2019, voor zover die ziet op het toestaan van meer dan 3160 kippen op de bovenverdieping van stal 3 (het aantal dat volgens de oude vergunning op de verdieping van stal 3 is toegestaan) tot zes weken na het moment dat verweerder een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift.

Daarbij treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening, eveneens geldend tot 6 weken na de beslissing op het bezwaarschrift, dat als er meer dan 3160 kippen op de verdieping in stal 3 aanwezig zijn, de boventallige kippen van de bovenverdieping van stal 3 verwijderd moeten worden.

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan verzoekers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.049,40,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Bultena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.