Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4767

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
16/660148-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden, waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Door dit ongeval is aan de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel toegebracht.

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660148-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1990] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M.C.V. Fellinger en van hetgeen verdachte en mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 28 maart 2017 op de Plettenburgerbaan, ter hoogte van de kruising van die weg met de

’s-Gravenhoutseweg en/of Zuidstedeweg te Nieuwegein met een motorrijtuig een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft/hebben opgelopen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Uit de bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat de verdachte door een rood licht uitstralend verkeerslicht is gereden, en met te hoge snelheid op de kruising is gereden waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Hierdoor heeft verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden.

4.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, in die zin dat de verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , en ook verdachte zelf zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, waarbij de mate van schuld – anders dan de officier van justitie heeft gesteld - bestaat uit aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

4.1.2

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Uit de verkeersongevallenanalyse volgt dat de Suzuki met kenteken [kenteken] (de rechtbank leest: verdachte) over de Plettenburgerbaan reed gaande in de richting van het kruispunt met de Zuidstedeweg en de ’s Gravenhoutseweg. De Volvo met kenteken [kenteken] (de rechtbank leest: het slachtoffer [slachtoffer 1] ) reed over de ’s Gravenhoutseweg gaande in de richting van het kruispunt met de Zuidstedeweg en de Plettenburgerbaan. Op het moment van het ongeval werd het verkeer op het kruispunt geregeld door een verkeersregelinstallatie. Op genoemde kruising botsten beide voertuigen tegen elkaar. Als gevolg daarvan raakten de bestuurder (verdachte) en de passagier (de rechtbank leest: [slachtoffer 2] ) in de Suzuki zwaar gewond en raakte de bestuurder van de Volvo zwaar gewond.2

Uit de analyse van het faselog bleek dat de bestuurder van de Suzuki op 28 maart 2017 omstreeks 20:49:59.3 uur de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 18,1 seconden rood licht uitstraalden.

De bestuurder van de Volvo was op 28 maart 2017 omstreeks 20:49:58.9 uur de stopstreep gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 0,3 seconden geel licht uitstraalden.

Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (betrouwbaarheidsniveau van 99%) kan worden gesteld dat de bestuurder van de Suzuki voorafgaande aan het incident, op het traject van de verst gelegen detectielus tot aan de stopstreep, moet hebben gereden met een gemiddelde snelheid tussen de 82 km/h en 93 km/h, althans een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 70 km/h.3

Ter plaatse is door de politie getuige [getuige] gehoord. Deze getuige heeft verklaard dat hij op 28 maart 2017 omstreeks 21 uur op de Zuidstedeweg te Nieuwegein reed richting de

’s-Gravenhoutseweg. Hij had groen licht. In de rijstrook tegenover hem, komende vanaf de ’s Gravenhoutseweg en gaande in de richting van de Zuidstedeweg stond een grijze Volvo. Hij zag dat de Volvo achter de andere stroom auto’s aan reed. Hij gaat ervan uit dat de Volvo groen licht had. Hij zag in zijn ooghoek een donkerblauwe auto aankomen rijden, vanaf de Plettenburgerbaan in de richting van de ’s Gravenhoutseweg en had het idee dat deze donkerblauwe auto met hoge snelheid reed, want hij was er opeens. Hij zag dat deze donkerblauwe auto ineens tegen de grijze Volvo aan reed. Het ging snel. Hij weet bijna zeker dat de donkerblauwe auto door rood licht reed. Hij zag dat de Volvo de donkerblauwe auto niet meer kon ontwijken”.(…) 4

Blijkens de geneeskundige verklaring heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.5

[slachtoffer 2] heeft als getuige op 22 mei 2017 onder meer verklaard dat hij gekneusde en gebroken ribben, een verbrijzelde rechter enkel, gebroken neus, gebroken sleutelbeen heeft. Hij heeft anderhalve maand in het ziekenhuis gelegen. Toen hij eind april 2017 thuis kwam is hij kort daarop weer een week opgenomen vanwege wondinfecties en bacteriën in zijn bloed. De dokter heeft gezegd dat het ongeveer een jaar duurt voordat zijn enkel gedeeltelijk hersteld is. Zijn enkel zal voor 85% herstellen.6

Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft blijkens de geneeskundige verklaring een gebroken pols en een kneuzing van de rechter knie opgelopen; de geschatte duur van de genezing is zes weken.7

De rechtbank is van oordeel dat verdachte op basis van voormelde bewijsmiddelen een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Bewijsoverweging

De vraag is welke mate van schuld is komen vast te staan. Hiertoe dient de rechtbank te beoordelen of het handelen van verdachte, zoals dat uit die bewijsmiddelen volgt, is aan te merken als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

De rechtbank concludeert dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte door een rood verkeerslicht te negeren dat al minimaal 18,1 seconden rood licht uitstraalde, en daarbij te rijden met een te hoge snelheid en met onverminderde snelheid een onoverzichtelijke kruising op te rijden - waar verdachte bekend was - en vervolgens geen voorrang te verlenen aan bestuurder [slachtoffer 1] op die kruising, zeer onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag heeft vertoond. Hierdoor heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsgevonden waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de bijrijder in de auto van verdachte, zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

De rechtbank komt derhalve tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde en merkt de gedragingen van verdachte aan als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 28 maart 2017 te Nieuwegein, als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee

rijdende over de weg, de Plettenburgerbaan, ter hoogte van de kruising van die

weg met de 's-Gravenhoutseweg en Zuidstedeweg, zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

zeer onvoorzichtig en onoplettend,

- met voornoemd motorrijtuig niet te stoppen voor een in zijn richting geldend

en al geruime tijd (18,1 seconden) rood licht uitstralend verkeerslicht en

- ( hierbij) te rijden met een gemiddelde snelheid van minimaal 82 kilometer

per uur, terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 70 kilometer per uur is

toegestaan en

- ( vervolgens) met onverminderde snelheid, genoemde kruising op te rijden

en over te rijden en

- ( vervolgens) aan een ander motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] )

geen voorrang te verlenen, en

- ( daarna) in botsing te komen met voornoemde personenauto,

waardoor anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk

letsel werd toegebracht, te weten

ten aanzien van die [slachtoffer 1] een gebroken pols links en een kneuzing van

de knie rechts en

ten aanzien van die [slachtoffer 2] een enkelfractuur rechts en meerdere ribfracturen

links en een gebroken neus en een gebroken sleutelbeen,

dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - rekening houdend met het feit dat het een feit van tweeëneenhalf jaar oud betreft - gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 100 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de bewezenverklaring van het ten laste gelegde ‘aanmerkelijke schuld’ en niet ‘ernstige schuld’ oplevert. Verdachte heeft niet goed opgelet en is kennelijk door rood gereden. Het gegeven dat verdachte te hard heeft gereden, dient met enige voorzichtigheid te worden aangenomen nu het een kleine afstand betrof en kleine verschillen in de variabelen grote gevolgen voor de te berekenen snelheid hebben.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat bij de strafmaat dient te worden betrokken dat de fout die verdachte heeft gemaakt ook flinke impact heeft voor verdachte zelf; verdachte heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen en het herstel duurt nog voort.

Bovendien betreft het een zaak met als pleegdatum 28 maart 2017. Het heeft lang geduurd voordat deze zaak op zitting is aangebracht waardoor verdachte geruime tijd in onzekerheid heeft doorgebracht.

Verdachte is nog op goede voet met het slachtoffer de heer [slachtoffer 2] . Hij heeft ook opengestaan voor contact met het slachtoffer mevrouw [slachtoffer 1] , maar helaas heeft dit niet tot een goedmaken of verzoening geleid.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen van 120 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden; een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar, zoals door de officier van justitie geëist, acht de raadsman erg fors.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden, op de manier zoals hiervoor in de bewezenverklaring is omschreven, waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Door dit ongeval is aan mevrouw [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 2] , die als bijrijder in de auto van verdachte zat, zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Uit het dossier is gebleken wat de gevolgen van deze verwondingen voor de slachtoffers zijn geweest, en ter zitting is ook gebleken welke ernstige gevolgen verdachte zelf heeft ondervonden en nog steeds ondervindt.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten adviseren in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel als gevolg en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een taakstraf op te leggen van 120 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van zes maanden. Deze oriëntatiepunten gaan uit van een blanco strafblad. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 augustus 2019 volgt dat verdachte ten tijde van het ongeval niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Het ongeval vond plaats op 28 maart 2017. De zaak is op 1 oktober 2019 voor de rechtbank gebracht. In dit tijdsverloop ziet de rechtbank aanleiding om ten gunste van verdachte af te wijken van voornoemd oriëntatiepunt.

De officier van justitie heeft voornoemde omstandigheden volgens de mondelinge toelichting op haar vordering meegewogen in haar eis. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde werkstraf een passende straf is, maar ziet aanleiding af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een taakstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, beide met een proeftijd van één jaar.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan

vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

- bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van 50 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ontzegt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;

- bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op één jaar gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. C.S. Schoorl en C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Soeteman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2019.

Mr. Perrick is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 maart 2017 te Nieuwegein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee

rijdende over de weg, de Plettenburgerbaan, ter hoogte van de kruising van die

weg met de 's-Gravenhoutseweg en/of Zuidstedeweg, zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- met voornoemd motorrijtuig niet te stoppen voor een in zijn richting geldend

en al geruime tijd (18,1 seconden) rood licht uitstralend verkeerslicht en/of

- ( hierbij) te rijden met een gemiddelde snelheid van minimaal 82 kilometer

per uur, terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 70 kilometer per uur is

toegestaan en/of

- ( vervolgens) met onverminderde snelheid, genoemde kruising op te rijden

en/of over te rijden en/of

- ( vervolgens) aan een ander motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] )

geen voorrang te verlenen, althans deze personenauto niet voor te laten gaan

en/of

- ( daarna) in botsing en/of aanrijding te komen met voornoemde personenauto,

waardoor anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk

letsel werd toegebracht, te weten

ten aanzien van die [slachtoffer 1] een gebroken pols links en/of een kneuzing van

de knie rechts en/of

ten aanzien van die [slachtoffer 2] een enkelfractuur rechts en/of meerdere ribfracturen

links en/of een gebroken neus en/of een gebroken sleutelbeen,

of zodanig letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 9 oktober 2017, genummerd PL0900-2017093211, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 121. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse BVH:2017093211, pagina 31.

3 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse BVH:2017093211, pagina 54.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 95.

5 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van 15 juni 2017, pagina 102.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , pagina 100.

7 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van 25 juli 2017, pagina 107.