Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4726

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
C/16/450146 / FO RK 17-1924
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

NIFP heeft ouderverstoting vastgesteld. Contactherstel met de moeder is niet gelukt. De instelling waar de minderjarige is geplaatst heeft niet willen meewerken aan het plan van de GI om de minderjarige een periode helemaal geen contact te laten hebben met de vader.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2019:166)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/450146 / FO RK 17-1924 zorgregeling

Beschikking van 22 oktober 2019

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. D.I.A. Schröder,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M. van Harskamp.

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling

SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, hierna te noemen de GI,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] .

De rechtbank merkt als informant aan:

[naam instelling] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] .

De Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, hierna te noemen de Raad, is betrokken op grond van artikel 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft in deze zaak (tussen)beschikkingen gegeven op 25 januari 2018, 19 november 2018, 17 januari 2019 en 5 augustus 2019. Voor het verloop van de procedure tot 5 augustus 2019 verwijst de rechtbank naar die beschikkingen.

1.2.

Hierna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen en gelezen:

  • -

    een brief van 13 september 2019 van de GI;

  • -

    een brief van 16 september 2019 van de GI met als bijlage een ongedateerde rapportage van [naam instelling] .

1.3.

[voornaam van minderjarige] heeft op 19 september 2019 in een gesprek met de kinderrechter zijn mening gegeven.

1.4.

Op 24 september 2019 heeft de meervoudige kamer de behandeling van de zaak voortgezet op de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat,

- de vader met zijn advocaat,

- mevrouw [A] en mevrouw [B] namens de GI,

- de heer [C] namens de Raad.

[naam instelling] is wel opgeroepen, maar is niet verschenen.

2 Wat vast staat

2.1.

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de eerdere beschikkingen.

2.2.

Voor de duidelijkheid wordt vermeld dat het gaat om het minderjarig kind van partijen: [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam van minderjarige] .

3 Het verzoek en de beoordeling

3.1.

De rechtbank moet nog beslissen op het verzoek van de moeder om een zorgregeling vast te stellen waarbij [voornaam van minderjarige] één weekend in de twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de moeder verblijft, alsook iedere woensdagmiddag na school tot donderdagochtend naar school, dan wel een zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

De rechtbank wijst dit verzoek af en zal hierna uitleggen waarom.

3.3.

De moeder is deze procedure begonnen in november 2017 omdat zij zich zorgen maakte over [voornaam van minderjarige] . Deze zorgen zijn bevestigd in het onderzoek door het NIFP dat in juli 2018 is afgerond. De rapporteur concludeert kortgezegd dat er sprake is van ouderverstoting en parentificatie: [voornaam van minderjarige] wijst zijn moeder totaal af om zijn vader te beschermen, waardoor zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De vader heeft geen enkel inzicht in zijn aandeel in de problematiek. Hij is niet in staat of bereid om zijn eigen emoties opzij te zetten en [voornaam van minderjarige] te stimuleren tot contactherstel met de moeder. De vader wordt hierin ondersteund, of in elk geval niet begrensd, door de grootouders vz bij wie [voornaam van minderjarige] en hij in huis wonen.

3.4.

De GI heeft naar aanleiding van de conclusies van het NIFP een traject uitgestippeld waarbij het contact tussen [voornaam van minderjarige] en de moeder zou worden hersteld zonder dat de vader daarbij (al dan niet bewust) invloed zou kunnen uitoefenen. De rechtbank heeft de GI daarin gevolgd en daarom op 17 januari 2019 de machtiging tot uithuisplaatsing verleend.

3.5.

Op 14 februari 2019 is [voornaam van minderjarige] naar de […] van [naam instelling] gegaan. [naam instelling] heeft pas in die week aan de GI laten weten dat [naam instelling] het er niet mee eens was dat [voornaam van minderjarige] helemaal geen contact zou hebben met de vader en grootouders. Als compromis is toen afgesproken dat [voornaam van minderjarige] meer contact zou hebben met de moeder dan met de vader. In de periode dat [voornaam van minderjarige] bij [naam instelling] was, zijn er twee gesprekken geweest tussen [voornaam van minderjarige] en de moeder. Opvallend is dat [voornaam van minderjarige] in het tweede gesprek een andere houding liet zien dan in het eerste gesprek. [naam instelling] zag in het eerste gesprek ruimte ontstaan, maar in het tweede gesprek was [voornaam van minderjarige] afstandelijk.

3.6.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het feit dat [naam instelling] niet heeft willen meewerken aan het beperken van het contact tussen [voornaam van minderjarige] en de vader/grootouders, hieraan debet is geweest. In de brief van 4 juli 2019 van de GI staat dat [naam instelling] op 25 februari 2019 heeft laten weten dat: ‘Mijn collega gaf aan dat in de afspraak met opa/oma en vader voornamelijk oma/opa het moeilijk vonden om zich te beperken tot leuke onderwerpen en mijn collega meerdere keren heeft moeten aangeven dat er niet gesproken kon worden over Save, de uithuisplaatsing of contact van [voornaam van minderjarige] met moeder’. Daarnaast wist [voornaam van minderjarige] dat de vader op 12 maart 2019 aan het Hof heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te schorsen. [voornaam van minderjarige] is dus ook tijdens de uithuisplaatsing beïnvloed geweest door de vader en de grootouders.

3.7.

Het Hof heeft de machtiging tot uithuisplaatsing geschorst op 18 april 2019, ervan uitgaande dat ‘de vader zich zal blijven inspannen om aan de gestelde voorwaarden van [naam instelling] en de GI te voldoen.’ De vader heeft na de thuisplaatsing aan een aantal voorwaarden voldaan, maar niet aan de voorwaarde dat er een plan ligt hoe de komende twee maanden de bezoeken tussen [voornaam van minderjarige] en de moeder er uit gaan zien en evenmin aan de voorwaarde dat hij een plan maakt hoe hij de moeder informeert over belangrijke zaken rondom [voornaam van minderjarige] .

3.8.

Na de thuisplaatsing is er in mei 2019 een gesprek geweest tussen [voornaam van minderjarige] en de moeder, in het bijzijn van [naam instelling] en de GI, waarin de moeder voor de keuze is gesteld om te accepteren dat er geen contact is of om [voornaam van minderjarige] te dwingen tot contact. De moeder vond dit een onmogelijke keuze omdat de mening van de professionals (NIFP, [naam instelling] , GI en Raad) uiteenliep over wat het minst schadelijk was voor [voornaam van minderjarige] . GI en [naam instelling] zouden afstemmen ‘hoe moeder meer gerustgesteld kan worden in de verschillende standpunten die de instellingen innemen’ (verslag [naam instelling] ).

3.9.

In het volgende gesprek op 19 juni 2019 tussen de GI, [naam instelling] en de moeder was die geruststelling er niet. [naam instelling] was van mening dat de moeder [voornaam van minderjarige] los moest laten, terwijl de GI de keuze aan de moeder liet of zij contact wil afdwingen (brief van de GI van 4 juli 2019). Omdat de moeder geen keuze heeft kunnen maken, is de hulpverlening door [naam instelling] opgeschort. [naam instelling] is enkel nog bereid de moeder te ondersteunen in het accepteren dat er geen contact is. De GI heeft zich uiteindelijk op het standpunt gesteld dat het niet haalbaar is het contact tussen [voornaam van minderjarige] en de moeder te herstellen en dat een dwangsom daar geen positieve bijdrage aan zal leveren (brief van de GI van 13 september 2019).

3.10.

De rechtbank betreurt het dat de mogelijkheden van het door de GI ingezette traject niet volledig zijn benut en dat de verschillen van inzicht tussen [naam instelling] en de GI op het bordje van de moeder terecht zijn gekomen. Het is in dit traject niet gelukt om [voornaam van minderjarige] te beschermen tegen de invloed van de vader op zijn houding ten opzichte van de moeder. Het afdwingen van contact tussen de moeder en [voornaam van minderjarige] is geen oplossing. De rechtbank kan daarom niet anders dan het verzoek van de moeder afwijzen.

informatieregeling

3.11.

In de beschikking van 18 mei 2017 heeft de kinderrechter al de schriftelijke aanwijzing van de GI bekrachtigd dat de vader zich moet houden aan zijn informatieplicht (productie 12 bij het verzoekschrift). Het opstellen van een plan hoe de moeder te informeren was ook een van de voorwaarden voor de thuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] . De vader weigert tot op heden te voldoen aan zijn informatieplicht. Omdat er geen concreet verzoek ligt om een informatieregeling vast te stellen, kan de rechtbank dit niet doen. De rechtbank verwacht van de GI dat zij de middelen die haar ter beschikking staan zal aanwenden om te bewerkstelligen dat de moeder wordt geïnformeerd over [voornaam van minderjarige] .

4 Beslissing

de rechtbank:

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, kinderrechter, tevens voorzitter,

mr. M.A.A.T. Engbers en mr. V.E.J.A. Heijckmann, kinderrechters, in aanwezigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.