Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4709

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
C/16/487324 / JE RK 19-1854
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing. De aanwijzing is niet goed voorbereid en niet zorgvuldig gemotiveerd. De onderliggende informatie ter onderbouwing van de contactbeperking is niet met de moeder gedeeld/besproken. Ook zijn de bezoekmomenten niet met de moeder geevalueerd en de bevindingen van de pleegmoeder over de gedragsverandering bij het kind niet met de moeder gedeeld. Dit betekent dat de aanwijzing niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/27.26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Zittingsplaats: Utrecht

Zaakgegevens: C/16/487324 / JE RK 19-1854

datum uitspraak: 17 oktober 2019

Beschikking beperking contact ouder met gezag

in de zaak van

[verzoekster] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen gecertificeerde instelling (GI), gevestigd te [..] .

Betreffende

[naam mindejarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam van minderjarige] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder, ingekomen op 29 augustus 2019.

Op 3 oktober 2019 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de heer [A] en mevrouw [B] , namens de GI.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige] wordt uitgeoefend door haar moeder. [voornaam van minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

Bij beschikking van 24 juni 2019 is [voornaam van minderjarige] onder toezicht gesteld tot 24 juni 2020. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging loopt, net als de ondertoezichtstelling, tot 24 juni 2020.

De GI heeft op 21 augustus 2019 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen [voornaam van minderjarige] en haar moeder beperkt. De GI heeft de volgende omgangsregeling vastgesteld:

Eén keer in de vier weken hebben [voornaam van minderjarige] en de moeder begeleide omgang in een omgangsruimte bij [instelling 1] in [woonplaats] . De omgang wordt begeleid door de pleegouder en de jeugdzorgwerker.

De GI heeft de beperking als volgt (verkort weergegeven) gemotiveerd in de aanwijzing:

  • -

    de Raad heeft geadviseerd dat het perspectief van [voornaam van minderjarige] in het pleeggezin ligt en dat zij zich daar moet gaan hechten,

  • -

    de omgang is gedurende drie maanden onder begeleiding één keer in de vier weken gedurende één uur bij [instelling 1] . Na drie maanden wordt de regeling geëvalueerd. Wanneer de omgang niet in het belang van [voornaam van minderjarige] is, wordt de frequentie bijgesteld naar één keer per zes weken,

  • -

    de omgangsregeling is tot stand gekomen in overleg met [instelling 2] aan de hand van de CHOP-list en in overleg met de gedragswetenschappers binnen pleegzorg. Daarbij is rekening gehouden met het perspectief van [voornaam van minderjarige] , haar leeftijd en de zorgen over de moeder.

Het verzoek van de moeder


De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en een nieuwe contactregeling tussen de moeder en [voornaam van minderjarige] vast te stellen zoals de rechtbank juist acht.

Volgens de moeder is de aanwijzing onzorgvuldig tot stand gekomen. De aanwijzing is niet zorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd. De jeugdzorgwerker heeft de moeder overvallen met de vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing. De moeder probeert al vanaf april in gesprek te gaan met de jeugdzorgwerker. In juli 2019 vindt dat gesprek eindelijk plaats en op de ochtend van dat gesprek ontvangt de moeder de vooraankondiging. In het gesprek heeft de moeder gelijk aangegeven het niet eens te zijn met het voorgenomen besluit om de omgang te verminderen. De GI moest vervolgens aangespoord worden tot het daadwerkelijk versturen van de aanwijzing, waardoor de moeder niet eerder een verzoek aan de rechtbank kon doen. Uit de aanwijzing blijkt niet dat rekening is gehouden met het belang van moeder en [voornaam van minderjarige] om een band met elkaar op te bouwen. De moeder heeft ook nooit gehoord van de GI dat de omgangsmomenten niet goed zouden verlopen. Ze krijgt juist van de pleegmoeder te horen dat [voornaam van minderjarige] rustig is na de bezoeken. De GI verwijst naar de CHOP-list, maar de moeder heeft die ingevulde CHOP-list niet van de GI gekregen. Het is niet duidelijk waarom [voornaam van minderjarige] niet vaker contact met haar moeder zou kunnen hebben. Bovendien staat nog niet vast dat [voornaam van minderjarige] in het pleeggezin zal opgroeien, omdat de moeder hoger beroep heeft ingesteld tegen de vorige beschikking. Met de aanwijzing forceert de GI een scheiding tussen moeder en kind.

Het standpunt van de GI

Volgens de GI was de CHOP-list afgenomen, maar het verslag nog niet afgerond op het moment dat de aanwijzing werd genomen. De pleegmoeder merkte wel degelijk een gedragsverandering bij [voornaam van minderjarige] rondom de omgang met haar moeder. Ze slaapt slecht en krijgt spuitluiers. Wat de pleegmoeder ziet bij [voornaam van minderjarige] is niet met de moeder besproken. Uit de observaties tijdens de omgang blijkt dat de moeder heel erg bezig is met bewijzen dat ze een goede moeder is. Het lukt haar niet om aan te sluiten bij [voornaam van minderjarige] . [voornaam van minderjarige] moet juist afstemmen op haar moeder. Er wordt tijdens de begeleide bezoeken wel feedback gegeven aan de moeder, maar de observatieverslagen zijn niet met haar besproken.

De aanwijzing is tot stand gekomen in overleg met [instelling 2] en de gedragswetenschapper aan de hand van de observatieverslagen en de CHOP-list. Nu het perspectief van [voornaam van minderjarige] in het pleeggezin ligt, past daar een beperkte omgangsregeling met haar moeder bij. Op die manier kan [voornaam van minderjarige] zich beter hechten aan het pleeggezin waar zij zal opgroeien.

De beoordeling van de kinderrechter


De kinderrechter zal de aanwijzing vervallen verklaren. Een schriftelijke aanwijzing is een besluit dat moet voldoen aan de eisen uit de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Dat betekent onder andere dat het besluit zorgvuldig voorbereid moet zijn en goed gemotiveerd moet worden. Het moet namelijk voor een ouder duidelijk zijn waarom de GI iets beslist en op welke manier rekening is gehouden met de belangen en wensen van de ouder en het kind. Dat is hier niet goed gegaan.

De GI heeft de observatieverslagen van de omgangsmomenten niet met de moeder besproken. Ook is niet met haar besproken wat de pleegmoeder bij [voornaam van minderjarige] ziet na de omgangsmomenten. Voor de moeder is dus niet duidelijk wat er wel en niet goed gaat. Zij heeft hierdoor ook niet de kans gehad om zich te verbeteren. Ook zijn de uitkomsten van de CHOP-list niet met de moeder besproken. Deze stukken zijn niet aan de moeder gestuurd en zitten ook niet bij de schriftelijke aanwijzing. Daarnaast staat alleen in de aanwijzing dat er rekening gehouden is met het belang van [voornaam van minderjarige] , maar er wordt niet uitgelegd wat dat betekent voor de omgang. Dit alles maakt dat de aanwijzing niet zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. Dat betekent dat de aanwijzing niet in stand kan blijven.

De kinderrechter zal geen andere omgangsregeling vaststellen tussen de moeder en [voornaam van minderjarige] . De kinderrechter heeft namelijk door het ontbreken van de hiervoor genoemde observatieverslagen en CHOP-list niet genoeg informatie om te bepalen welke omgangsregeling goed is voor [voornaam van minderjarige] .

Dit betekent dat de GI zo snel mogelijk in gesprek moet met de moeder om alle informatie te delen en te bespreken en te kijken of ze samen een omgangsregeling kunnen afspreken. Als dit niet lukt, zal de GI een nieuwe schriftelijke aanwijzing moeten geven. Dit keer eentje die goed wordt voorbereid en waarin goed wordt uitgelegd waarom voor een bepaalde omgangsregeling wordt gekozen.

De beslissing


De kinderrechter verklaart de aanwijzing in zijn geheel vervallen.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden