Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4690

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
16/706102-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/706102-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1963] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 mei (regie), 30 augustus en 5 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie mrs. J.R.F. Esbir Wildeman en H.M. Gorter en van hetgeen verdachte en

mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. zich in de periode van 1 april 2014 tot en met 31 december 2014 te Zutphen heeft schuldig gemaakt aan ambtelijke omkoping;

en/of

zich in de periode van 1 januari 2015 t/m 30 september 2015 te Zutphen heeft schuldig gemaakt aan ambtelijke omkoping;

2. zich in de periode van 1 mei 2015 t/m 31 oktober 2016 te Zutphen heeft schuldig gemaakt aan ambtelijke omkoping.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

Inleiding

De kern van deze zaak is dat verdachte wordt verweten dat hij in de periode van april 2014 tot en met oktober 2016 [A] (werkzaam als eerste luitenant bij de [werkgever 1] (hierna: [werkgever 1] )) in diens hoedanigheid van ambtenaar heeft omgekocht.

Verdachte had in de tenlastegelegde periode naast zijn werk als parketsecretaris bij het [werkgever 2] (verder: [werkgever 2] ), werk dat voortkwam uit zijn bedrijf genaamd [bureau 1] (verder: [bureau 1] ). [bureau 1] gaf - kort samengevat - opleidingen op het terrein van financieel rechercheren aan verschillende ketenpartners van het OM, zoals de politie, de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst, de Douane en de KMar. Verdachte had van het OM toestemming om deze nevenwerkzaamheden te verrichten. Toen de vraag naar opleidingen hoog werd is verdachte docenten gaan inhuren, die zich op hun beurt bij de Kamer van Koophandel lieten inschrijven met een eigen bedrijf. Zo ook [A] , die eveneens op enig moment toestemming kreeg van de KMar om les te geven in opdracht van [bureau 1] . Bij deze toestemming was onder meer de voorwaarde gesteld dat [A] geen les mocht geven aan personeel van defensie.

In de periode 2012-2014 heeft [A] als docent, middels zijn bedrijf [bureau 2] (hierna [bureau 2] ), diverse opleidingen aan politiepersoneel verzorgd voor [bureau 1] . Hij kreeg hiervoor een vergoeding van [bureau 1] van

€ 1.500,- per trainingsdag.

[bureau 1] heeft in 2014 de onderhands gegunde opdracht gekregen om opleidingen bij de KMar te verzorgen. In 2015 heeft [bureau 1] de aanbesteding gewonnen om wederom opleidingen bij de KMar te verzorgen.

Vanaf 2014 ging de politie zelf haar opleidingen verzorgen en verschoof het zwaartepunt van de werkzaamheden die [bureau 1] verrichtte naar het verzorgen van trainingen bij de KMar. [A] kon daar niet als docent worden ingezet. [bureau 2] heeft nadien nog een aantal facturen bij [bureau 1] in rekening gebracht. Deze facturen betreffen volgens verdachte werkzaamheden van [bureau 2] bestaande uit het (verder) ontwikkelen en up-to-date houden van de opleidingen die [bureau 1] voor de KMar verzorgde. Hierbij ontving [bureau 2] in totaal een bedrag van € 21.000,- bruto in de jaren 2013 tot en met 2016.

4.1

Standpunt openbaar ministerie

Het OM heeft betoogd dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [A] een ambtenaar was, dat er sprake was van giften van (het bedrijf van) verdachte aan (het bedrijf van) [A] alsook van een belofte én dat er een verband bestaat tussen de giften c.q. beloften enerzijds en de tegenprestatie van [A] anderzijds. Ten aanzien van de verrichte betalingen is het volgens het OM maar de vraag of daar wel werkzaamheden van [A] tegenover hebben gestaan. Het OM acht het aannemelijk dat de betalingen bedoeld waren om de wederzijdse voordelen uit de relatie tussen verdachte en [A] voort te laten duren.

Het verband tussen de gift en de tegenprestatie (zo de rechtbank begrijpt: het oogmerk) wordt onderbouwd met verschillende e-mails, die zijn geschreven en verzonden in de aan verdachte ten laste gelegde periode onder feit 2.

In deze periode wordt verdachte meer specifiek verweten dat hij betalingen aan [A] heeft verricht, dan wel [A] opdrachten tegen betaling heeft gegund met als doel om [bureau 1] de aanbesteding voor het geven van opleidingen bij de KMar in 2015 te (laten) gunnen. Uit verschillende e-mails blijkt volgens het OM een zeker ‘verdienmodel’ voor [A] , op basis waarvan het oogmerk van verdachte blijkt om [A] te bewegen om in zijn bediening als ambtenaar iets te doen of na te laten. Dat betreffen de volgende e-mails:

De e-mail van verdachte aan [A] van 6 september 2015, zaaksdossier 1, bijlage 87, pagina 2875:

“Hoi [A] , (…) Mbt je contact met [getuige 1] hoop ik dat het mij door de NDA gegund wordt om de volgende vier jaar de financiële recherche opleidingen te blijven doen mede ook omdat de afspraak in 2014 om vier jaar met mij in zee te gaan niet door gegaan zijn buiten mijn schuld om. Doe je best en we gaan het zien. (…)

De e-mail van verdachte aan [A] d.d. 22 december 2015 (zaaksdossier 1, bijlage 114, document D-286, 3182-3196) met als onderwerp:

afspraken [bureau 1] en [A] inzake de raamovereenkomst KMAR FINEC

opleidingen voor de komende 4 jaar’.

“Hoi [A] , hierbij het beloofde overzicht met de prijzen per opleiding van [bureau 1] en de nieuwe overeenkomst tussen ons voor de komende 4 jaar. Ik heb zoals besproken de betaaldata uit de OVK gehaald. Wij hebben daarnaast afgesproken dat jij aan het begin van het kwartaal mij factureert. Ik heb jou in 2015 EUR 4.500,00 gegeven voor jouw inzet. Zoals eerder dit jaar afgesproken wil ik echter voor de raamovereenkomst van de komende vier jaar wel vasthouden aan een maximum beloning van 10% van mijn KMar jaaromzet. Bij het door jou opgegeven maximum jaarbudget (EUR 60.000,00) voor FINEC opleidingen komt dat neer op een beloning van EUR 6.000,00 per jaar verdeeld over 4 facturen. Uiteraard hoop ik ook dat we jaarlijks dit maximaal kunnen uitwinnen en gun ik je graag 4 facturen van EUR 1.500,00. Als ik uitkom op een KMar jaaromzet van EUR 58.000,00, dan heb ik er geen bezwaar tegen datje ook jouw laatste jaarfactuur EUR 1.500,00 groot is en je dus voor dat jaar EUR 6.000,00 voor jouw inzet ontvangt. Mocht de jaaromzet onverhoopt toch minder dan EUR 58.000,00 dan betaal ik je bij de laatste kwartaalfactuur na rato. Vorenstaande lijkt mij voor jou en mij een goede regeling en ga er vanuit dat je hiermee in kunt stemmen”.

De e-mail van verdachte aan [A] d.d. 2 januari 2016, zaaksdossier 1, bijlage 114, pagina 3183):

Hoi [A] , (…) In het voornoemde telefoongesprek hebben wij ook afgesproken dat ik jou in het 4e jaar (dus het jaar dat jij uit dienst van de KMar treed) bij voldoende opdrachten een aantal opleidingen zal gunnen. Ik zie graag de overeenkomst (per post) en de voornoemde mail retour”.

De e-mail van [A] aan verdachte d.d. 11 januari 2016, zaaksdossier 1, bijlage 115, pagina’s 3198-3199:

met als onderwerp: “RE: FW: afspraken [bureau 1] en [A] inzake de raamovereenkomst KMAR FINEC opleidingen voor de komende 4 jaar”.

[A] schreef onder meer:

[verdachte] , zoals afgesproken bevestig ik middels deze mail de door ons telefonisch gemaakte afspraken voor de komende vier jaren, ingaande op 01 januari 2016 en eindigend op 31 december 2019; Afgesproken dat ik in de jaren 2016 tot en met 2018 jaarlijks viermaal factureer. De eerste drie facturen zullen ten bedrage van EUR 1.500,00 zijn en worden gestuurd in elke eerste maand van het kwartaal (januari, april en juli).”

De e-mail van verdachte aan [A] d.d. 12 januari 2016, zaaksdossier 1, bijlage 116, pagina 3202:

Hopelijk zal dan de politie ook weer opleidingen bij mij afnemen en dan zal er voldoende werk voor ons allemaal zijn en zoals jij al mondeling aangaf ga jij je best doen bij je opvolger mij weer in positie te brengen zodat er voldoende werk blijft”.

Een e-mail van verdachte aan [A] (d.d. 27 september 2014), zaaksdossier 1, bijlage 148, pagina 3409:

“Beste [A] , Afgelopen vrijdag hebben we gesproken over de verdere samenwerking tussen jouw en mijn onderneming. We hebben afgesproken dat jij en ik de komende jaren, jaarlijks verschillende momenten Inplannen welke wij gaan gebruiken voor de verdere ontwikkeling van mijn opleidingsprogramma. Zoals afgesproken stuur jij mij vanaf 2015 voor een dergelijk moment een factuur van €1.500 inclusief BTW. Afgelopen vrijdag was zo'n dergelijk moment. Zoals afgesproken stuur jij mij voor jouw ontwikkelingswerkzaamheden eind oktober 2014 een factuur van €1.000 inclusief BTW. Hoor graag van je. (…)”

Op basis van deze e-mails kan, zo stelt het OM, worden vastgesteld dat verdachte ten aanzien van feit 2 het oogmerk had om [A] te bewegen in zijn bediening als ambtenaar iets te doen of na te laten. Zogezegd: ‘Voor wat, hoort wat’. Dit oogmerk van verdachte zag niet slechts op het beïnvloeden van de aanbesteding van 2015, maar ook op het aangaan van een zakelijke relatie met [A] die hem een voorkeurspositie moest opleveren, het bevorderen dat er tussen verdachte en de opvolger van [A] een relatie zou ontstaan én het bevorderen dat een zo hoog mogelijke omzet voor verdachte zou worden gegenereerd.

Anders dan bij feit 2, bevat het dossier ten aanzien van feit 1 (periode 1 april 2014 tot en met 30 september 2015) niet dusdanig belastende e-mails. Toch acht het OM ook voor dit feit voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig, nu uit de feiten en omstandigheden blijkt dat het ‘verdienmodel’ en de verhoudingen zoals die tussen verdachte en [A] in 2015/2016 bestond, ook al aanwezig was ten tijde van feit 1 en dus ook tijdens de aanbesteding voor het geven van opleidingen bij de KMar in 2014.

Met deze bewijsconstructie is voor beide feiten wettig en overtuigend bewijs voorhanden zodat beide feiten bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter zake beide aan verdachte ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit.

Zijn pleidooi komt er in de kern op neer dat verdachte, gezien de vriendschappelijke contacten met [A] , wel een zekere ‘gunfactor’ had, maar dat er géén verband is tussen het ontstaan en aangaan van die vriendschappelijke band en de inzet van [A] als docent enerzijds en het verkrijgen van opdrachten van de KMar door (het bedrijf van) verdachte anderzijds.

In dit kader is door de verdediging gewezen op de uitstekende evaluaties van de opleidingen van [bureau 1] door medewerkers van (o.a.) de KMar, en dat de reden voor de voorkeur voor het bedrijf van verdachte was dat er kwaliteit werd geleverd. En niet alleen [A] , maar ook anderen binnen de KMar waren voorstander van het feit dat de opleidingen door verdachte werden verzorgd.

Ook was [A] niet eigenhandig en zelfstandig in staat om iemand ‘iets toe te spelen’ zonder binnen de KMar de juiste procedure te volgen. Wanneer er een behoefte aan opleidingen bestond binnen de KMar, dan vulde [A] een aanvraag tot behoeftestelling (ATB) in. Vervolgens werd dit naar een verwerver en budgethouder gestuurd. Bij de aanbesteding van 2015 waren andere beoordelaars betrokken en in 2014 was er een andere eindbeslisser. Voor zover er al enige regels binnen de KMar door [A] niet juist werden opgevolgd, dan had verdachte daar geen enkele bemoeienis mee of wetenschap van.

Tegenover de vergoedingen die verdachte aan [A] heeft betaald, hebben altijd werkzaamheden van [A] gestaan. Verdachte heeft gewezen op de aanvullingen in het procesdossier zoals toegevoegd in 2019, waaruit volgt dat [A] verdachte heeft geholpen met het evalueren van oude opleidingen en het actualiseren van bestaande opleidingen van [bureau 1] . Het betroffen substantiële werkzaamheden die voor verdachte in het kader van zijn bedrijfsvoering een waarde vertegenwoordigden.

Nu sprake is van een beloning die is vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten tussen verdachte en [A] , welke beloning alleszins reëel is, is geen sprake van bevoordeling.

Echter, zelfs als wél zou komen vast te staan dat er sprake is van een gift of dienst, is niet komen vast te staan dat die gift of dienst is verleend met het oog op het verkrijgen van een voorkeursbehandeling en/of het verkrijgen van concurrentiegevoelige informatie en/of het verkrijgen van opdrachten uit de aanbesteding. Niet is gebleken dat het inzetten van [A] als docent en mede-ontwikkelaar het kennelijke doel had of de uiterlijke strekking om de positie van verdachte bij de aanbesteding te versterken. Wanneer er sprake is van een zakelijke betrekking is méér bewijs nodig, nu voor giften – voor zover die al zijn gedaan – gelet op de aard en omvang daarvan ruimte is voor een alternatieve verklaring (zie ECLI:NL:GHARL:2014:9047).

Verdachte heeft er ten slotte op gewezen dat hij niet meer dan 10% van zijn omzet aan ontwikkelingskosten voor zijn opleidingen bij de KMar wilde uitgeven. Er is geen sprake van een kick-back constructie; verdachte heeft slechts een grens willen stellen aan zijn ontwikkelingskosten in het kader van de tussen hem en [A] reeds bestaande samenwerking.

In het kader van het laatste woord heeft verdachte ter terechtzitting aangegeven dat het niet zorgvuldig van hem is geweest hoe hij de voor hem belastende e-mails heeft verwoord. De uitleg die het OM nu geeft aan deze e-mails, strookt in ieder geval beslist niet met de bedoelingen die verdachte heeft gehad.

4.3

Oordeel rechtbank

Beoordelingskader

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde omkoping zoals bedoeld in artikel 177(a) van het Wetboek van Strafrecht (zoals dat op de verschillende momenten in de ten laste gelegde periode heeft geluid) dient wettig en overtuigend bewezen te worden dat verdachte aan [A] een gift of belofte heeft gedaan (dan wel een dienst heeft verleend) teneinde hem te bewegen in zijn bediening (al dan niet in strijd met zijn plicht) iets te doen of na te laten. Daarvoor is – anders dan de letterlijke tekst van de wet doet vermoeden – niet vereist dat giften zijn gedaan met het oogmerk van een concrete tegenprestatie of om het doen ontstaan van een speciale relatie die zal leiden tot een voorkeursbehandeling. Wel moet bewezen kunnen worden dat die giften het kennelijke doel of de uiterlijke strekking hadden om dergelijke vormen van begunstiging te bewerkstelligen.

Het zwaartepunt van deze zaak ligt bij de beoordeling van de vraag of het OM wettig en overtuigend heeft bewezen dat verdachte betalingen heeft verricht aan [A] met het oogmerk op bevoordeling van hemzelf of een wederdienst aan hemzelf (of zijn bedrijf). De rechtbank zal eerst ten aanzien van feit 2 ingaan op de vraag of dit oogmerk kan worden afgeleid uit de e-mails, zoals het OM in deze heeft betoogd.

Feit 2 - 2015 / 2016

Interpretatie e-mails

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag hoe de onder punt 4.1 van dit vonnis weergegeven e-mails moeten worden geïnterpreteerd. Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank niet alleen naar de letterlijke tekst van de e-mails worden gekeken, maar ook naar de context. Daarbij zijn de volgende elementen van belang.

Goedkeuring samenwerking en gegroeide relatie

Verdachte heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn nevenactiviteit heeft opgezet in een tijd waarin niemand dergelijke cursussen gaf. Gegeven het politieke besluit om ‘meer te gaan afpakken’ werd er aan hem getrokken om deze cursussen - waarvan de inhoud in het algemeen belang is - te gaan geven. Hij heeft voor zijn nevenwerkzaamheden toestemming gevraagd en gekregen van het OM, waar hij werkzaam was. Het nevenwerk kwam in grote hoeveelheid op hem af en hij moest er steeds meer andere docenten bij inschakelen. Hij heeft om die reden ook aan [A] , die hij kende van een maandelijks FINEC-overleg over deze materie, voorgesteld om dergelijke cursussen voor hem te gaan verzorgen. Hij heeft [A] gezegd dat deze voor de nevenwerkzaamheden wel eerst toestemming van de KMar moest vragen. Deze heeft toestemming gevraagd en gekregen. Zij zijn gaan samenwerken en aldus is in de loop der jaren een zakelijke en tevens vriendschappelijke relatie tussen hen beiden gegroeid. De rechtbank is het met verdachte eens dat de e-mails tegen die achtergrond moeten worden gelezen.

Samenwerkingsovereenkomsten

De samenwerking tussen partijen werd vastgelegd in jaarlijkse samenwerkingsovereenkomsten. De inhoud van de samenwerkingsovereenkomst werd in 2015 aldus aangepast dat bij de honorering is opgenomen dat [A] deze óók ontvangt voor het ontwikkelen en het up-to-date houden van het lesmateriaal van verdachte.

Giften

De betalingen door (de onderneming van) verdachte aan [A] kunnen gekwalificeerd worden als giften, nu volgens de Hoge Raad het doen van een gift ‘elk overdragen aan een ander van iets dat voor die ander waarde heeft’ omvat en dit begrip in de jurisprudentie ruim wordt uitgelegd (HR 25 april 1916, NJ 1916, p. 51). Het gaat in totaal om een bedrag van € 21.000,- bruto in vijf jaar tijd. Niet is komen vast te staan dat tegenover deze giften geen werkzaamheden van [A] stonden. De suggestie van het OM dat deels sprake was van betalingen voor niet-verrichte werkzaamheden is door verdachte gemotiveerd weersproken en door het OM overigens niet verder onderbouwd.

Kwalitatief goede cursussen

Uit het dossier blijkt genoegzaam dat de cursussen zoals die door de onderneming van verdachte voor de KMar werd verzorgd (zeer) goed gewaardeerd werden. Dit maakt het aannemelijk dat bij het gunnen van nieuwe opleidingen door de KMar aan de onderneming van verdachte de kwaliteit van die opleidingen een rol van betekenis heeft gespeeld. Dat [A] een voorkeur had voor de onderneming van verdachte kan dan ook mede in dat licht worden bezien, en wordt voorts ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] dat voor de gehele KMar geldt dat destijds een voorkeur bestond om zaken te blijven doen met bekende leveranciers. De rechtbank stelt vast dat [bureau 1] naar volle tevredenheid van de KMar cursussen voor medewerkers van de KMar heeft verzorgd en dat op geen enkele wijze is gebleken dat sprake is geweest van enige benadeling van de KMar.

Beperkte invloed van [A]

Ten aanzien van de aanbestedingen en de daaruit voorvloeiende opdrachten van 2014 en 2015 is niet objectief vast te stellen dat [A] binnen zijn organisatie zelf enige behoefte heeft gecreëerd aan opleidingen. Die behoefte kwam direct uit het werkveld van de KMar zodat [A] daarop geen invloed had. Naar aanleiding van de kennelijke bestaande behoefte vond er uiteindelijk door de KMar in 2014 en 2015 een onderhandse gunning en een aanbesteding plaats. In beide gevallen had [A] niet de overwegende en beslissende zeggenschap om deze gunningen in het voordeel van verdachte te doen uitvallen. Die zeggenschap lag bij zijn meerderen. Ook waren naast [A] nog andere ambtenaren betrokken bij de beoordeling van de inschrijvingen, waarbij in 2015 zelfs door de leidinggevende van één beoordelaar werd aangestuurd op het overnemen van het oordeel van [A] , nu deze beoordelaar zich inhoudelijk niet volledig daartoe geëquipeerd achtte.

Getuigenverklaringen

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (zaaksdossier 1, bijlage 28, p. 1486-1494 en de verklaringen zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 16 juli 2018) hebben ieder voor zich verklaard dat – ook met de kennis van nu – de gunningen van 2014 en 2015 inhoudelijk en in overeenstemming met de daarvoor geldende procedures binnen de KMar zijn verlopen. Hierover is zelfs opgemerkt dat het binnen het wettelijk kader is verlopen en dat de organisatie er qua inhoud een goed aanbod (zo de rechtbank begrijpt: van [bureau 1] ) uit gekregen heeft.

Aanbesteding 2015 al gegund aan verdachte ten tijde e-mails

Het is de rechtbank gebleken dat, voor zover een puur tekstuele lezing van de e-mails tot de conclusie zou kunnen leiden dat daar op dát moment het oogmerk van verdachte voor de omkoping uit zou blijken, voor vijf van de zes e-mails geldt dat deze zijn verzonden terwijl de aanbesteding van 2015 reeds klip en klaar door de KMar aan [bureau 1] was gegund.

De definitieve raamovereenkomst tussen de KMar en [bureau 1] werd immers op 22 december 2015 gesloten (zaaksdossier 1, bijlage 105, pagina 3076).

Voor zover verdachte onder feit 2 wordt verweten dat door verdachte aan [A] giften zijn gedaan met het oogmerk om [A] de aanbesteding van 2015 te laten beïnvloeden - en dat het oogmerk van verdachte hiertoe blijkt uit de desbetreffende e-mails, dan geldt dat dit door de feitelijke gang van zaken reeds achterhaald was ten tijde van het verzenden van de e-mails. De e-mails kunnen dan ook niet als bewijs dienen van het tegenovergestelde.

Dit betekent ook dat het merendeel van de e-mails niet slechts in het licht van de tussen partijen gegroeide vriendschap en jarenlange zakelijke samenwerking moet worden bezien, maar ook in verband met een zojuist gegunde aanbesteding van 2015 aan [bureau 1] , in welk kader verdachte zijn samenwerking voor de komende jaren met [A] wenste te (her-)bevestigen.

Conclusie – vrijspraak feit 2

De achtergrond van de e-mails was dus als volgt: een gegroeide relatie, gebaseerd op een door OM en KMar goedgekeurde samenwerking, waarbij geen giften in de letterlijke zin van het woord zijn verschaft maar (slechts) betaalde opdrachten. Noch uit de aard van de giften noch uit de hoogte daarvan, als hiervoor vermeld, kan reeds het oogmerk op omkoping worden afgeleid. De vraag kan worden opgeworpen of [A] , na de eerder van hogerhand verkregen toestemming, in zijn organisatie niet actiever aan directe collega’s en leidinggevenden had moeten meedelen dat hij een zakelijke relatie met verdachte had en wat de inhoud daarvan was (geworden). Dit mogelijke verwijt aan [A] kan echter niet zonder meer ook aan verdachte worden verweten. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist in hoeverre [A] dat wel of niet had gedaan.

Tegen deze achtergrond, in onderling verband en samenhang bezien ook met de andere voornoemde elementen in de beoordeling, komt de verklaring van verdachte, dat de belastende e-mails betrekking hadden op de reeds bestaande samenwerking tussen [bureau 1] en [bureau 2] en dat dit door deze partijen werd gescheiden van de aanbestedingen 2014 en 2015 en de daaruit mogelijk voorvloeiende opdrachten, de rechtbank niet onaannemelijk voor.

Dit maakt al met al dat naar het oordeel van de rechtbank niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte het oogmerk had om [A] met de betaalde opdrachten te bewegen én bewogen heeft tot begunstiging van verdachte en dat verdachte zich aldus heeft schuldig gemaakt aan omkoping van [A] .

Conclusie – vrijspraak feit 1

Het OM heeft betoogd dat het bewijs voor het oogmerk tot omkoping voor feit 1 kan worden afgeleid uit het bewijs voor feit 2. Nu verdachte wordt vrijgesproken voor feit 2, is evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 april 2014 tot en met 30 september 2015 heeft schuldig gemaakt aan omkoping van [A] . Dit betekent dat verdachte eveneens zal worden vrijgesproken voor feit 1.

Belangenverstrengeling

De rechtbank hecht er aan te benadrukken dat deze strafrechtelijke vrijspraak onverlet laat dat het de rechtbank voorkomt dat verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van belangenverstrengeling. Verdachte was op het moment van zijn samenwerking met [A] werkzaam als parketsecretaris van het [werkgever 2] en dus zelf ook ambtenaar. Zijn eigen belang als ondernemer lijkt de boventoon zijn gaan voeren in zijn handelen, waar een volstrekt zuivere scheiding tussen opdrachtgevers enerzijds en docenten/freelancers anderzijds op zijn plaats was geweest. Dat verdachte op geen enkel moment in zijn samenwerking met de ambtenaar heeft beseft – zoals hij zelf zegt – dat hij de grenzen van het toelaatbare opzocht dan wel overschreed, acht de rechtbank – ondanks dat een strafrechtelijke veroordeling in haar optiek moet uitblijven – niet goed voor te stellen.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en

A. Blanke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Harskamp-Snoeren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2014

tot en met 31 december 2014 te Zutphen, althans in Nederland, (telkens)

opzettelijk een ambtenaar, [A] (werkzaam als eerste luitenant bij de

[werkgever 1] en eigenaar van [bureau 2] ),

een gift of belofte heeft gedaan dan wel een dienst heeft verleend en/of

aangeboden, te weten:

- het (meermalen) betalen van een geldbedrag en/of het (meermalen) gunnen van

werkzaamheden tegen betaling, door hem, verdachte, en/of [bureau 1]

aan [A] en/of aan [bureau 2]

,

met het oogmerk om voornoemde [A] te bewegen om in zijn bediening, al

dan niet in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten en/of ten

gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige of vroegere

bediening is gedaan en/of nagelaten, te weten:

- het aangaan en/of onderhouden van een relatie tussen hem, verdachte, en/of

[bureau 1] en [A] en/of [bureau 2]

, teneinde (aldus) een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen voor

hem, verdachte, en/of [bureau 1] en/of

- het verstrekken/delen van geheime en/of vertrouwelijke en/of

concurrentiegevoelige informatie aan hem, verdachte, en/of aan [bureau 1]

en/of

- ( het bevorderen van) het gunnen aan hem, verdachte, en/of [bureau 1]

van de opdracht(en) voortvloeiend uit de aanbesteding

betreffende de raamovereenkomst Programma afpakken

(artikel 177 Wetboek van Strafrecht / artikel 177a Wetboek van Strafrecht

zoals geldend van 1 april 2010 tot en met 31 december 2014)

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015

tot en met 30 september 2015 te Zutphen, althans in Nederland, (telkens)

opzettelijk een ambtenaar, te weten [A] (werkzaam als eerste

luitenant bij de [werkgever 1] en eigenaar van [bureau 2]

), (een) gift(en) en/of belofte(n) heeft gedaan en/of

(een) dienst(en) heeft verleend en/of aangeboden, te weten:

- het (meermalen) betalen van een geldbedrag en/of het (meermalen) gunnen van

werkzaamheden tegen betaling, door hem, verdachte, en/of [bureau 1]

aan [A] en/of aan [bureau 2]

,

met het oogmerk om voornoemde [A] te bewegen in zijn bediening iets

te doen en/of na te laten en/of ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen

door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten, te

weten:

- het aangaan en/of onderhouden van een relatie tussen hem, verdachte, en/of

[bureau 1] en [A] en/of [bureau 2]

, teneinde (aldus) een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen voor

hem, verdachte, en/of [bureau 1] en/of

- het verstrekken/delen van geheime en/of vertrouwelijke en/of

concurrentiegevoelige informatie aan hem, verdachte, en/of [bureau 1]

en/of

- ( het bevorderen van) het gunnen aan hem, verdachte, en/of [bureau 1]

van de opdracht(en) voortvloeiend uit de aanbesteding

betreffende de raamovereenkomst Programma afpakken;

(artikel 177 Wetboek van Strafrecht zoals geldend vanaf 1 januari 2015)

art 177 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot

en met 31 oktober 2016 te Zutphen, althans in Nederland, (telkens)

opzettelijk een ambtenaar, te weten [A] (werkzaam als eerste

luitenant bij de [werkgever 1] en eigenaar van [bureau 2]

), (een) gift(en) en/of belofte(n) heeft gedaan en/of

(een) dienst(en) heeft verleend en/of aangeboden, te weten:

- het (meermalen) betalen van een geldbedrag en/of het (meermalen) gunnen van

werkzaamheden tegen betaling door hem, verdachte, en/of [bureau 1]

aan [A] en/of aan [bureau 2]

en/of

- het toezeggen van een toekomstige (zakelijke) samenwerking tussen hem,

verdachte, en/of [bureau 1] en [A] en/of

[bureau 2] ,

met het oogmerk om voornoemde [A] te bewegen in zijn bediening iets

te doen en/of na te laten en/of ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen

door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten, te

weten:

- het aangaan en/of onderhouden van een relatie tussen hem, verdachte, en/of

[bureau 1] en [A] en/of [bureau 2]

, teneinde (aldus) een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen voor

hem, verdachte, en/of [bureau 1] en/of

- het bevorderen van het ontstaan van een relatie tussen hem, verdachte, en/of

[bureau 1] en de opvolger van [A] binnen de

[werkgever 1] en/of

- het verstrekken/delen van geheime en/of vertrouweiljke en/of

concurrentiegevoelige informatie aan hem, verdachte, en/of [bureau 1]

en/of

- ( het bevorderen van) het gunnen aan hem, verdachte, en/of [bureau 1]

van de opdracht(en) voortvloeiend uit de aanbesteding

betreffende de raamovereenkomst Bewustwordingstrainingen programma afpakken

en/of

- het bevorderen van een zo hoog mogelijke omzet voor hem, verdachte, en/of

[bureau 1] binnen de raamovereenkomst

Bewustwordingstrainingen programma afpakken;

(artikel 177 Wetboek van Strafrecht)

art 177 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht