Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4687

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
8010647 / ME VERZ 19-128
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1099
Prg. 2019/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Beschikking van 10 oktober 2019

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 8010647 / ME VERZ 19-128 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vezoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,

tevens verwerende partij in het zelfstandig tegenverzoek,
gemachtigde mr. S.J. van der Velde,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

tevens verzoekende partij in het zelfstandig tegenverzoek,
gemachtigde mr. M. Bosma.

Partijen zullen hierna [vezoekster] en [verweerder] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van [vezoekster] , ter griffie ingekomen op 30 augustus 2019;

  • -

    het verweerschrift met zelfstandig tegenverzoek van [verweerder] van 17 september 2019;

  • -

    de brief d.d. 20 september 2019 van mr. Van der Velde met een aanvullende productie.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Mr. Van der Velde heeft pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekening gehouden van wat daarnaast ter zitting is besproken.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1956, is sinds 17 mei 1999 in dienst van [vezoekster] , laatstelijk als afdelingsverantwoordelijke verkoop. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Doe-het-zelfbranche van toepassing. Het maandsalaris van [verweerder] voor gemiddeld 35 uur per week bedraagt € 2.544,14 bruto exclusief emolumenten.

2.2.

[verweerder] is werkzaam op de vestiging van [vezoekster] te [locatie 1] . Op die vestiging zijn 23 personen werkzaam.

2.3.

Op 4 augustus 2019 is een incident voorgevallen tussen [verweerder] en zijn collega, [A] . Op camerabeelden is vastgelegd dat [verweerder] met een grote hamer, een sleg, slaande of zwaaiende bewegingen maakt richting [A] .

2.4.

[A] heeft op 4 augustus 2019 aangifte gedaan van mishandeling. In de aangifte staat onder meer vermeld:

“(…) Onze leidinggevende van vandaag was [verweerder] en met hem heb ik in het verleden al vaker opstootjes gehad. (...)

Zo was er vandaag zondag 4 augustus omstreeks 11:30 uur het volgende gebeurd. Ik had de folders van de aanbiedingen geprint. Ik weet dat hij daar op tegen is omdat hij wilt dat ze pas na 12:00 uur geprint worden, maar als ik deze niet eerst uit print dan kom ik aan het einde van de dag in tijdnood en na 12:00 uur is het vaak drukker in de winkel.

Ik zag dat hij de folders uit mijn handen pakte en van me weg liep. Ik ben toen achter hem aangelopen. Ik wilde met hem in gesprek om uit te leggen waarom ik ze al geprint had. Ik zag dat hij doorliep in de richting van de balie. Ik heb hem gevraagd of hij met mij mee wilde lopen zodat ik hem uitleg kon geven. Ik had daarbij mijn linkerhand op zijn schouder gelegd om hem te begeleiden. Ik hoorde hem vervolgens roepen raak me niet aan. Ik hoorde een kassière zeggen dat er klanten waren. Ik wilde juist dat hij met mij mee liep zodat deze klanten geen getuigen hoefde te zijn van onze discussie. Ik heb hem daarom nog een keer met mijn linkerhand op zijn schouder gelegd en gevraagd of we rustig in het kantoor konden overleggen.

Ik voelde vervolgens ineens dat ik geslagen werd. Ik voelde een stoot op de linkerkant van mijn kin. Dit deed geen pijn. Ik schrok daar behoorlijk van en liep toen weg. Ik zag vervolgens dat hij van de muur een grote hamer pakte. Deze hamer hangt aan de wand van de spullen die wij verhuren. Dit is een houten hamer met een stalen kop van ongeveer 20 centimeter lang en 10 centimeter hoog. Ik zag dat hij deze hamer met twee handen vast hield. Ik zag dat hij de onderkant van de hamer met zijn rechterhand vasthield en de bovengreep met zijn linkerhand. Ik zag dat hij deze hamer eerst naar achteren bewoog en vervolgens met een kracht van meer dan geringe betekenis naar mij sloeg. Ik zag een deel van de zwaai met de hamer en wilde wegrennen. Ik voelde vervolgens een harde klap op mijn rug. Ik werd op dat moment heel erg bang en was bang dat hij mij nog meer zou slaan. Door de adrenaline voelde ik op dat moment nog niets maar nu bijna twee uur later voel ik een behoorlijke pijn in mijn rug en voel ik dat het helemaal stijf wordt. Ik zag dat hij vervolgens de hamer liet vallen maar nog wel op mij af kwam. Omdat ik bang was dat hij mij nog meer aan zou doen heb ik hem met twee armen vastgehouden. Ik deed dit om te voorkomen dat hij mij nog meer aan zou doen. Ik voel nu ook pijn in mijn rechteronder arm. Ik zie dat ik daar ook allemaal striemen heb. Ik denk dat dit komt omdat we samen tegen een stalen zitvlak zijn gekomen en mijn arm daarlangs is gegaan. Er kwam toen een mannelijke klant tussen en ik geloof een collega die ons uit elkaar hebben gehaald.”

2.5.

[vezoekster] heeft [verweerder] op 5 augustus 2019 geschorst.

2.6.

Op 7 augustus 2019 heeft [verweerder] over het incident aan [vezoekster] onder meer verklaard:

“Op zondag 4 augustus 2019, [A] was die dag te laat op zijn werk. Ik was daarover

niet geïrriteerd. Had hier geen problemen mee.

Het begon die dag bij de balie van Workshop. [voornaam van A] stond bij de Deco/Sani balie.

Ik was bij de computer bezig met papierwerk, toen hoorde ik de printer. Dit was de Aktie-folder voor komende week. Toen liep ik naar [voornaam van A] , en zei: “je weet hoe het werkt, na 12:00 uur begin je met de aktie.

Ik heb vervolgens de aktie-papieren mee genomen en [voornaam van A] gezegd “je moet er zijn voor de klanten”. Dit is ook de afspraak die we hebben.

Toen werd [voornaam van A] gelijk agressief (“ [.] weet ervan; [..] weet er van”). Ik zei nogmaals dit is de afspraak “hier moet je het mee doen”.

[voornaam van A] liet mij weten dat hij met mij naar boven wilde, en dat hij weg wilde. Ik heb [voornaam van A] hierop gewaarschuwd dat als hij dit zo doen dit opgevat zou worden als werkweigering (“ik stuur je niet weg”). Ik zei “het is afgelopen, ga je werk doen”, en liep weg.

Toen begon [voornaam van A] achter me te springen, te lopen, te duwen en voor me te springen (met de borst en vingers meerdere malen aan te raken) en riep “geef mij de papieren”. Daarbij raakte hij me meerdere keren aan met zijn vinger en borstkast, Meerdere keren riep ik “raak me niet aan”. Daarbij werd [voornaam van A] steeds imtimiderender en agressiever (“ga nu mee naar boven”).

Op dat moment word ik door [B] geroepen voor een klacht van een klant. Bij de info-balie hoorde ik de klant aan, maar ik wist dat ik niet goed zou kunnen functioneren omdat [voornaam van A] pal achter mij bleef staan.

Ik heb [B] geïnstrueerd hoe verder deze klant (klacht) aan te horen. Je zit in een situatie om “het netjes te houden voor de klant en voor de winkel”.

Tussentijds staat [voornaam van A] pal achter me in mijn personal space. Toen ben ik bij de klant weggegaan (probeer [voornaam van A] te ontwijken). [voornaam van A] blijft achter me aanlopen en springt voor me (“we gaan nu naar boven”). Hij raakte me aan met zijn borst en vinger en liep rood aan in zijn gezicht. [voornaam van A] probeerde vervolgens de papieren uit mijn hand te trekken. [voornaam van C] riep hierop tegen [voornaam van A] “Jongen ga aan je werk”. Elke keer riep ik tegen [voornaam van A] “Raak me niet aan; blijf van me af”.

Toen liep ik richting de verhuur-balie en “daar ging het mis”. Tussen de afscheidingswand en kassawand ging [voornaam van A] te keer (“Ik was zelf een beetje bang van”). Weer probeerde [voornaam van A] de papieren uit mijn handen te trekken.

Ik weet niet meer hoe ik daar ben beland. Ik weet dat ik iets heb gepakt, maar kan me niet meer herinneren wat. Van [voornaam van C] heb ik later begrepen dat dit “een moker” (“Palenrammer”) is geweest. Van de minuten daarna kan ik me niets meer herinneren. “Dat stukje daarachter weet ik niet meer”. Het volgende dat ik me hierna herinner is een meneer (een klant) en collega [B] , die me vasthouden en de klant zei “doe het niet”. Toen ik door de klant vastgehouden werd, zag ik [voornaam van A] bij de klapdeurtjes. (…)”

2.7.

Op 6 augustus 2019 heeft [B] aan [vezoekster] onder meer verklaard:

“(…) [voornaam van verweerder] pakte de papieren af en gaf voor de zoveelste keer aan dat [voornaam van A] naar zijn afdeling moest gaan en gewoon moest gaan werken.

Ik had [voornaam van verweerder] nodig bij de servicebalie en [voornaam van verweerder] kwam mij helpen met een klant en had de papieren vast. [voornaam van A] liep ook hier weer achter hem aan en probeerde de papieren te pakken te terwijl [voornaam van verweerder] mij hielp. Tegen mij zei [voornaam van A] zorg even dat ik de papieren krijg. [voornaam van verweerder] negeerde het en [voornaam van A] wilde gaan praten boven.

[voornaam van verweerder] zei dat dat nu niet kon, het was druk in de winkel en [voornaam van A] moest naar zijn eigen afdeling om klanten te helpen. De actie zou later komen. [voornaam van verweerder] liep naar de computer om wat voor de klant te bekijken en op dat moment raakte [voornaam van A] [voornaam van verweerder] aan voor die papieren en ik denk dat er op dat moment een lichtje uit ging bij [voornaam van verweerder] .

Ik hoorde [voornaam van C] zeggen: “Jongens, niet hier! Er zijn allemaal klanten in de winkel.” Het werd een beetje duwen en trekken en vervolgens zag ik dat [voornaam van verweerder] de hamer in zijn handen had. Ik heb geschreeuwd: “ [voornaam van verweerder] , dit kan je niet doen!” en heb hem van de achterkant vastgehouden. 2 andere klanten sprongen ertussen. (…)”

2.8.

Op 7 augustus 2019 heeft [C] aan [vezoekster] onder meer verklaard:

“(…) [voornaam van verweerder] ging verder met zijn taken en [voornaam van A] bleef in zijn nek hijgen (zelfs toen [voornaam van verweerder] klanten aan het helpen was) hij bleef aandringen dat hij wilde praten boven. Dit ging gepaard met [voornaam van A] die [voornaam van verweerder] meerdere keren aanraakte. [voornaam van verweerder] zei dat hij nu niet wilde praten en droeg [voornaam van A] op om terug te gaan naar zijn afdeling. Dit ging gepaard met [voornaam van verweerder] die meerdere keren zij ‘raak me niet aan’ Ik heb tijdens deze discussie ook aangegeven dat dit niet gepast is en dat ze naar boven moest gaan maar [voornaam van verweerder] wou gewoon aan het werk want het was druk in de winkel. Toen is [voornaam van A] toch de actie papieren gaan printen. Toen [voornaam van verweerder] hierachter kwam vroeg hij ‘waarom doe je dat nou?’ we gaan het niet nu al lopen. [voornaam van verweerder] trok de papieren uit de handen van [voornaam van A] . [voornaam van A] trok deze weer terug en dit ging gepaard met een sterkere kracht waarbij [voornaam van A] [voornaam van verweerder] dus weer aanraakte en duwde.

Toen ging bij [voornaam van verweerder] het lichtje uit denk ik. [voornaam van verweerder] pakte de palenrammer uit het [....] schap en haalde uit naar [voornaam van A] . [voornaam van A] stapte naar achter waardoor de hamer hem net miste. Daarna zijn ze in elkaar verwikkeld geraakt en vielen ze samen op de grond [voornaam van A] onderop. Een klant die ik hielp achter de kassa en mijn collega [B] hebben hun uit elkaar gehaald.

(…)

De hele situatie ging heel snel en had voorkomen kunnen worden als [voornaam van A] respect had gehad voor [voornaam van verweerder] zijn wensen en ruimte. [voornaam van A] heeft [voornaam van verweerder] tot het randje gepusht en hierdoor knapte hij. [voornaam van verweerder] werd in het nauw gedreven. (…)”

2.9.

De heer [D] , klant van [vezoekster] , heeft op 9 augustus 2019 aan [vezoekster] onder meer verklaard:

“Op zondag 4 augustus 2019 was ik als klant aanwezig in de [vezoekster] [locatie 1] , om te zoeken naar een kloofhamer en wat andere spullen.

Ik vroeg aan [voornaam van verweerder] naar een kloofhamer. [voornaam van verweerder] en [voornaam van A] stonden tegenover elkaar (op dat moment nog rustig) en [voornaam van verweerder] zei tegen [voornaam van A] : “Ga weg, ga naar achteren, je moet wegwezen”. [voornaam van A] zei hierop tikkend op zijn schouder “ik ga niet weg, ik wil dat je mee gaat naar achter om te praten”. Ze stonden met hun gezichten pal tegenover elkaar. [voornaam van verweerder] zei: “ik ga niet praten, je moet wegwezen”, en gaf [voornaam van A] hierbij een douw”. [voornaam van A] viel hierbij tegen de info-balie achter de kassa aan.

Het ging allemaal zo snel, [voornaam van verweerder] pakte “iets groots”, volgens mij was een grote hamer/moker. (U liet mij een plaatje hiervan zien (zie bijlage bij deze verklaring). “Ja, volgens mij was die het”) en [voornaam van verweerder] ging [voornaam van A] er mee te lijf door een gerichte slaande beweging te maken naar [voornaam van A] . [voornaam van verweerder] sloeg direct gericht en heeft niet eerst gedreigd of gewaarschuwd. Ik weet niet of de hamer [voornaam van A] geraakt heeft. Bij deze klap is de hamer gevallen (“ik denk dat het waarschijnlijk te zwaar voor [voornaam van verweerder] was, want het was een grote hamer”). Ik weet niet of [voornaam van A] is geraakt of dat hij de klap heeft ontweken, [voornaam van A] lag op dat moment op de grond. Ik schreeuwde “Nee, nee, nee” en ben er tussen gesprongen. Daarbij heb ik [voornaam van verweerder] vastgehouden/beetgehouden. (…)”

2.10.

Op 15 augustus 2019 schrijft [E] , medewerkster van [vezoekster] , welke brief mede is ondertekend door 19 medewerkers van [vezoekster] , onder meer:

“Het mag duidelijk zijn dat wat [voornaam van verweerder] gedaan heeft, niet kan. Het had nooit mogen gebeuren, maar er zit wel een oorzaak achter. Het gaat niet alleen maar om een hamer. Er zit ook een persoon achter die hamer die al 20 jaar naar tevredenheid bij [vezoekster] werkt.

[voornaam van verweerder] is een fijne collega. Als er iemand is die hart voor de zaak heeft dan is het [voornaam van verweerder] wel. (…) [vezoekster] moet zich gelukkig prijzen met een collega zoals [voornaam van verweerder] . Klanten lopen met hem weg en vragen zelfs naar hem. Ik denk dat de klanten die weten wat er gebeurd is heel verontwaardigd zullen reageren als ze horen dat hij ontslagen is. (…)

Geloof me, [voornaam van A] kan het bloed onder je nagels vandaan halen en helaas is [voornaam van verweerder] daar nu de dupe van. Bedenk eens hoe je het zelf zou vinden als iemand je constant achtervolgd en in je “personal space” staat. Zelfs met zijn borst tegen je aan gaat staan? Je continu aanraakt terwijl je al meerdere malen hebt gevraagd dit niet te doen.

Ik vind dit zo erg en oneerlijk voor [voornaam van verweerder] . Ik schrijf dit omdat ik zo hoop dat hij toch bij ons mag blijven werken. De man is 63 jaar en er is nog nooit zoiets gebeurd. Moet hij nu hierdoor zijn baan verliezen? Omdat een collega je zo dwars zat en tergde waardoor de emmer overliep? Geef hem alsjeblieft nog een kans. Hij verdient het echt niet om ontslagen te worden. (…)

Ik hoop dat ik u met deze brief kan overtuigen dat ontslag niet per se de juiste oplossing is.”

3 Het verzoek

3.1.

[vezoekster] verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 onder a en artikel 7:669 lid 3 sub e en g Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen met ingang van de datum van deze beschikking.

3.2.

[vezoekster] voert daartoe aan dat [verweerder] een medewerker met een hamer te lijf is gegaan. [verweerder] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan zodanig verwijtbaar handelen dat van [vezoekster] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verweerder] had als leidinggevende anders kunnen en moeten reageren op het gedrag van de jonge medewerker. [vezoekster] kan geen risico nemen als het gaat om de veiligheid en gezondheid van haar personeel en bezoekers. Subsidiair heeft [vezoekster] aangevoerd dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Er is bij [vezoekster] geen vertrouwen dat de geweldsuitbarsting eenmalig was. [vezoekster] dient voor een veilige omgeving te zorgen voor werknemers en bezoekers en kan zich niet permitteren om [verweerder] nog een kans te geven. Met het oog op de feiten en omstandigheden kan van [vezoekster] herplaatsing niet worden gevergd. Volgens [vezoekster] is de situatie aan [verweerder] ernstig verwijtbaar zodat er geen aanleiding is voor het toekennen van een transitievergoeding noch een billijke vergoeding en dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald op de datum van deze beschikking.

4 Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek

4.1.

[verweerder] voert verweer. Hij stelt zich primair op het standpunt dat geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat. [verweerder] verzoekt dan ook [vezoekster] te veroordelen tot opheffing van de non-actiefstelling en [verweerder] toe te laten tot de bedongen werkzaamheden primair bij de vestiging te [locatie 1] en subsidiair bij een vestiging te [locatie 2] . Voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, verzoekt [verweerder] om rekening te houden met de opzegtermijn van 4 maanden en toekenning van een transitievergoeding van € 39.432,00 en een billijke vergoeding van € 109.398,02.

4.2.

[verweerder] voert daartoe aan dat hij ruim 20 jaar een onberispelijke staat van dienst heeft bij [vezoekster] . Vanaf medio 2017 hebben zich tussen hem en [A] conflictsituaties voorgedaan. Hiervan heeft [verweerder] meermaals melding gemaakt bij de vestigingsmanager. Op 4 augustus 2019 is de situatie geëscaleerd. [A] heeft [verweerder] minstens 20 minuten lang geprovoceerd. [verweerder] heeft geprobeerd daar geen aandacht aan te besteden en weg te lopen. Op enig moment stond [A] weer voor [verweerder] met een zeer agressieve houding. [verweerder] kon geen kant op en heeft op dat moment de sleg gepakt om zich tegen een aanval althans het provocerende gedrag van [A] te verdedigen. Onder deze omstandigheden was de handelwijze van [verweerder] niet geheel onbegrijpelijk. Van een verstoorde arbeidsrelatie is geen sprake. Een ontbinding heeft voor [verweerder] , gelet op zijn leeftijd en de eenzijdige werkervaring ernstige gevolgen. De kans dat een vergelijkbaar incident zich in de toekomst zal voordoen is nihil tot zeer klein.

5 De beoordeling

5.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van [vezoekster] is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond. [vezoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van verwijtbaar handelen van de werknemer in de zin van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW juncto artikel 669 lid 3, aanhef en onder e danwel dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder g BW. Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW dient de kantonrechter te onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan en – daarmee – of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

Opzegverbod

5.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Dit is niet het geval.

Redelijke grond

5.3.

Over de vraag of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, wordt het volgende overwogen.

5.4.

Uit de overgelegde beelden blijkt dat [verweerder] met een voorwerp een slaande of zwaaiende beweging richting [A] maakt. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dat het voorwerp een zware hamer oftewel een “sleg” betreft. [verweerder] heeft bij de politie verklaard dat hij iets heeft gepakt om zichzelf te verdedigen. Hij wilde iets pakken om [A] van zich af te houden. Verder heeft [verweerder] verklaart dat dat het enige is wat hij zich nog van de gebeurtenis kan herinneren.

Hiermee staat vast dat [verweerder] met een sleg een slaande en/of zwaaiende beweging naar [A] heeft gemaakt. Door op deze wijze te handelen heeft [verweerder] de grens van het toelaatbare overschreden. Of [verweerder] [A] daadwerkelijk heeft geraakt of niet maakt de gedraging niet minder erg. Het ging hier om een behoorlijk zware hamer waartegen [A] zich heeft moeten verweren. Dat de gedragingen van [A] voorafgaand aan het incident al dan niet provocerend waren, maakt het voorgaande evenmin anders. Van [verweerder] als leidinggevende mag worden verwacht dat hij anders had gehandeld richting een medewerker en geen geweld gebruikt althans poogt te gebruiken. Dit geldt temeer nu dit op de werkvloer is gebeurd waar klanten bij aanwezig waren.

5.5.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat wel sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Herplaatsing ligt niet in de rede als sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW.

Einddatum

5.6.

Nu het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. Volgens artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW geldt dat voor de ontbindingsdatum rekening dient te worden gehouden met de geldende opzegtermijn, door het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, waarbij de duur van de ontbindingsprocedure in mindering wordt gebracht, met een minimum van een maand.

5.7.

[vezoekster] heeft verzocht om geen rekening te houden met de geldende opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden. De vraag die daarvoor dient te worden beantwoord is of er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van ernstig verwijtbaar handelen. Mogelijk heeft [A] door zijn handelswijze irritatie opgewekt en [verweerder] geprovoceerd en zag [verweerder] geen andere mogelijkheid dan zich op de wijze zoals hij heeft gedaan te verweren tegen [A] , de reactie van [verweerder] was echter disproportioneel. [verweerder] had dit op een andere wijze dienen op te lossen. Echter gelet op de omstandigheden van het geval waaronder het feit dat [verweerder] 20 jaar naar tevredenheid bij [vezoekster] heeft gewerkt en dat 19 van de 23 medewerkers van [vezoekster] hebben aangegeven dat [A] provocerend richting [verweerder] was en dat zij hem graag terug zouden zien keren bij [vezoekster] , ziet de kantonrechter geen aanleiding voor toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a BW, zodat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden met ingang van 1 januari 2020.

In de zaak van het tegenverzoek

5.8.

[verweerder] heeft bij wijze van tegenverzoek gevraagd om wedertewerkstelling. Gelet op het vorenstaande zal dit verzoek worden afgewezen.

Transitievergoeding

5.9.

[verweerder] heeft verzocht om, in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, te bepalen dat [vezoekster] aan hem een transitievergoeding van € 39.432,00 bruto verschuldigd is. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

5.10.

Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is geen transitievergoeding verschuldigd indien het eindigen of niet voort zetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Hiervoor is reeds geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . In beginsel heeft [verweerder] dan ook geen recht op een transitievergoeding.

5.11.

Op grond van artikel 7:673 lid 8 BW kan in afwijking van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW de kantonrechter toch een transitievergoeding toekennen indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Blijkens de wetsgeschiedenis kan hierbij gedacht worden aan gevallen waarin een werknemer een misstap begaat na een heel lang dienstverband.

5.12.

Naar het oordeel van de kantonrechter is daar hiervan sprake. [verweerder] is eenmalig in de fout gegaan en daarbij is, alhoewel [vezoekster] anders heeft betoogt, niet gebleken dat de kans aanwezig is dat dit gauw weer zal gebeuren. De kantonrechter neemt tevens in aanmerking dat voldoende is komen vast te staan dat het handelen van [verweerder] mede is veroorzaakt door het provocerend gedrag van [A] . Daarbij komt dat er sprake is van een langdurig dienstverband, 20 jaar, waarbij sprake is van, zoals door [verweerder] onbetwist gesteld, een onberispelijke staat van dienst. Verder zal ontbinding van de arbeidsovereenkomst (al dan niet op de langere termijn) gevolgen hebben voor de inkomenssituatie van [verweerder] . Mede gezien zijn leeftijd, 63 jaar, zal [verweerder] wellicht niet gemakkelijk een andere, vergelijkbare baan tegen hetzelfde salaris vinden.

Het geheel vervallen van het recht op transitievergoeding is onder die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De kantonrechter is van oordeel dat een gedeeltelijke toekenning, te weten 50% van de transitievergoeding, recht doet aan de omstandigheden van dit geval.

5.13.

[verweerder] heeft onbetwist gesteld dat een volledige transitievergoeding uitkomt op een bedrag van € 39.432,00 bruto. Daarvan zal dus 50% worden toegekend, derhalve een bedrag van € 19.716,00 bruto.

Billijke vergoeding

5.14.

Voorts heeft [verweerder] verzocht hem ingeval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst een ten laste van [vezoekster] komende billijke vergoeding toe te kennen van € 109.398,02. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

5.15.

Er is geen wettelijke grondslag voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] . Artikel 7:671 b lid 8 aanhef en onder c BW stelt namelijk als voorwaarde dat sprake moet zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en hiervan is niet gebleken. Het verzoek van [verweerder] hiertoe zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

5.16.

De proceskosten zowel in het verzoek als het zelfstandig tegenverzoek worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5.17.

In artikel 7:686a lid 6 BW is bepaald dat, alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding wordt verbonden wordt uitgesproken, de rechter partijen van zijn voornemen in kennis stelt en een termijn stelt waarbinnen de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Nu aan de ontbinding een (gedeeltelijke) transitievergoeding wordt verbonden, zal [vezoekster] in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

6 De beslissing

De kantonrechter:

In het verzoek en het zelfstandig tegenverzoek

- stelt [vezoekster] in de gelegenheid uiterlijk 1 november 2019 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

- verklaart voor recht dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] ;

- bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2020;

- veroordeelt [vezoekster] om aan [verweerder] een transitievergoeding van € 19.716,00 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 februari 2020 tot de voldoening;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

- veroordeelt [vezoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot deze beschikking begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2019.