Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4673

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
11-10-2019
Zaaknummer
7958556 UT VERZ 19-12406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het verzoek op grond van artikel 4:198 BW wordt door de kantonrechter afgewezen. Artikel 4:198 BW geeft de kantonrechter een beperkte bevoegdheid om af te wijken van het uitgangspunt dat de erfgenamen als vereffenaars de nalatenschap gezamenlijk vereffenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0245
JERF 2019/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Toezicht

kantonrechter

zaaknummer: 7958556 UT VERZ 19-12406

Beschikking d.d. 25 september 2019

inzake het verzoek van

[verzoeker] ,

gemachtigde: mr. M. van den Bos, werkzaam bij ARAG te Leusden,

verder te noemen verzoeker.

Het verzoek betreft de nalatenschap van:

[A] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1923, overleden te [plaatsnaam] op [overlijdensdatum 1] 2018, laatst gewoond hebbende te [woonplaats 1] , verder te noemen erflater.

Belanghebbenden in deze zaak zijn

[belanghebbende 1] ,

gemachtigde: mr. L.E.M. de Vries-Blom, werkzaam bij EBH Legal te Honselersdijk,

verder te noemen [voornaam van belanghebbende 1] ,

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verder te noemen [voornaam van belanghebbende 2] ,

[belanghebbende 3] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verder te noemen [voornaam van belanghebbende 3] ,

[belanghebbende 4] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

verder te noemen [voornaam van belanghebbende 4] .

1 De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen op 28 juni 2019;

  • -

    de brief van [voornaam van belanghebbende 3] van 2 september 2019;

  • -

    de brief van mr. De Vries-Blom van 2 september 2019;

  • -

    de machtiging van [voornaam van belanghebbende 2] van 1 september 2019 met zijn brief van 30 augustus 2019.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 11 september 2019. Verschenen zijn verzoeker met zijn gemachtigde en [voornaam van belanghebbende 4] .

[voornaam van belanghebbende 2] , [voornaam van belanghebbende 1] en [voornaam van belanghebbende 3] zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Na de zitting heeft de kantonrechter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van verzoeker, ingekomen op 23 september 2019. De bijlagen zijn de overlijdensakte van [C] , het afschrift uit de Basisregistratie Personen van [voornaam van belanghebbende 4] en een uittreksel uit het Centraal Testamentenregister.

2 De feiten

Uit de verklaring van erfrecht van 2 oktober 2018 blijkt het volgende.

Erflater is gehuwd geweest met [B] , overleden op [overlijdensdatum 2] 2003, verder te noemen erflaatster. Uit het huwelijk van erflater en erflaatster zijn vijf kinderen geboren, namelijk verzoeker, [voornaam van belanghebbende 1] , [voornaam van belanghebbende 2] en [voornaam van belanghebbende 3] voornoemd. Voorts is uit dat huwelijk geboren [voornaam van C] . Zij is overleden op [overlijdensdatum 3] 2019. Uit het uittreksel van het Centraal Testamentenregister van 14 september 2019 blijkt dat [voornaam van C] geen testament heeft laten opmaken. Derhalve laat zij haar echtgenoot [voornaam van belanghebbende 4] op grond van de wet achter als (bevoegde) erfgenaam.

Erflater heeft tot zijn enige erfgenamen achtergelaten zijn vijf kinderen, ieder voor 1/5e deel. De nalatenschap is door hen allen beneficiair aanvaard. De nalatenschap dient wettelijk vereffend te worden.

Uit de akte van 27 juni 2018 blijkt dat erflater aan [voornaam van belanghebbende 1] en [voornaam van belanghebbende 3] hun vorderingen vanwege de ouderlijke boedelverdeling na het overlijden van erflaatster inclusief rente van

€ 45.313,32 per persoon heeft voldaan.

Uit de akte van 27 juni 2018 blijkt dat erflater aan [voornaam van belanghebbende 3] een auto heeft geschonken.

Uit de boedelbeschrijving van 19 december 2018 blijkt dat de nalatenschap van erflater negatief is.

3 De overwegingen van de kantonrechter

3.1.

Voor ligt het verzoek op grond van artikel 4:198 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te bepalen dat door verzoeker zelfstandig als vereffenaar een rechtsvordering kan worden ingediend tot vernietiging van de schenking aan [voornaam van belanghebbende 3] en betaling van de moederlijke erfdelen aan [voornaam van belanghebbende 1] en [voornaam van belanghebbende 3] . Verzoeker is van mening dat [voornaam van belanghebbende 1] en [voornaam van belanghebbende 3] de door erflater betaalde vorderingen en de schenking aan [voornaam van belanghebbende 3] (deels) moeten terugbetalen. Nu zijn zij immers bevoordeeld ten opzichte van de andere schuldeisers van de nalatenschap. Verzoeker, [voornaam van belanghebbende 2] en [voornaam van belanghebbende 4] (als erfgenaam van [voornaam van C] ) hebben namelijk ook een vordering op de nalatenschap vanwege de ouderlijke boedelverdeling na het overlijden van erflaatster. Deze vorderingen kunnen nu niet worden voldaan omdat de nalatenschap negatief is. De vernietiging van de schenking en betaling van de vorderingen door verzoeker worden niet geaccepteerd door [voornaam van belanghebbende 1] en [voornaam van belanghebbende 3] . Daardoor ligt de vereffening stil en is er geen overstemming tussen de vereffenaars over hoe de vereffening moet worden voltooid, aldus verzoeker. Ter terechtzitting is namens verzoeker aangevoerd dat artikel 4:198 BW de kantonrechter een ruime bevoegdheid geeft om ten behoeve van de vereffening voorzieningen te treffen zoals wordt gevraagd.

3.2.

[voornaam van belanghebbende 1] en [voornaam van belanghebbende 3] hebben kenbaar gemaakt dat zij geen behoefte hebben aan het indienen van een verweerschrift noch aan een mondelinge behandeling.

3.3.

[voornaam van belanghebbende 2] heeft verzoeker gemachtigd om namens hem het woord te voeren. Uit de brief van 30 augustus 2019 van [voornaam van belanghebbende 2] blijkt dat hij het eens is met de stellingen van verzoeker. [voornaam van belanghebbende 4] heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij het (namens [voornaam van C] ) ook eens is met verzoeker.

3.4.

De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 4:198 BW is bepaald dat tenzij de kantonrechter anders bepaalt, de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uitoefenen, doch kunnen daden van gewoon onderhoud en tot behoud van de goederen, en in het algemeen daden die geen uitstel kunnen lijden, door ieder van hen zo nodig zelfstandig worden verricht. Uitgangspunt is dus dat de erfgenamen gezamenlijk de nalatenschap vereffenen. De erfgenamen kunnen daden die geen uitstel kunnen lijden zelfstandig verrichten. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie blijkt niet in welke gevallen de kantonrechter kan bepalen dat wordt afgeweken van voormeld uitgangspunt. Naar het oordeel van de kantonrechter geeft de wijze van formulering van artikel 4:198 BW echter aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een beperkte bevoegdheid om af te wijken van het uitgangspunt. Als de kantonrechter al afwijkt van dit uitgangspunt zal het, gezien de systematiek van de wet, moeten gaan om voorzieningen te kunnen treffen ten behoeve van de nalatenschap als geheel, waarbij één of meerdere vereffenaars niet in staat of niet beschikbaar is/zijn om de bevoegdheden gezamenlijk met de andere vereffenaars uit te oefenen.

3.5.

In het onderhavige geval is er kennelijk sprake van onenigheid tussen de erfgenamen over de samenstelling danwel afwikkeling van de nalatenschap, zelfs in die mate dat verzoeker overweegt een procedure aan te spannen tegen twee van de erfgenamen. Artikel 4:198 BW is er, naar het oordeel van de kantonrechter, niet voor bedoeld om uiteenlopende geschillen over de vereffening tussen de erfgenamen voor te leggen aan de kantonrechter. Daar heeft de wetgever andere voorzieningen in de wet voor opgenomen. Indien het de erfgenamen als vereffenaars niet lukt om de nalatenschap gezamenlijk te vereffenen, kan de rechtbank worden verzocht om een (professionele) vereffenaar te benoemen. Een dergelijke procedure lijkt de juiste weg in deze zaak. De kantonrechter zal het verzoek gelet op het voorgaande afwijzen.

4 De beslissing

De kantonrechter wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Crouwel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van mr. R.H.M. den Ouden, griffier in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.