Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4665

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
UTR 19/991
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Pv mondelinge uitspraak. Aow, afwijzing aanvraag, niet verzekerd voor de AOW, geen duurzame persoonlijke band met Nederland, Koppelingswet. Beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/991

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

30 september 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. O.F.M. Vonk).

Inleiding

Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij is op [1942] geboren. Op [1998] is zij in Nederland komen wonen. Op [2007] is eiseres 65 jaar geworden.

Zij had voor haar 65e verjaardag een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) te krijgen. Op 12 juli 2007 heeft verweerder besloten dat eiseres per juli 2007 recht had op een AOW uitkering. Op 7 november 2007 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat zij toch geen recht had op een AOW uitkering en de uitkering beëindigd. Het bedrag dat eiseres al aan AOW had gekregen, hoefde zij niet terug te betalen. Deze twee besluiten heeft eiseres niet aangevochten.

Per 2 mei 2011 is aan eiseres een verblijfsvergunning gegeven. Op 1 juli 2018 heeft eiseres weer een aanvraag gedaan om een AOW uitkering te kunnen krijgen.

In het besluit van 30 augustus 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres vóór haar 65e geen geldige verblijfstitel had en dus niet verzekerd is geweest voor de AOW. Het bezwaar van eiseres daartegen heeft verweerder in het besluit van
31 januari 2019 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zijn uitleg genuanceerd. Volgens verweerder is eiseres vanaf 1 juli 1998 op basis van de Koppelingswet niet verzekerd voor AOW. In de periode daarvoor (van [1998] tot 1 juli 1998) had eiseres wel verzekering kunnen opbouwen, maar ontbreekt de hiervoor noodzakelijke duurzame persoonlijke band met Nederland.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 30 september 2019 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.

Uitleg van de rechtbank

1. Allereerst wijst de rechtbank het door eiseres gedane verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht toe.

2. Deze zaak gaat over de vraag of eiseres verzekerd was voor de AOW vanaf de dag dat zij naar Nederland is gekomen, [1998] , tot aan de dag dat zij 65 jaar werd, [2007] . Dit tijdvak noemt de rechtbank de te beoordelen periode. Als eiseres in de te beoordelen periode niet verzekerd was voor de AOW, heeft zij geen recht op een AOW uitkering.

3. Eiseres vindt dat het standpunt van verweerder dat zij in de te beoordelen periode niet verzekerd was, omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor een ingezetene van Nederland, niet klopt. Volgens eiseres deelt verweerder de te beoordelen periode ten onrechte op in twee periodes. Ook klopt het niet dat er geen sprake is van een duurzame persoonlijke band met Nederland. Zij heeft daarvoor verschillende argumenten gegeven. De rechtbank zal hierna op die verschillende argumenten ingaan.

4. De rechtbank stelt vast dat de Koppelingswet op 1 juli 1998 in werking is getreden. De Koppelingswet is dwingend recht. Vanaf het moment van in werking treding daarvan is eiseres niet verzekerd voor AOW zolang zij geen rechtmatig verblijf had. Dat is bij eiseres het geval geweest tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd. Die periode vanaf 1 juli 1998 heeft dus niet geleid tot het opbouwen van een verzekering voor de AOW.

5. Dan blijft over de periode van [1998] tot 1 juli 1998. Over die periode is de vraag of eiseres ingezetene van Nederland, en dus verzekerd voor de AOW, was. De hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), heeft bepaald dat iemand een ingezetene van Nederland is, als die persoon een duurzame band met Nederland heeft van persoonlijke aard. Dat betekent dat er een sterke band moet zijn tussen die persoon en Nederland. De vraag of sprake is van zo’n sterke band, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het geval. Gekeken moet worden naar de combinatie van al die feiten en omstandigheden.

6. Eiseres stelt in haar beroepschrift dat die sterke band blijkt uit het feit dat zij vanaf het eerste moment dat zij naar Nederland kwam al de bedoeling had om altijd in Nederland te blijven. Eiseres heeft wel verklaard dat zij die bedoeling had, maar die bedoeling alleen betekent nog niet dat er ook een sterke band tussen eiseres en Nederland bestaat. Dat heeft de CRvB bepaald. Bovendien vindt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiseres die bedoeling meteen al had. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar blijkt dat zij naar Nederland kwam voor een operatie. Deze operatie is volgens eiseres slecht gegaan, waardoor zij sindsdien voor haar gezondheidsklachten zorg nodig heeft. De omstandigheid dat zij nu nog steeds in Nederland blijft, kan niet gebruikt worden om aan te tonen dat eiseres toen zij naar Nederland kwam de bedoeling had om altijd in Nederland te blijven.

7. Op zitting heeft eiseres nog gezegd dat andere omstandigheden ook leiden tot een duurzame persoonlijke band. Volgens eiseres blijkt dat uit het gegeven dat zij schoolgaande kinderen had, al haar zeven kinderen in Nederland woonden, haar familie in Nederland woonde, ze gescheiden was van haar echtgenoot in Marokko en er dus geen reden of aanwijzing was dat zij naar Marokko terug zou gaan. Deze aspecten zijn pas ter zitting naar voren gebracht. Uit het dossier blijkt wel dat eiseres enige familie in Nederland heeft. De overige omstandigheden zijn niet eerder gebleken. Ze staan niet in de aanvraag genoemd en ze zijn niet met stukken onderbouwd. Het is aan eiseres als aanvraagster om de genoemde omstandigheden aan te tonen. Dat de op zitting genoemde omstandigheden niet in de besluitvorming zijn meegewogen, is verweerder dan niet tegen te werpen.

8. Dat de Minister voor Immigratie en Asiel op 2 mei 2011 aan eiseres een verblijfsvergunning heeft gegeven, vanwege de sterke band met haar zoon, betekent niet dat er daarom al per [1998] een sterke band was tussen eiseres en Nederland. De verblijfsvergunning heeft eiseres pas ruim na haar pensioenleeftijd gekregen. De verblijfsvergunning heeft geen terugwerkende kracht en geldt ook niet voor de periode voor 2 mei 2011.

9. Eiseres vindt verder dat zij door het niet krijgen van een AOW uitkering geen familie- en gezinsleven kan hebben, zoals dit door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt beschermd. Waarom dit zo zou zijn, heeft eiseres niet uitgelegd. Bovendien heeft eiseres zelf gezegd dat ze sinds haar komst naar Nederland de eerste twee jaar bij een zoon heeft gewoond en dat zij daarna bij een andere zoon en schoondochter is gaan wonen. Hieruit blijkt dat eiseres een familie- en gezinsleven heeft en ook altijd heeft gehad sinds zij in Nederland is. De rechtbank kan dan ook niet tot de conclusie komen dat artikel 8 van het EVRM niet is nagekomen toen verweerder besloot eiseres geen AOW uitkering te geven.

10. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Verweerder hoeft daarom niet de proceskosten van eiseres te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

30 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Partijen kunnen hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Dat kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.