Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4664

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
NL18.15189
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten bij inscharing jongvee, Redelijkheid en billijkheid. Schadestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.15189

Vonnis van 4 oktober 2019

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat J.M.M. Menu te Tilburg,

tegen

1 de maatschap
[verweerster sub 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [verweerster sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

vennoot van verweerder 1,
3. [verweerster sub 3],
wonende te [woonplaats] ,

vennoot van verweerder 1,
verweerders, hierna samen te noemen: [achternaam] ,
advocaat P.J.G. Goumans te Nijmegen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding met producties,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de aanvullende producties van [eiser] ,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 juni 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

Waar gaat het om?

2.1.

[eiser] exploiteert een melkrundveebedrijf. In de periode van 21 april tot

2 november 2015 heeft [eiser] 30 stuks van zijn jongvee (hierna ook: het jongvee) in de

weilanden van [achternaam] ondergebracht. Partijen zijn daarvoor mondeling een vergoeding van

€ 200,- per dier overeengekomen.

2.2.

In verband met het terugdringen van de fosfaatproductie door de Nederlandse

melkveehouderij is op 1 januari 2018 de Meststoffenwet (hierna ook: Mw) gewijzigd en is

het fosfaatrechtenstelsel ingevoerd. Dat stelsel houdt kort gezegd in dat melkveehouders per

1 januari 2018 fosfaatrechten (berekend in kilogram fosfaat) krijgen toebedeeld op basis van

het aantal stuks melkvee dat zij op 2 juli 2015 hielden en dat op hun naam stond

geregistreerd in het Identificatie & Registratiesysteem (hierna: het I & R-systeem) van de

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RVO). Een melkveehouder mag met

zijn melkvee niet meer mest (uitgedrukt in kilogram fosfaat) produceren dan het aantal

fosfaatrechten dat hij heeft. Als een melkveehouder te weinig fosfaatrechten heeft, zal hij

melkvee weg moeten doen of fosfaatrechten moeten bijkopen.

2.3.

Op de peildatum 2 juli 2015 stond het jongvee dat [achternaam] voor [eiser] hield in

het I & R-systeem van de RVO geregistreerd op naam van [achternaam] . [achternaam] heeft daarom

per 1 januari 2018 de fosfaatrechten toebedeeld gekregen die gekoppeld waren aan dat

jongvee (hierna: de fosfaatrechten).

2.4.

[eiser] meent dat de fosfaatrechten aan hem toekomen. Hij heeft [achternaam]

verzocht de fosfaatrechten aan hem over te dragen. [achternaam] heeft dat geweigerd. [eiser]

is vervolgens deze rechtszaak gestart. Hij vordert, samengevat:

1. een verklaring voor recht dat [eiser] in zijn onderlinge verhouding tot [achternaam] ten

volle rechthebbende is van de fosfaatrechten, dan wel voor een door de rechtbank te

bepalen deel;

2. hoofdelijke veroordeling van [achternaam] tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft

geleden en nog zal lijden als gevolg van de weigering van [achternaam] om de fosfaatrechten

aan [eiser] over te dragen, op te maken bij staat;

3. hoofdelijke veroordeling van [achternaam] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met

de wettelijke rente.

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderlinge verhouding tussen partijen de

helft van de fosfaatrechten aan [eiser] toekomt. Zij zal hierna uitleggen waarom.

Uitleg van de overeenkomst: inscharing weideseizoen 2015

2.6.

Uitgangspunt van de wetgever is dat fosfaatrechten worden toegekend aan de

houder van het melkvee op basis van het aantal door hem gehouden stuks op 2 juli 2015

(artikel 23 lid 3 Mw). Daarbij is het feitelijk houderschap van het melkvee en niet de

eigendomssituatie doorslaggevend (Kamerstukken II 2015/2016, 34532 nr. 3). Dat betekent

dat de fosfaatrechten in beginsel toekomen aan [achternaam] , als houder van het jongvee op de

peildatum 2 juli 2015.

2.7.

[eiser] betwist dat (bestuursrechtelijke) uitgangspunt niet, maar stelt dat hij in

de (civielrechtelijke) rechtsverhouding tot [achternaam] als rechthebbende van de fosfaatrechten

moet worden aangemerkt. Volgens [eiser] zijn partijen in april 2015 mondeling

overeengekomen dat [achternaam] het jongvee van [eiser] tijdelijk, tot het einde van het

weideseizoen, zou inscharen. [eiser] had namelijk op 1 april 2015 zijn pols gebroken en

was daardoor niet in staat om het jongvee te verzorgen. Het jongvee is vervolgens van

21 april tot 2 november 2015 bij [achternaam] ingeschaard. Het is puur toeval dat de wetgever

2 juli 2015 als peildatum voor de toekenning van fosfaatrechten heeft gekozen en dat

uitgerekend op dat moment het jongvee van [eiser] bij [achternaam] was ingeschaard.

Gelet op de kortstondige periode van inscharing meent [eiser] dat de aanvullende

werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat [achternaam] de fosfaatrechten, dan wel

een gedeelte daarvan, aan hem moest overdragen. [achternaam] heeft dat echter geweigerd.

[eiser] beschikte daardoor over te weinig fosfaatrechten en heeft een deel van zijn dieren

moeten ruimen. Hij houdt [achternaam] aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg daarvan

lijdt en heeft geleden.

2.8.

[achternaam] voert aan dat [eiser] hem het jongvee in april 2015 in opfok heeft

gegeven met de intentie om voor een langere periode samen te werken. Op die manier kon

[eiser] meer ruimte maken voor melkkoeien en zijn melkproductie maximaliseren,

waardoor hij meer fosfaatrechten kon verkrijgen. Partijen hebben de mondelinge

overeenkomst in maart 2015 gesloten. [eiser] had toen zijn pols nog niet gebroken. Dat is

pas gebeurd nadat [eiser] het jongvee bij [achternaam] had gebracht. In november 2015 heeft

[eiser] het jongvee opgehaald en de samenwerking met [achternaam] verbroken. [achternaam]

exploiteert een vleesvee- en zoogkoeienhouderij en een opfokbedrijf. Hij heeft de

fosfaatrechten nodig om zijn bedrijf voort te kunnen zetten. Dat weegt extra zwaar omdat

[achternaam] vee van zichzelf heeft uitgeschaard om ruimte te maken voor het jongvee van

[eiser] . Daardoor zijn de fosfaatrechten die zijn gekoppeld aan dat vee (ook) aan een

ander toegekend. Bovendien pacht [achternaam] een deel van zijn bedrijfsgronden. Het is niet

uitgesloten dat de verpachter bij het einde van de pachtovereenkomst aanspraak maakt op

fosfaatrechten die op zijn gronden zijn verkregen. [achternaam] meent daarom dat hij niet

gehouden is de fosfaatrechten aan [eiser] over te dragen en dus ook niet schadeplichtig

is.

2.9.

In geschil is dus of sprake is van een opfokovereenkomst voor onbepaalde tijd of

een inscharingsovereenkomst voor bepaalde tijd. Bij de uitleg van een (mondelinge)

overeenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en

weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat

zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

2.10.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [achternaam] verklaard dat vee ook in het

kader van opfokken kan worden uitgeschaard, dat in- en uitscharen seizoensgebonden is en

dat hij niet over stallen beschikt. De rechtbank leidt hieruit af dat het jongvee aan het einde

van het weideseizoen 2015 weer terug naar [eiser] moest. Het jongvee kon in de winter

immers niet bij [achternaam] blijven. [achternaam] heeft verder verklaard dat partijen alleen over de

zomerperiode van 2015 hebben gesproken, maar dat hij het gevoel had dat “ze zo verder

zouden gaan”. [achternaam] heeft niet uitgelegd waarom hij dat gevoel had. Dat [eiser] het

jongvee bij [achternaam] had uitgeschaard om zo de melkproductie te maximaliseren en meer

fosfaatrechten te verkrijgen, heeft [eiser] betwist en [achternaam] heeft deze stelling niet

onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [achternaam] het gevoel dat de samenwerking na het weideseizoen 2015 voor onbepaalde tijd zou worden voortgezet ook

niet kunnen baseren op de door hem gestelde (en door [eiser] betwiste) omstandigheid

dat hij in juni 2015 een deel van zijn eigen vee heeft uitgeschaard omdat er anders teveel

vee in de wei zou staan. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat hij daarover bij het sluiten

van de overeenkomst (in maart dan wel april 2015) met [eiser] heeft gesproken. Bij deze

stand van zaken heeft [achternaam] de afspraak om het jongvee op zijn weiland onder te brengen

redelijkerwijs moeten opvatten als een inscharingsovereenkomst voor het weideseizoen

2015.

2.11.

Gelet op het bovenstaande kan in het midden blijven wanneer partijen de mondelinge overeenkomst precies hebben gesloten en of [eiser] toen al zijn pols had gebroken.

[eiser] heeft recht op de helft van de fosfaatrechten

2.12.

Partijen konden op het moment van het sluiten van de inscharingsovereenkomst

begin 2015 niet voorzien dat de fosfaatrechten in 2018 zouden worden toebedeeld op basis

van het op 2 juli 2015 gehouden melkvee. Zij hebben daar dan ook niets over afgesproken.

[achternaam] heeft als gevolg van deze onvoorziene situatie om niet de fosfaatrechten – die

inmiddels een behoorlijke waarde vertegenwoordigen – behorend bij het jongvee van

[eiser] verkregen, terwijl dat jongvee op basis van de tussen partijen gemaakte afspraken

maar (afgerond) zes maanden bij [achternaam] heeft gestaan. Zowel [eiser] als [achternaam] is dus

de helft van het jaar houder van het jongvee geweest. De rechtbank is van oordeel dat onder

deze omstandigheden de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel

6:248 lid 1 BW) meebrengt dat de fosfaatrechten in gelijke delen over [eiser] en [achternaam]

moeten worden verdeeld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat artikel 23 lid 5 Mw

de mogelijkheid biedt om in geval van in- en uitscharing de fosfaatrechten (in onderling

overleg tussen in- en uitschaarder) te herverdelen. De wetgever heeft met dit artikellid

blijkens de Handelingen van de tweede kamer onderkend dat recht moet kunnen worden

gedaan aan de feitelijke situatie als, zoals in het geval van [eiser] en [achternaam] , een

melkveehouder zijn melkvee op de peildatum had uitgeschaard maar de uitscharingsregeling

met de inschaarder niet gedurende het hele jaar van kracht was en in de periode van één jaar

dus zowel de inschaarder als de uitschaarder houder van het melkvee is geweest.

2.13.

Dat [achternaam] mogelijk minder fosfaatrechten toegekend heeft gekregen omdat hij

naar eigen zeggen in juni 2015 zelf ook een deel van zijn vee bij een derde had ingeschaard,

maakt – wat daarvan ook zij – bovenstaand oordeel niet naders. Zonder nadere toelichting,

die [achternaam] niet heeft gegeven, valt immers niet in te zien waarom [achternaam] zich op zijn

beurt in de verhouding tot die derde ook niet met succes op herverdeling van fosfaatrechten

zou kunnen beroepen. Bovendien heeft [achternaam] tijdens de mondelinge behandeling

verklaard dat hij 350 kilo aan fosfaatrechten heeft verkocht. [eiser] heeft onweersproken

gesteld dat dit ongeveer de helft is van de fosfaatrechten die aan [achternaam] zijn toegekend op

basis van het op 2 juli 2015 voor [eiser] gehouden jongvee. De rechtbank volgt [achternaam]

dan ook niet in zijn stelling dat hij alle fosfaatrechten nodig heeft om zijn bedrijf te kunnen

voortzetten, dan wel om aan een eventuele aanspraak van de verpachter bij beëindiging van

de pachtovereenkomst te kunnen voldoen.

2.14.

Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] kan niet tot een andere

verdeling van de fosfaatrechten leiden dan de hiervoor genoemde verdeling bij helfte. De

fosfaatrechten zijn immers op grond van het wettelijke systeem toegevallen aan [achternaam] (zie

2.6), zodat [achternaam] rechthebbende is. [achternaam] is dus niet ongerechtvaardigd verrijkt. En

[eiser] , die de fosfaatrechten nooit heeft gehad, is niet verarmd. Aan de vereisten voor

een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) is dan ook niet

voldaan. De slotsom is dat [eiser] in zijn onderlinge rechtsverhouding tot [achternaam]

rechthebbende is van de helft van de fosfaatrechten die [achternaam] toegekend heeft gekregen

op basis van de 30 stuks jongvee die hij op peildatum 2 juli 2015 voor [eiser] hield. De

rechtbank zal dit voor recht verklaren.

Verwijzing naar schadestaatprocedure

2.15.

Uit rechtsoverweging 2.12 volgt dat [achternaam] de helft van de fosfaatrechten aan [eiser] had moeten overdragen. Dat heeft [achternaam] niet gedaan. [achternaam] is dan ook toerekenbaar tekortgeschoten in zijn verplichting tegenover [eiser] en moet de schade die [eiser] daardoor heeft geleden vergoeden.

2.16.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het tekort aan fosfaatrechten in 2018 een deel van zijn vee heeft moeten ruimen en daardoor minder melk kan produceren. Dit wordt door [achternaam] betwist. De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen of daadwerkelijk sprake is van productieverlies. [eiser] heeft deze schadepost namelijk nog niet uitgewerkt. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is echter niet vereist dat [eiser] bewijst dat hij schade heeft geleden. Het is voor een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende dat [eiser] de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk heeft gemaakt. Aan die voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Of inderdaad schade is geleden en zo ja, wat de hoogte van de schade is, zal moeten blijken in de schadestaatprocedure. In die procedure zal ook het beroep van [achternaam] op de schadebeperkingsplicht van [eiser] en de wettelijke afroming aan de orde komen.

Proceskosten

2.17.

[achternaam] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de kant van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.377,00

2.18.

De nakosten zullen in de beslissing worden begroot. Daar staat ook hoe de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat [eiser] in zijn onderlinge rechtsverhouding tot [achternaam] rechthebbende is van de helft van de fosfaatrechten die [achternaam] toegekend heeft gekregen op basis van de 30 stuks jongvee die hij op peildatum 2 juli 2015 voor [eiser] hield,

3.2.

veroordeelt [achternaam] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot vergoeding aan [eiser] van de schade die hij heeft geleden en nog lijdt als gevolg van de weigering van [achternaam] om de in 3.1 genoemde fosfaatrechten aan [eiser] over te dragen, op te maken bij staat,

3.3.

veroordeelt [achternaam] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de kant van [eiser] tot vandaag begroot op € 1.377,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.4.

veroordeelt [achternaam] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op:

- € 157,00 € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling

en

- € 82,00 € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

3.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft 3.2 tot en met 3.4 uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019.