Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4632

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
UTR 18/2231-E
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Subsidie

Samenvatting:

Eiseres heeft subsidie aangevraagd voor innovatie en modernisering van haar agrarische onderneming. Eiseres legt zich (o.a.) toe op de kiwibesteelt. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder de beoordeling van de aanvraag van eiseres op een paar onderdelen niet inzichtelijk heeft gemaakt. In haar nadere motivering heeft verweerder dit gebrek gedeeltelijk hersteld. Nu is voldoende inzichtelijk waarom verweerder het risico van kruisbestuiving in het nadeel van eiseres heeft meegewogen. Ook is voldoende inzichtelijk geworden hoe de mate van innovativiteit is beoordeeld, waarbij ook het verschil in puntentoekenning met een expliciet door eiseres genoemd project voldoende is verklaard. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder nog altijd niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom eiseres niet heeft gescoord op het onderdeel ‘communicatie’. Een vergelijking met de andere projecten is ook niet goed te maken, omdat niet inzichtelijk is op welke aspecten van dit onderdeel wel en niet is gescoord. Dit gebrek is dus niet hersteld. Om een goede toetsing en vergelijking mogelijk te maken zal verweerder dit in het nieuw te nemen besluit op bezwaar inzichtelijk moeten maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2231-E

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Robijn-Meijer),

en

Gedeputeerde Staten van Flevoland, verweerder

(gemachtigden: mr. P.M. Bakker Schut, ing. A.A. Vlasman, J.A. Ree en A.H.W. Jongeneelen).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eiseres op grond van het Besluit tot openstelling van Hoofdstuk 2 Maatregelen, paragraaf 2 ‘Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen’ van de Subsidieverordening POP3 Flevoland 2014-2020 (het Openstellingsbesluit) aangevraagde subsidie afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en een aanvullende motivering gegeven.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Bij tussenuitspraak van 17 december 2018 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

Omdat de samenstelling van de meervoudige kamer is gewijzigd, heeft de rechtbank partijen verzocht de rechtbank te laten weten als zij op een zitting willen worden gehoord. Eiseres heeft aangegeven een nadere zitting niet nodig te vinden. Verweerder heeft niet gereageerd. Daarop heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken 1.

Kruisbestuiving

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank over het criterium ‘kans op succes/haalbaarheid’ van het project van eiseres geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft onderkend dat de Adviescommissie niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij het risico van kruisbestuiving in het nadeel van eiseres heeft meegewogen.

3. In de aanvullende motivering heeft de Adviescommissie uiteen gezet dat voor de teelt van kiwibessen zowel mannelijke als vrouwelijke planten nodig zijn. De mannelijke planten bestuiven de vrouwelijke planten (kruisbestuiving) door middel van bijen en hommels. In het projectplan staat geen verhouding opgenomen van mannelijke en vrouwelijke planten. De bestuiving vormt bij de teelt van kiwibessen een kritische factor voor een succesvolle teelt, onder andere doordat de tijd van bestuiving kort is bij dit gewas. Een risico is het ongunstige Nederlandse klimaat voor dit gewas en onvoldoende (kruis)bestuiving doordat er te weinig insecten zijn. Bij een slechte bestuiving verslechtert de kwaliteit van de vruchtzetting en daarmee de kwaliteit van de vruchten en van de gewichtsopbrengst.

4. In haar zienswijze heeft eiseres naar voren gebracht dat de Adviescommissie niet of onvoldoende onderkent dat haar innovatie potentiële risico’s juist wegneemt. Eiseres is een expert op het gebied van de kiwibes en vanzelfsprekend zal zij voldoende mannelijke planten aanplanten. De Adviescommissie weegt dan ook ten onrechte mee dat de verhouding mannelijke en vrouwelijke planten niet wordt genoemd in het projectplan. Ook zal eiseres verschillende mannelijke soorten aanplanten die niet gelijktijdig stuifmeel produceren, waardoor de bloeiperiode wordt verlengd. Verder wordt het innovatieve watersysteem ingezet om de bestuiving te bevorderen. Door het aanleggen van groenstroken en het aanplanten van elzensingels worden insecten aangetrokken, waardoor de bestuiving verder wordt geoptimaliseerd. De Adviescommissie motiveert verder niet dat het Nederlandse klimaat ongunstig is voor de kiwibesplant. Voor zover de Adviescommissie doelt op nachtvorst en/of wind, dan verwijst eiseres naar het projectplan waarin maatregelen worden vermeld om de risico’s van vorst en wind tegen te gaan.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Adviescommissie (en daarmee verweerder) aanvullend voldoende gemotiveerd waarom de (kruis)bestuiving een risico is dat in het nadeel van eiseres weegt. De rechtbank begrijpt nu dat het risico bestaat dat onvoldoende bestuiving plaatsvindt. De maatregelen die eiseres noemt om dit te voorkomen, zijn voor de Adviescommissie onvoldoende bevonden om dit risico volledig weg te nemen. De rechtbank kan dit volgen. Bovendien heeft eiseres een aantal van deze maatregelen pas nu naar voren gebracht, zoals het verlengen van de bevruchtingsperiode door onderbladberegening. De Adviescommissie heeft daarmee geen rekening kunnen houden bij het beoordelen van de aanvraag. En zoals ook in de tussenuitspraak al is overwogen, moet een aanvrager van een subsidie in een tenderprocedure, alle voor het beoordelen van de aanvraag noodzakelijke gegevens en eventuele toelichtingen, bij de aanvraag vermelden, om voor alle aanvragers gelijke kansen te garanderen.

Communicatie over het project

6. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verder overwogen dat zij de Adviescommissie gedeeltelijk kan volgen in haar overwegingen over de communicatie over het project. De Adviescommissie heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe haar waardering van aspect c als ‘redelijk’ heeft meegewogen in de toekenning van de punten. Niet duidelijk is de rechtbank waarom het project wel scoort op aspect a, waarbij de terugverdientijd als ‘redelijk’ is aangemerkt, en niet scoort op aspect c, ondanks het feit dat de communicatie ook als ‘redelijk’ is aangemerkt. Ook begrijpt de rechtbank niet waarom de Adviescommissie heeft opgemerkt onder welke omstandigheden de aanvrager hier een ‘goed’ had kunnen scoren, nu de mate van waardering bij de toekenning van punten kennelijk geen rol speelt. Dit maakt de beoordeling van de Adviescommissie op dit onderdeel onvoldoende inzichtelijk.

7. In de aanvullende motivering heeft de Adviescommissie uiteengezet dat het project niet scoort op het onderdeel communicatie, omdat eiseres in haar plan niet heeft aangegeven hoe gecommuniceerd gaat worden. Het onderdeel publiciteitsvoorwaarden is redelijk uitgewerkt. De wijze waarop de erfbetreders worden betrokken is niet uitgewerkt. Ook is de wijze waarop het project een voorbeeldfunctie kan vervullen in het projectplan summier uitgewerkt.

8. In haar zienswijze voert eiseres aan dat de Adviescommissie het gebrek niet heeft hersteld, omdat nog steeds niet duidelijk is waarom op aspect a wel gescoord wordt en op aspect c niet. Niet gemotiveerd is waarom voor aspect c pas punten worden toegekend indien er een ‘goed’ wordt gescoord, terwijl dit onderscheid bij aspect a kennelijk niet wordt gehanteerd. Ook inhoudelijk is het standpunt van de Adviescommissie onjuist. Het is onbegrijpelijk dat het project niet scoort op communicatie. Dit geldt te meer als dit oordeel wordt vergeleken met de beoordeling van andere ingediende aanvragen, zoals projecten 3, 5, 10, 12, 13, 16 en 29.

9. Zoals ook al in de tussenuitspraak is overwogen kan de rechtbank de kwalificatie ‘redelijk’ van de Adviescommissie over de communicatie van het project volgen, omdat uit het projectplan niet blijkt op welke wijze eiseres over het project zal communiceren. Echter verweerder heeft nog steeds niet gemotiveerd waarom deze kwalificatie geen punten heeft opgeleverd. Dit gebrek is door verweerder dus niet hersteld. Het besluit op bezwaar zal in zoverre worden vernietigd en verweerder moet in zoverre een nieuw besluit op bezwaar nemen.

10. Eiseres maakt op dit punt een vergelijking met andere projecten, waaraan op het onderdeel haalbaarheid wel 3 punten zijn toegekend. De rechtbank overweegt hierover dat een vergelijking met de andere projecten door haar niet te maken is, omdat deze projecten mogelijk hebben gescoord op aspecten a en b en ook niet op aspect c. De rechtbank kan dus niet beoordelen of deze projecten wel punten voor aspect c hebben ontvangen, terwijl dat bij eiseres niet zo is. Door de Adviescommissie is dit in het Samenvattend Memorandum niet inzichtelijk gemaakt. Om een goede toetsing en vergelijking mogelijk te maken zal verweerder (de Adviescommissie) dit in het nieuw te nemen besluit op bezwaar inzichtelijk moeten maken.
De mate van innovativiteit

11. Tot slot heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak over het criterium ‘mate van innovativiteit’ overwogen dat zonder nadere toelichting niet duidelijk is waarom het project van eiseres anders scoort dan project 24, waaraan een vergelijkbare waardering lijkt te zijn gegeven. Eiseres heeft hier in de bezwaarfase op gewezen en uit het bestreden besluit blijkt niet dat de Adviescommissie dit heeft betrokken bij haar beoordeling.

12. De Adviescommissie heeft in de aanvullende motivering uiteengezet dat project 24 een stuk innovatiever is dan het project van eiseres. De investering waarvoor eiseres subsidie aanvraagt is een bewezen techniek in de glastuinbouw. De techniek wordt door eiseres voor hetzelfde doel toegepast als in de glastuinbouw. Project 24 betreft een precisiewieder met plantherkenning ten behoeve van onkruidbestrijding. Dit is een innovatieve toepassing. Van de precisiewieder bestaat alleen nog een prototype en het is dus nog geen bewezen techniek.

13. Eiseres heeft in haar zienswijze betwist dat het toepassen van precisietechniek met plantherkenning ten behoeve van onkruidbestrijding nieuw is. Dit heeft zij ook onderbouwd.

14. De rechtbank stelt vast dat ook de Adviescommissie in het Samenvattend Memorandum opmerkt dat de wieder met plantherkenning niet volledig nieuw is. Het gaat echter om een nog niet bewezen techniek, waar dat bij het project van eiseres wel het geval is. De stelling van eiseres dat de precisiewieder met plantherkenning wel een bewezen techniek is, is onvoldoende om de twijfelen aan het standpunt van de Adviescommissie hierover. Dit verklaart naar het oordeel van de rechtbank voldoende het verschil in puntentoekenning tussen het project van eiseres en project 24.
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de vaststelling dat de wieder met plantherkenning niet volledig nieuw is, hooguit tot de conclusie zou kunnen leiden dat project 24 op dit onderdeel een punt teveel heeft gescoord en niet dat het project van eiseres een punt meer had moeten scoren. Uit de toelichting bij dit criterium blijkt immers dat 4 punten worden toegekend als het een geheel nieuw concept in de landbouw betreft. Daarvan is dus eigenlijk in beide gevallen geen sprake. Deze constatering heeft echter geen consequenties voor de beoordeling van het project van eiseres.

Wat moet verweerder nu doen?

15. Het beroep is gegrond. Zoals hiervoor onder 9 en 10 is overwogen heeft verweerder het gebrek niet volledig hersteld. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). De verletkosten stelt de rechtbank vast op € 294,- (3,5 uur voor het bijwonen van de zitting en de reistijd van en naar de zitting, tegen het maximale tarief van € 84,- per uur). De door eiseres genoemde verletkosten wegens voorbereidende werkzaamheden, komen volgens vaste rechtspraak niet voor vergoeding in aanmerking. Voor reiskosten kent de rechtbank € 54,32 (194 km x € 0,28 per kilometer) toe.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken2 komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. De kosten van de deskundige komen voor vergoeding in aanmerking, omdat eiseres dit rapport heeft laten opstellen om aan te tonen dat de beoordeling van zijn aanvraag door de Adviescommissie niet juist is geweest.
Uit de door eiseres overgelegde facturen blijkt dat Arcadis 28 uren heeft besteed aan de totstandkoming van het rapport van 13 augustus 2018. Hierop brengt de rechtbank vier uren in mindering voor de analyse van bezwaarschriften, omdat deze kosten niet redelijk zijn. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in samenhang gelezen met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, geldt voor de vergoeding van de gemaakte kosten voor het deskundigenrapport een tarief van ten hoogste € 122,63 per uur. Dit betekent dat in totaal een bedrag van € 2.943,12 voor vergoeding in aanmerking komt in verband met het genoemde deskundigenrapport. Dit bedrag wordt vermeerderd met de ingevolge artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 verschuldigde omzetbelasting.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij onvoldoende is gemotiveerd waarom het project van eiseres geen punten heeft gescoord op het onderdeel communicatie;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 4.571,44, waarvan € 2.943,12 te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzitter, en mr. M. Wolfrat en

mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704, en van 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.

2 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380.