Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4631

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
7653115
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wordt vernietigd. Werknemer zou zich onder valse voorwendselen ziek hebben gemeld, maar dit wordt enkel onderbouwd met een vermoeden van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7653115 UE VERZ 19-112 WJ/40222

Beschikking van 10 juli 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J. Pluis,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] B.V,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoekster] met producties 1 t/m 17;

- de brief van [verzoekster] met producties 18 t/m 22;

- de brief van [verzoekster] met producties 23 en 24;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 mei 2019.

1.2.

[verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling het primair verzochte laten vallen en de kantonrechter gevraagd om het subsidiair verzochte toe te wijzen. Partijen hebben daarna tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de datum waarop en de voorwaarden waaronder hun arbeidsovereenkomst eindigt. [verzoekster] heeft vervolgens deze vaststellingsovereenkomst conform artikel 7:670b BW ontbonden en alsnog om uitspraak gevraagd. Daarbij heeft [verzoekster] gevraagd om toch het primair verzochte toe te wijzen. [verweerster] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op de vraag van [verzoekster] om uitspraak en op de eiswijziging. [verweerster] heeft niet gereageerd.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1986, is sinds 1 november 2017 in dienst van [verweerster] , laatstelijk als arts […] tegen een salaris van € 4.524,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld en dertiende maand. Op 8 mei 2018 is arbeidsovereenkomst voor de duur van acht maanden verlengd. Op 19 december 2018 is de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2019 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.2.

Op 21 januari 2019 is het tijdens een managementoverleg tot een confrontatie gekomen tussen [verzoekster] en de heer [A] (directeur van [verweerster] ). Naar aanleiding daarvan heeft [verzoekster] per e-mail van dezelfde dag aan [A] geschreven:

“(…)

Ik heb vervolgens voorgesteld om de webshop te parkeren, offline te halen en bovenstaande eerst uit te werken. Jij hebt duidelijk gemaakt het daar niet mee eens te zijn. De manier waarop heb ik als erg onprettig en dreigend ervaren. (…) Naast dat je bent opgesprongen uit je stoel, heb je ook hard met je vuist op tafel geslagen. Met name op het moment dat je naar mij toe kwam terwijl ik in de bureaustoel zat heb ik mij erg onveilig gevoeld. Ik heb direct benoemd dat ik geen agressie tolereer, en dat ik dat ook niet van jou als mijn werkgever accepteer.

Nadat ik heb voorgesteld dat je zou vertrekken heb je benoemd dat je vindt dat ik kan vertrekken en dat ik ook meteen de auto en computer die bij mij thuis staat kan inleveren. Toen ik vroeg of je daarmee wilde zeggen dat je me op staande voet wilde ontslaan heb je mij gezegd dat je dat niet ging doen, maar dat ik mijn ontslag maar moest indienen.

(…)

Ik stel voor dat we een gesprek plannen met een neutrale 3e persoon erbij om tot een oplossing van dit conflict te komen. (…) Bij deze benadruk ik dat ik vooralsnog mijn ontslag niet heb ingediend. (…)”

2.3.

Nadat gesprekken tussen [A] en [verzoekster] in het bijzijn van twee collega’s geen oplossing bieden, stelt [verzoekster] op 5 februari 2019 mediation voor. [A] geeft vervolgens aan dat hij geen behoefte heeft aan mediation.

2.4.

[verzoekster] meldt zich vervolgens op 6 februari 2019 om 7:51 uur via WhatsApp ziek. Om 7:58 uur heeft zij dit per e-mail ook doorgegeven aan [A] . Om 8:06 uur stuurt [A] een e-mail aan [verzoekster] waarin het volgende staat geschreven:

“Er is gisteren een brief naar jou gestuurd met ontslag op staande voet. Dit betekent dat je je te laat hebt ziekgemeld en daardoor heb je geen recht meer op loon. Jouw ziekmelding is in ieder geval fake.

Graag de auto en de laptop per direct inleveren.

Daarnaast mag je geen contact meer nemen met de artsen en iedereen die voor [verweerster] werkt.”

2.5.

Op 11 februari 2019 heeft [A] een e-mail aan [verzoekster] geschreven waarin het volgende staat:

“Hierbij betwisten/contesteren wij jouw ziekmelding. Je hebt je ziekgemeld naar aanleiding van ons conflict en direct nadat ik jou een email heb gestuurd waarin ik aangegeven heb dat er geen behoefte is aan externe mediation. Hierdoor pleeg je een fraude. (…)

Wat jouw 13e maand betreft, hebben wij jouw overuren gecontroleerd welke je steeds doorgaf. Hieruit is gebleken dat de overuren niet juist zijn waardoor je te veel loon hebt ontvangen. op basis van dit feit, zullen wij geen 13e maand uitbetalen.”

2.6.

Op 12 februari 2019 heeft de toenmalig gemachtigde van [verzoekster] , mr. [B] , een e-mail gestuurd aan [A] . In deze e-mail staat onder meer het volgende:

“Ik merk op cliënte geen ontslagbrief heeft ontvangen. De ontslagreden is haar niet medegedeeld. Voorts is er geen sprake van een dringende reden die het gegeven ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Ten overvloede merk ik op dat het niet aan u is om vast te stellen of er sprake is van arbeidsgeschiktheid, maar dat de arbodienst zich daarover dient uit te laten

Cliënte heeft bovendien niet schriftelijk ingestemd met de opzegging en u beschikt niet over toestemming van het UWV.

Op grond van het vorenstaande moet dan ook geconcludeerd worden dat het ontslag geen stand kan houden. Namens cliënte zal ik daarom een procedure instellen bij de rechter waarin primair zal worden verzocht het ontslag te vernietigen.”

2.7.

Per e-mail van 13 februari 2019 heeft [A] gereageerd op de mail van [B] . In zijn e-mail schrijft [A] onder meer het volgende:

“Het is merkwaardig en zeer opvallend dat mevrouw [verzoekster] heeft zich ziekgemeld direct nadat ik aangegeven heb dat er geen behoefte is aan externe mediation. Een soortgelijke actie heeft zij eerder bij haar voormalige werkgever uitgehaald. Het is duidelijk dat zij dit systematisch doet met de bedoeling om geld te verdienen op een illegale manier.

Het is uw recht om een gerechtelijke procedure te starten. Via deze email verzoek ik haar nogmaals alle spullen van ons in te leveren aangezien ze er niets mee doet.”

2.8.

[A] heeft vervolgens op 13 februari 2019 met behulp van de reservesleutel de bedrijfsauto van [verzoekster] uit haar garage meegenomen.

2.9.

Per e-mail van 15 februari 2019 heeft de huidige gemachtigde van [verzoekster] [verweerster] onder andere verzocht het ontslag binnen vijf werkdagen in te trekken.

2.10.

[A] heeft op 13 maart 2019 een e-mail gestuurd aan de gemachtigde van [verzoekster] . Hierin staat het volgende:

“Zoals reeds aangegeven, heeft uw cliënt zich valselijk ziekgemeld naar aanleiding van het conflict. Er zijn genoeg bewijzen dat mevrouw [verzoekster] niet ziek is. Deze bewijzen zullen wij aan de rechter voorleggen.

Gelet op deze valse ziekmelding, pleegt uw cliënt ook fraude en derhalve zal er geen loon uitbetaald worden.”

2.11.

[verweerster] heeft over de periode februari tot en met heden het loon en het vakantiegeld van [verzoekster] niet betaald. Ook haar dertiende maand is niet uitbetaald. [verzoekster] heeft op 8 februari 2019 een declaratieformulier ingediend bij [verweerster] . De hierop vermelde kosten zijn niet vergoed.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [verzoekster] zich op of omstreeks 6 februari 2019 niet schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken om dringende reden voor ontslag op staande voet;

  2. de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever te vernietigen conform art. 7:681 BW.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter daarnaast, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om [verweerster] binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking te veroordelen:

  1. [verzoekster] (na hersteldverklaring) toe te laten tot haar werkzaamheden als arts […] en al datgene te doen wat daaraan nuttig en nodig mocht zijn, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, een gedeelte van een dag voor een gehele dag gerekend, voor elke dag dat [verweerster] aan die veroordeling geen gevolg geeft;

  2. Tot betaling aan [verzoekster] van het salaris ad € 4.524,00 bruto per maand, te betalen vanaf de maand februari, plus de pensioenvergoeding van € 100,00 netto per maand, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

  3. Tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke verhoging ex 7:625 BW van 50% wegens het te laat uitbetalen van het salaris;

  4. Tot betaling aan [verzoekster] van de dertiende maand ad € 4.524,00, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex 7:625 BW van 50% alsmede de onkostendeclaratie d.d. 8 februari 2019 ad € 165,01;

  5. Tot betaling aan [verzoekster] van de buitengerechtelijke (incasso)kosten conform de staffel BIK;

  6. De bedrijfsauto ( [kenteken] zwarte Volkswagen Polo 2013) aan [verzoekster] ter beschikking te stellen tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;

  7. Tot betaling van een bedrag van € 400,00 per maand als vergoeding voor het niet gebruik kunnen maken van de bedrijfsauto vanaf 13 februari 2019 totdat de auto weer tot beschikking is gesteld;

  8. Tot betaling aan [verzoekster] van overuren en netto reis- en onkostendeclaratie van januari en februari 2019;

  9. Tot het toezenden aan [verzoekster] van de salarisspecificaties vanaf december 2018 alsmede van de jaaropgave 2018, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;

  10. Tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente over de hierboven onder 2 tot en met 10 verzochte bedragen, vanaf het opeisbaar worden van de bedragen tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat zij onterecht op 6 februari 2019 door [verweerster] op staande voet is ontslagen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er is volgens [verzoekster] geen reden voor ontslag op staande voet, laat staan dat deze reden haar onverwijld is medegedeeld. De ziekmelding van [verzoekster] is geen reden voor ontslag en daarnaast is het onduidelijk waarom [verzoekster] fraude zou plegen.

3.3.

[verweerster] voert verweer. [verweerster] heeft ter zitting betwist dat [verzoekster] op staande voet is ontslagen. Een e-mail is niet voldoende voor een ontslag op staande voet. Ze is welkom om weer te komen werken.

4 De beoordeling

Is [verzoekster] op staande voet ontslagen?

4.1.

[verweerster] heeft ter zitting betwist dat [verzoekster] ontslagen is. [verweerster] heeft echter op 6 februari 2019 een e-mail gestuurd waarin ondubbelzinnig staat dat [verzoekster] is ontslagen. Deze e-mail volgde op een oplopend conflict tussen [verzoekster] en de directeur van [verweerster] en de ziekmelding van [verzoekster] eerder die dag. In diezelfde e-mail verzoekt [verweerster] [verzoekster] om haar telefoon en laptop in te leveren. Als vervolgens aangekondigd wordt dat [verzoekster] een procedure zal instellen om het ontslag te vernietigen, reageert [verweerster] met de opmerking dat [verzoekster] het recht heeft een dergelijke procedure te starten. Verzoeken vanuit [verzoekster] om het ontslag in te trekken worden niet gehonoreerd. [verweerster] is daarnaast sinds februari opgehouden met het betalen van het salaris van [verzoekster] .

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat [verweerster] het ontslag in de e-mail van 6 februari 2019 niet alleen schriftelijk heeft medegedeeld, maar dat ook uit de feitelijke gedragingen van [verweerster] blijkt dat [verzoekster] op 6 februari 2019 op staande voet is ontslagen. Uit niets blijkt dat [verweerster] het ontslag op staande voet niet zo bedoeld heeft, terwijl [verweerster] wel meerdere keren de kans heeft gehad om aan te geven dat [verzoekster] niet is ontslagen of het ontslag in te trekken. De opmerking ter zitting van [verweerster] dat van ontslag op staande voet geen sprake is acht de kantonrechter om die reden niet geloofwaardig. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [verzoekster] op staande voet is ontslagen.

4.3.

De kantonrechter stelt vast dat [verzoekster] vervolgens binnen de termijn van twee maanden haar verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet ingediend.

Was het ontslag op staande voet terecht?

4.4.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd. Een werkgever kan een werknemer op staande voet ontslaan als er sprake is van een dringende reden. De werkgever moet deze dringende reden onverwijld mededelen aan de werknemer. Als dringende redenen kunnen worden beschouwd daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever. De werkgever die een werknemer op staande voet heeft ontslagen, moet dus stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.

4.5.

[verweerster] heeft [verzoekster] op 6 februari 2019 per e-mail op staande voet ontslagen. In deze e-mail is haar medegedeeld dat haar ziekmelding eerder die dag nep zou zijn. Op 11 februari 2019 heeft [verweerster] wederom aan [verzoekster] medegedeeld dat [verweerster] betwist dat [verzoekster] echt ziek is en dat dit volgens [verweerster] fraude is. De kantonrechter zal daarom moeten beoordelen of er inderdaad sprake is van een valse ziekmelding en of dat een dringende reden is die ontslag op staande voet rechtvaardigt.

4.6.

Ter zitting heeft [A] namens [verweerster] aangevoerd dat [verzoekster] zich valselijk ziek heeft gemeld, nadat hij aan [verzoekster] had medegedeeld dat hij geen behoefte aan mediation had. [A] is, zoals hij ter zitting aangaf, zelf tot de conclusie gekomen dat [verzoekster] zich valselijk ziek zou hebben gemeld. Er is geen rapport van een bedrijfs- of verzekeringsarts overgelegd waaruit blijkt dat [verzoekster] zich onder valse voorwendselen heeft ziekgemeld.

4.7.

De kantonrechter overweegt dat het niet aan [A] is om te beoordelen of een van zijn medewerkers echt ziek is of niet. De beoordeling of een werknemer daadwerkelijk arbeidsongeschikt is, is voorbehouden aan bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. Een werkgever kan dit niet eigenhandig beoordelen. Het vermoeden van [verweerster] dat [verzoekster] niet echt ziek was wordt verder op geen enkele wijze onderbouwd. De reden van ontslag is op niets gebaseerd. De conclusie is dan ook dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt en dat [verweerster] ten onrechte [verzoekster] op staande voet heeft ontslagen.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat de verzochte vernietiging zal worden toegewezen.
4.9. De vernietiging van het ontslag op staande voet heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst ook na 6 februari 2019 is blijven bestaan, zodat ook de door [verzoekster] verzochte wedertewerkstelling wordt toegewezen.

4.10.

Aan de veroordeling tot tewerkstelling wordt de door [verzoekster] gevraagde dwangsom verbonden.

Doorbetaling loon

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat het dienstverband niet rechtsgeldig is geëindigd. [verzoekster] heeft daarom recht op doorbetaling van het loon tot de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.

4.12.

Werknemers hebben bij ziekte recht op doorbetaling van het loon, ook al werken zij in die periode niet. [verweerster] heeft tegen de doorbetaling van het loon het verweer gevoerd dat er geen loon is verschuldigd omdat de ziekmelding van [verzoekster] nep is. Zoals hiervoor ook overwogen, heeft [verweerster] [verzoekster] niet laten onderzoeken door een bedrijfsarts of een verzekeringsarts. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de ziekmelding van [verzoekster] gegrond is. De ziekmelding van [verzoekster] heeft wel invloed op de hoogte van haar loon. In haar arbeidsovereenkomst staat namelijk dat als zij haar werk door ziekte niet kan verrichten, ze slechts recht heeft op 70% van haar loon. [verzoekster] heeft zich op 6 februari 2019 ziekgemeld. Hieruit volgt dat [verzoekster] per 6 februari 2019 tot haar hersteldverklaring recht heeft op 70% van haar loon.

4.13.

Vaststaat dat [verweerster] het loon over januari 2019 nog betaald heeft, maar dat [verzoekster] sinds februari geen loon meer heeft ontvangen. De eerste 5 dagen van februari heeft [verzoekster] nog gewerkt. Over deze dagen had zij daarom recht op 100% van haar loon. Per 6 februari 2019 had zij gelet op haar ziekmelding recht op 70% van haar loon. Nu vaststaat dat [verweerster] het aan [verzoekster] toekomende achterstallige loon over de periode van 6 februari 2019 tot en met 31 mei 2019 niet tijdig heeft betaald, is zij de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW verschuldigd vanaf de vierde dag na de dag waarop de betaling had moeten plaatsvinden. Concreet komt dit er op neer dat [verzoekster] recht heeft op het volgende loon:

1. t/m 5 februari 2019: (€ 4.524,00 / 28 * 5) + 50% = € 1.211,79

6 t/m 28 februari 2019: ((€ 4.524,00 / 28 * 23) - 30%) + 50% = € 3.901,95

Maart 2019: (€ 4.524,00 - 30%) + 50% = € 4.750,20

April 2019: (€ 4.524,00 - 30%) + 50% = € 4.750,20

Mei 2019: (€ 4.524,00 - 30%) + 50% = € 4.750,20

Totaal verschuldigd loon tot en met mei 2019: € 19.364,34.

4.14.

[verzoekster] heeft ook recht op loon over de maand juni en over de nog komende maanden tot de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. De wettelijke verhoging over de loontermijnen is vanaf de maand juni niet toewijsbaar. Het betreft immers loon waarvan (nog) niet vaststaat dat [verweerster] niet tijdig heeft betaald.

4.15.

[verzoekster] heeft eveneens recht op de onbetwiste pensioenvergoeding van € 100,00 netto per maand, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

Dertiende maand

4.16.

[verweerster] heeft daarnaast de dertiende maand van [verzoekster] niet betaald. Deze dertiende maand is tussen partijen contractueel vastgelegd in het op 14 augustus 2018 ondertekende addendum op de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] . De dertiende maand wordt als zodanig niet bewist door [verweerster] . [verweerster] betwist wel de hoogte van de dertiende maand. Volgens [verweerster] is het onduidelijk of de hoogte van de dertiende maand gebaseerd moet worden op het eerste, tweede of derde contract van [verzoekster] . [verweerster] heeft daarnaast ter zitting het verweer gevoerd dat [verzoekster] geen recht meer zou hebben op deze dertiende maand, omdat ze teveel overuren zou hebben geschreven. Door de dertiende maand niet uit te betalen, heeft [verweerster] deze overuren verrekend.

4.17.

[verweerster] heeft geen enkele onderbouwing voor haar verweer gegeven. Het standpunt dat het onduidelijk is hoe hoog de dertiende maand zou zijn, staat bovendien op gespannen voet met het verweer dat de dertiende maand verrekend zou zijn. Aangezien [verweerster] ook geen bewijs heeft aangeboden voor haar verweer, gaat de kantonrechter aan dit verweer voorbij. De dertiende maand zal daarom moeten worden uitbetaald. Voor de hoogte van deze dertiende maand moet aangesloten worden bij het salaris dat [verzoekster] ontving op het moment dat de dertiende maand uitbetaald had moeten worden. Daarnaast geldt ook voor de dertiende maand dat [verweerster] de wettelijke verhoging is verschuldigd. Concreet komt dit neer op het volgende bedrag: € 4.524,00 + 50% = € 6.786,00.

Onkostendeclaratie

4.18.

[verzoekster] heeft op 8 februari 2019 een declaratieformulier ingediend over de maanden januari en februari van in totaal € 165,01. De declaratie ziet op een kilometervergoeding, parkeerkosten in Den Haag en de aanschaf van een toetsenbord en muis. De kilometervergoeding is voor woon-werkverkeer naar de locaties Den Haag, Breda, Utrecht, Rotterdam en Veenendaal.

4.19.

[verweerster] heeft ter zitting aangevoerd dat het aan [verzoekster] is om te bewijzen dat ze daadwerkelijk in Den Haag, Breda, Utrecht, Rotterdam en Veenendaal heeft gewerkt. [verzoekster] hoeft echter alleen haar stellingen te bewijzen als de wederpartij haar stellingen voldoende gemotiveerd betwist. Daar is in dit geval geen sprake van, aangezien [verweerster] ter zitting alleen om bewijs heeft gevraagd dat [verzoekster] op de betreffende dagen op die locaties heeft gewerkt. Dat legt onvoldoende gewicht in de schaal om te dienen als een voldoende gemotiveerde betwisting.

4.20.

De conclusie is daarom dat vast staat dat [verzoekster] op de in het declaratieformulier genoemde dagen gewerkt heeft in Den Haag, Breda, Utrecht, Rotterdam en Veenendaal. [verweerster] moet daarom de kilometervergoeding en de parkeerkosten zoals opgegeven in het declaratieformulier vergoeden. De kosten voor het toetsenbord en de muis zijn onbetwist. [verweerster] moet daarom ook deze kosten vergoeden.

Bedrijfsauto

4.21.

[verzoekster] heeft gevorderd dat [verweerster] de bedrijfsauto weer aan haar ter beschikking stelt. Ze heeft hierover aangevoerd dat ze de auto ook privé mag gebruiken en dat [A] op 13 februari 2019 de auto met de reservesleutel uit haar garage heeft meegenomen. [verweerster] betwist dat [verzoekster] de auto ook privé mag gebruiken. In haar laatste arbeidsovereenkomst staat dit namelijk niet.

4.22.

Op grond van de arbeidsovereenkomst van 8 mei 2018 heeft [verzoekster] recht op een ‘auto van de zaak’. In de e-mail van 9 april 2018 bevestigt [A] namens [verweerster] dat de auto ook privé gebruikt mag worden. De arbeidsovereenkomst van 8 mei 2018 is op 19 december 2018 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Tussen partijen is afgesproken dat de overige voorwaarden van de arbeidsovereenkomst van 8 mei 2018 van toepassing blijven. Het gebruik van de auto valt daar ook onder. Hieruit volgt dat [verzoekster] ook op grond van haar laatste arbeidsovereenkomst de auto privé mocht gebruiken.

4.23.

Aangezien de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet rechtsgeldig is beëindigd, heeft zij nog steeds recht op de bedrijfsauto. [verweerster] moet daarom de bedrijfsauto aan [verzoekster] ter beschikking stellen.

4.24.

[verzoekster] heeft daarnaast een vergoeding van € 400,00 per maand gevorderd voor de periode dat zij geen beschikking heeft over de bedrijfsauto, terwijl ze daar wel recht op heeft. De hoogte van de vergoeding heeft [verzoekster] gebaseerd op maandbedragen die verschillende leasemaatschappijen vragen voor het type auto dat [verzoekster] tot haar beschikking had gekregen. [verweerster] heeft hierover aangevoerd dat de auto nodig was voor een andere werknemer en dat de auto daarom bij [verzoekster] is weggenomen.

4.25.

De auto maakt deel uit van de arbeidsvoorwaarden van [verzoekster] . Dat een andere werknemer ook een auto nodig heeft, doet niets af aan het recht van [verzoekster] op de bedrijfsauto. [verzoekster] heeft daarom recht op een vergoeding vanwege het niet kunnen gebruiken van de bedrijfsauto. De auto is op 13 februari 2019 bij [verzoekster] weggenomen. [verzoekster] heeft daarom vanaf 13 februari 2019 recht op een vergoeding voor het niet kunnen gebruiken van de bedrijfsauto tot het moment dat zij weer de beschikking krijgt over de auto. De hoogte van de maandelijkse vergoeding is niet door [verweerster] betwist en zal als zodanig worden toegewezen.

4.26.

De vergoeding voor het niet kunnen gebruiken van de bedrijfsauto wordt toegewezen tot het moment dat [verzoekster] weer de beschikking krijgt over de auto. Er is daarom geen reden om naast de vergoeding ook de gevorderde dwangsom die is verbonden aan het ter beschikking stellen van de auto toe te wijzen. Dat zou er namelijk op neerkomen dat [verweerster] een dubbele dwangsom verschuldigd is als de auto niet ter beschikking wordt gesteld.

Jaaropgave en salarisspecificaties

4.27.

[verzoekster] heeft daarnaast afgifte gevorderd van salarisspecificaties vanaf december 2018 alsmede van de jaaropgave 2018. Op grond van artikel 7:626 BW is [verweerster] verplicht om salarisspecificaties aan [verzoekster] te verstrekken. [verweerster] heeft niet betwist dat zij de specificaties niet verstrekt zou hebben. De vordering wordt daarom toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.28.

[verzoekster] heeft bovendien buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [verweerster] heeft hiertegen het verweer gevoerd dat deze kosten veroorzaakt zijn door het gedrag van [verzoekster] en dat [verweerster] daarom niet gehouden is deze kosten te betalen.

4.29.

Zoals ook hiervoor is overwogen was er geen dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. [verweerster] is sinds februari wel opgehouden met het betalen van het salaris van [verzoekster] . Gemachtigden van [verzoekster] hebben voorafgaand aan deze procedure verzocht tot betaling van het achterstallige salaris. Dat [verzoekster] kosten hiervoor heeft moeten maken, komt dus niet door het gedrag van [verzoekster] , maar door het onterechte ontslag op staande voet. [verzoekster] maakt daarom aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

4.30.

De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De kantonrechter stelt vast dat [verzoekster] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht om [verweerster] alsnog te bewegen haar salaris te betalen. Deze werkzaamheden zijn als zodanig ook niet betwist. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom conform het Besluit worden toegewezen op basis van het verschuldigde salaris voor februari tot en met mei 2019 inclusief de wettelijke verhoging. Het in dit kader toe te wijzen bedrag is op basis van een hoofdsom van € 19.364,34 daarom € 1172,06 inclusief btw.

Wettelijke rente

4.31.

De verzochte wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen.

Proceskosten

4.32.

[verweerster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 486,00 vastrecht en € 480,00 salaris gemachtigde.

4.33.

Ook de door [verzoekster] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.34.

De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waartegen geen verweer is gevoerd, zal eveneens worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt en vernietigt daarom het op 6 februari 2019 aan [verzoekster] door [verweerster] verleende ontslag op staande voet;

5.2.

veroordeelt [verweerster] om uiterlijk binnen één week na betekening van deze uitspraak [verzoekster] tot haar werkplek toe te laten en haar in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verweerster] hier niet aan voldoet, zulks met een maximum van € 50.000,00;

5.3.

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen:

  1. een bedrag van € 19.364,34 bruto, zijnde het loon van februari 2019 tot en met mei 2019 inclusief wettelijke verhoging;

  2. een bedrag van € 6.786,00 bruto, zijnde de dertiende maand inclusief wettelijke verhoging;

  3. het loon van € 4.524,00 bruto per maand, met ingang van juni 2019 en tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

  4. e pensioenvergoeding van € 100,00 netto per maand vanaf februari 2019;

  5. en vergoeding van € 400,00 per maand voor het niet kunnen gebruiken van de bedrijfsauto vanaf 13 februari 2019 tot aan de dag dat [verzoekster] weer de beschikking heeft gekregen over de bedrijfsauto of tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

  6. de onkostendeclaratie van 8 februari 2019 van € 165,01;

  7. een bedrag van € 1172,06 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten;

  8. de wettelijke rente over de hierboven genoemde bedragen, vanaf de respectieve data van opeisbaarheid van de afzonderlijke bedragen tot de voldoening;

5.4.

veroordeelt [verweerster] om de bedrijfsauto aan [verzoekster] ter beschikking te stellen;

5.5.

veroordeelt [verweerster] om uiterlijk binnen één week na betekening van deze uitspraak de salarisspecificaties vanaf de maand december 2018 en de jaaropgave van 2018 van [verzoekster] aan haar te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerster] hier niet aan voldoet, zulks met een maximum van € 10.000,00;

5.6.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op € 966,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

5.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Wolbrink en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2019.