Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4626

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
UTR 19/1233
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningurgentie. Verzoek is terecht afgewezen omdat niet is gebleken dat binnen drie maanden over een andere woning moet kunnen worden beschikt. Ongegrond.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1233

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.C. van 't Hooft),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen, verweerder

(gemachtigde: R. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om woningurgentie afgewezen.

Bij besluit van 5 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiseres heeft om woningurgentie gevraagd omdat zij de koopwoning die zij samen met haar drie kinderen bewoont, moet verlaten. Dit is bepaald door de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 22 juni 2018 in de echtscheidingsprocedure tussen eiseres en haar ex-echtgenoot. De rechtbank heeft daarin bepaald dat de levering van de echtelijke woning niet eerder zal plaatsvinden dan 8 maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De echtscheidings-beschikking is op [2018] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

  2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de randvoorwaarde van artikel 2.2, eerste en tweede lid, van de Huisvestingsverordening Gooi- en Vechtstreek 2015 (Huisvestingsverordening). Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan de criteria voor urgentie. Er bestaat ook geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen vindt verweerder.

  3. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte veronderstelt dat geen sprake is van een noodsituatie. Vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding is eiseres gehouden de woning zo snel mogelijk te verlaten. Er wordt in toenemende mate druk op haar uitgeoefend.

  4. Om voor urgentie in aanmerking te komen moet een aanvrager voldoen aan de randvoorwaarden voor urgentie, zoals neergelegd in artikel 2.2. van de Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek 2015. De randvoorwaarden zijn de volgende:
    - er dient sprake te zijn van een noodsituatie die vergt dat er direct of uiterlijk binnen drie maanden een woning beschikbaar komt ter voorkoming van ernstige schade voor het welzijn van de woningzoekende, waarbij de schade het rechtstreeks gevolg is van de bestaande woonsituatie; en
    - de woningzoekende dient aan te tonen dat hij getracht heeft het probleem zelf op te lossen.

  5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres ten tijde van de aanvraag en het primaire besluit niet kon aantonen dat zij uiterlijk binnen drie maanden haar woning diende te verlaten. Door het Regionaal Urgentiebureau is namens verweerder meerdere malen contact gezocht met eiseres en haar gemachtigde om hierover duidelijkheid te verkrijgen, maar door de gemachtigde van eiseres is hierop niet gereageerd. Gelet op de bepaling in de echtscheidingsbeschikking van 22 juni 2018 kon verweerder er daarom vanuit gaan dat eiseres niet binnen drie maanden over een andere woning moest kunnen beschikken. Ten tijde van het bestreden besluit was de echtscheidingsbeschikking inmiddels ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, maar resteerden er van de 8 maanden nog in ieder geval ruim vier. Ook op dat moment deed zich dus nog niet de situatie voor dat eiseres binnen drie maanden haar woning diende te verlaten. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres niet voldoet aan de randvoorwaarde van artikel 2.2. van de Huisvestingsverordening. Of eiseres voldoende inspanningen heeft verricht om een eigen woning te verkrijgen, behoeft gelet hierop geen verdere bespreking.

  6. In beroep heeft eiseres een vonnis in kort geding van 5 september 2019 overgelegd waaruit blijkt dat eiseres is veroordeeld om de woning per 1 november 2019 te ontruimen. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat dit in deze procedure niet in de beoordeling wordt meegenomen en dat het eiseres vrij staat om een nieuwe aanvraag om urgentie in te dienen. Daarbij wordt ook bekeken of eiseres tussentijds voldoende heeft gedaan om een eigen woning te verkrijgen. Dit vraagt en nieuwe beoordeling waarbij nog onduidelijk is wat de uitkomst is. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder, gelet op de ex-tunc toetsing van het bestreden besluit. Het overgelegde vonnis werpt een nieuw licht op de zaak die door verweerder opnieuw beoordeeld dient te worden nadat daartoe een aanvraag is ingediend.

7. Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast. Zij heeft drie kinderen die alle drie zijn gediagnosticeerd met ADHD en/of autisme. Ze volgen alle drie speciaal onderwijs en gaan naar een aangepaste vorm voor naschoolse opvang. Hierdoor zijn ze gebonden aan de gemeente Huizen. De kinderen kunnen ook niet naar hun vader. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden niet dusdanig bijzonder zijn dat ze toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Echtscheidingen komen veel voor en dit genereert een grote groep mensen die om die reden op zoek moet naar een andere woning.
Daarbij zijn vaak kinderen betrokken voor wie dit een moeilijke periode is. Verweerder heeft in de door eiseres geschetste problematiek van de kinderen (ADHD en/of autisme) ook geen aanleiding hoeven zien om een ongerechtvaardigde hardheid aan te nemen. Deze situaties doen zich (helaas) ook vaker voor. Hoewel de rechtbank, net als verweerder, er begrip voor heeft dat eiseres zich in een moeilijke situatie bevindt, onderscheidt zij zich dus niet van vele anderen die ook een andere woning nodig hebben op een krappe woningmarkt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid af kunnen zien van het toepassen van de hardheidsclausule.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.