Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4604

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
UTR 19/1030
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor woning. Stukken na zitting geen reden voor heropening. Beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1030

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder

(gemachtigde: mr. S.A. Joosten).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] (gemachtigde: mr. C.J.A. Boere)

Procesverloop

Met het besluit van 17 januari 2019 heeft verweerder aan derde-partij (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning aan de [adres 1] te [woonplaats] .

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Eiser is met zijn gemachtigde op de zitting gekomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en ing. [A] . Vergunninghouder is ook samen met zijn gemachtigde op de zitting gekomen.

Na sluiting van het onderzoek heeft eiser op 3 september 2019 nog een brief met bijlagen gestuurd.

Overwegingen

Ontvangst stukken na de zitting

1. De brief die eiser na afloop van de zitting op 3 september 2019 heeft verstuurd is niet

betrokken bij deze uitspraak. Artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 bepaalt dat na sluiting van het onderzoek ter zitting ingediende stukken buiten beschouwing blijven, tenzij deze aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. Dat laatste is niet het geval.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser woont op het adres [adres 2] in

[woonplaats] . Vergunninghouder is voornemens een vrijstaande woning te bouwen op het adres [adres 1] in [woonplaats] . Dit perceel is 720 m² en wordt begrensd door woonbebouwing aan de [straat] (westzijde) en de [straat] (oostzijde). Aan de zuidzijde ligt de [straat] . Het perceel van eiser en het perceel van vergunninghouder grenzen aan elkaar in de punt van de beide achtertuinen. Vergunninghouder heeft op 20 december 2017 de omgevingsvergunning aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag van 4 oktober 2018 tot
15 november 2018 ter inzage gelegd. Eiser heeft op 7 november 2018 een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

De omgevingsvergunning

3. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen (artikel

2.1, eerste lid, sub a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, sub c van de Wabo). Ter plaatse is het bestemmingsplan ‘Kemperbergerweg’ van toepassing. Op het perceel rust deels de bestemming ‘Wonen’ en deels de bestemming ‘Tuin’. Het bouwplan is in strijd met artikel 15.2 van het bestemmingsplan. In dit artikel is bepaald dat er uitsluitend binnen het bouwvlak binnen de bestemming passende hoofdbebouwing gebouwd mag worden. Op het perceel is geen bouwvlak aanwezig.

Verweerder heeft van het bestemmingsplan afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub, onder 3 van de Wabo. Verweerder heeft zich op basis van de bij de aanvraag ingediende ruimtelijke onderbouwing op het standpunt gesteld dat de woning ruimtelijk inpasbaar is.

Kern van het geschil

4. De kern van het geschil tussen partijen is waar de woning op het perceel geplaatst moet worden. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend waarbij de voorgevel van de woning op 12 meter van de perceelgrens aan de kant van [straat] komt. Eiser is van mening dat de afstand van de voorgevel van de woning tot de perceelgrens aan de [straat] korter moet zijn, namelijk 5 à 6 meter.

5.
Vergunninghouder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet alle gronden besproken kunnen worden, omdat eiser andere punten heeft aangevoerd dan in de zienswijze. Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6:13 van de Awb (zie Kamerstukken II 2003/04, 29 421, nr. 3, p. 7 en Kamerstukken II 2004/05, 29 421, nr. 11) kent het bestuursrecht weliswaar een onderdelenfuik, maar geen grondenfuik. De rechtbank volgt het standpunt van vergunninghouder daarom niet. De beroepsgronden kunnen dus besproken worden, ook als deze nog niet in de zienswijze zijn aangevoerd.

Beoordelingskader
6. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het besluit om al dan niet medewerking te verlenen aan een activiteit in afwijking van het bestemmingsplan een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft waarbij de rechtbank terughoudend dient te toetsen. Dit betekent dat verweerder een zekere beleidsruimte heeft en dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

7. De rechtbank benadrukt verder dat de beoordeling zich beperkt tot de omgevingsvergunning zoals die is verleend. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verweerder déze omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen, en niet of er een (voor eiser) betere optie verleend had moeten worden. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat verweerder dient te beslissen op een ingediende aanvraag en alternatieven niet hoeft te onderzoeken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1015).

8. Ter zitting is er met partijen gesproken over de totstandkoming van de aanvraag. Vergunninghouder heeft toegelicht dat er overleg is geweest met verweerder en dat als gevolg daarvan de positionering van de woning op het perceel is bepaald. De stedenbouwkundige van verweerder heeft daarbij toegelicht dat het voor verweerder onder meer van groot belang is geweest om bomen te sparen. Na overleg met een bomendeskundige is de afstand van de voorgevel tot de [straat] bepaald op 12 meter. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat dit punt voor hem van belang is, maar dat doet niet af aan het beoordelingskader en de vaste rechtspraak zoals hierboven genoemd.

De ruimtelijke onderbouwing

9. Eiser voert aan dat de vergunning op basis van de ruimtelijke onderbouwing niet verleend had mogen worden. De ligging van de woning op het perceel is stedenbouwkundig onaanvaardbaar. Volgens eiser is het plan pas stedenbouwkundig aanvaardbaar te achten als de afstand van de woning tot de [straat] 5 à 6 meter is. Eiser verwijst daarbij naar het contra-advies van [B] van [adviesbureau] . In dit contra-advies stelt [B] dat de stedenbouwkundige beoordeling en motivering ontbreekt in de ruimtelijke onderbouwing. Er wordt niet toegelicht wat de kernkwaliteiten van het gebied zijn en er wordt niet onderbouwd waarom de woning aansluit op de andere woonbebouwing van het blok. Er wordt onvoldoende aangesloten bij de andere bebouwing aan de [straat] , aldus [B] .

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op de ruimtelijke onderbouwing heeft kunnen baseren en overweegt daartoe als volgt. In de ruimtelijke onderbouwing worden verschillende kernkwaliteiten van het gebied beschreven. Het gebied is een woongebied zonder landschappelijke waarden en een ‘lappendeken van functies en karakteristieken, met als voornaamste functie wonen’. Een belangrijke kernkwaliteit is groene inpassing. Mede daarom is gekozen voor een 12 meter diepe voortuin: een grote tuin past in de groene setting. De percelen en tuinen in de buurt zijn groot. Daarom zijn er grote afstanden tot de buren gerekend. Tot slot sluit de woning qua volume en bouwhoogte ook aan bij de woningen in de buurt. Verweerder heeft in de omgevingsvergunning op basis van de ruimtelijke onderbouwing de afweging gemaakt en het plan ruimtelijk inpasbaar geacht. De nieuw te bouwen woning voegt zich in de bestaande bebouwingsstructuur van vrijstaande woningen om ruime kavels van 200 m² of meer. Ook de afstand van het hoofdgebouw tot het aangrenzende perceel (10 meter) is een karakteristiek waar de nieuwe ontwikkeling aan voldoet. Het perceel wordt direct ontsloten vanaf de aangrenzende weg en is niet gelegen op een geïsoleerd binnenterrein. Gezien de ligging, de geringe massa, de beperkte hoogte en de voorgestelde afstand tot de aangrenzende percelen is de nieuwe ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar, aldus verweerder. In het verweerschrift, met daarbij een nadere toelichting van stedenbouwkundige [A] , wordt de afweging door verweerder nogmaals toegelicht. Er is door verweerder naar de grotere context van het gebied gekeken. De [straat] is een rechte laan in woongebied, waarbij de [gebied] ( [adres 3] ) het omslagpunt naar een meer bosachtige omgeving is. De vergunde plaatsing van het hoofdgebouw versterkt deze groenstructuur optimaal. De afstand tot de dichtstbijzijnde hoofdgebouwen is 15 meter en de afstand tot het hoofdgebouw van eiser is 22 meter. Gelet op de nokhoogte, die ook aansluit bij de omliggende panden, acht verweerder dit acceptabel. In reactie op het contra-advies van [B] heeft de stedenbouwkundige verder toegelicht dat er bewust voor gekozen is om de rooilijn van de nieuwe bebouwing (de woning van vergunninghouder) terug te leggen om het groene profiel van de [straat] , komende vanuit het oosten, door te zetten. De rechtbank kan deze toelichting goed volgen en ziet geen aanleiding om deze afweging onredelijk te achten. De contra-expertise van [B] maakt dat niet anders. Door [B] wordt niet benoemd waarom de afstand van 12 meter tot de perceelgrens niet kan, maar vooral waarom het 5 à 6 meter zou moeten zijn. Zoals hiervoor overwogen spitst de beoordeling zich echter toe op de vraag of het plan zoals het er nu ligt ruimtelijk aanvaardbaar is, en niet op de vraag of er alternatieven mogelijk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

De belangenafweging

11. Eiser voert verder aan dat er geen rekening is gehouden met zijn belangen. De omgevingsvergunning had daarom niet in redelijkheid verleend kunnen worden. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij met name vindt dat meer rekening gehouden had moeten worden met zijn privacy.

12. De rechtbank is van oordeel dat uit de omgevingsvergunning blijkt dat verweerder de belangen van eiser heeft betrokken in zijn afweging. Het is niet gebleken dat er belangen zijn gemist. De vraag is dan of de uitkomst van de belangenafweging dusdanig onevenredig is, dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. Verweerder is in de omgevingsvergunning ingegaan op de belangen van eiser en overweegt dat het uitzicht van eiser door de bouw van de woning voor een gedeelte zal wijzigen, maar verweerder is van mening dat het woongenot niet onevenredig wordt aangetast. Er worden grote afstanden gehanteerd, waarbij het hoofdgebouw op circa 10 meter van de perceelgrens wordt geplaatst. In de reactie op het contra-advies van [B] heeft de stedenbouwkundige verder toegelicht dat dit zonder meer ruimtelijk aanvaardbaar is, omdat er maatregelen genomen kunnen worden in de vorm van erfafscheidingen en opgaand groen. Ook het belang van privacy wordt dus niet onevenredig aangetast. Verder heeft de stedenbouwkundige in die reactie aan de hand van een bezonningstekening toegelicht dat er maar een deel van het jaar sprake is van een beperkte schaduwwerking op het perceel van eiser. Een dergelijke schaduwwerking wordt gezien als een niet onevenredige aantasting. De rechtbank kan deze belangenafweging volgen en acht hierbij van belang dat de bestemming van het perceel al ‘wonen’ was. Dat er lange tijd geen invulling is gegeven aan die bestemming, maakt niet dat het belang van eiser met dit plan dusdanig onevenredig wordt geschaad dat verweerder in redelijkheid van vergunningverlening af had moeten zien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

13. Gelet op bovenstaande overwegingen heeft verweerder heeft de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.