Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4594

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
7446140 UC EXPL 19-84
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Formele verweren zonder inhoudelijk belang. Proceskosten hoger door keuze van gedaagden om afzonderlijk verweer te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7446140 UC EXPL 19-84 nig/1449

Vonnis van 9 oktober 2019

in de zaak van

de [eiseres] in [woonplaats],

gevestigd in [woonplaats] ,

verder ook te noemen de [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor Visser,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

als wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige [minderjarige],

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.D.J. van Ruyven.

1 Waar gaat de zaak over?

1.1.

Deze zaak gaat over het appartement [adres] , dat deel uitmaakt van de [eiseres] . Het appartement was eigendom van [A] , de vader van [gedaagde sub 1] (geboren in 1994) en van [minderjarige] (geboren in 2002). De vader is in 2015 overleden; [gedaagde sub 1] en [minderjarige] zijn zijn erfgenamen. Zij hebben de nalatenschap voorwaardelijk aanvaard. [minderjarige] is minderjarig en wordt vertegenwoordigd door haar moeder [gedaagde sub 2] . Het appartement wordt verhuurd.

1.2.

[A] was als eigenaar van een appartement lid van de [eiseres] . Hij moest een maandelijkse bijdrage betalen. Die bedroeg in 2018 € € 223,57 per maand en in 2019 € 228,90. Door het overlijden van de eigenaar is de eigendom van het appartement overgegaan op de erfgenamen, en ook de verplichting om de bijdrage te betalen.

1.3.

De [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] en vervolgens ook [gedaagde sub 2] gedagvaard en betaling gevorderd van de achterstand in de maandelijkse bijdragen (in januari 2019 € 1.990,25) te betalen, plus de lopende termijnen, de rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in twee ronden schriftelijk verweer gevoerd.

2 Wat vindt de kantonrechter ervan?

2.1.

In deze zaak zijn veel formele punten aan de orde gesteld. Daarom is het goed om vooraf even duidelijk te maken waar het om draait. Het belangrijkst is de vraag wat er inhoudelijk aan de hand is. Dat is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een achterstand hebben bij de [eiseres] . De formele kwesties zijn van belang als die tot gevolg hebben dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich niet goed tegen de vordering kunnen verweren. Dat zeggen zij wel, maar het blijkt niet. De [eiseres] heeft in eerste instantie inderdaad alleen [gedaagde sub 1] gedagvaard, maar dat is gebeurd op het adres van zijn moeder, door betekening aan ‘zijn moeder en huisgenote’. Toen zij zich voor [minderjarige] in de procedure voegde, deed zij dat met dezelfde advocaat als [gedaagde sub 1] en letterlijk gelijkluidende teksten. De kantonrechter begrijpt niet op welke manier [gedaagde sub 1] en zijn moeder benadeeld zijn in hun mogelijkheid om inhoudelijk verweer te voeren. Dat geldt ook voor het feit dat de [eiseres] bepaalde gegevens (zoals de splitsingsakte) niet bij de dagvaarding al had overgelegd. Men mag trouwens aannemen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] die zelf al in hun bezit hadden, of dat zij – als eigenaar van een appartement – die eenvoudig hadden kunnen opvragen.

2.2.

Op de formele verweren gaat de kantonrechter dus niet verder in. Inhoudelijk is de zaak eenvoudig. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geven geen inhoudelijke argumenten waarom zij de maandelijkse bijdragen niet hoeven te betalen. Ook de achterstand betwisten zij niet. Dat zij die moeten betalen, staat dus vast.

2.3.

In de hoofdsom zit een boete van € 100 voor ‘no-show firma [firma] ’. Dat gaat over een bezoek van een bedrijf dat de gemeenschappelijke ventilatiekanalen kwam schoonmaken, maar er niet in kon. Dit onderdeel wordt wel betwist, maar ten onrechte. De [eiseres] heeft onder meer tot taak om te zorgen voor onderhoud van gemeenschappelijke onderdelen van het gebouw. Zo nodig zullen de eigenaren daaraan mee moeten werken. Wanneer iemand dat niet doet en daardoor extra kosten veroorzaakt, mag de [eiseres] die doorbelasten aan de nalatige appartementseigenaar. Er is geen reden waarom de andere appartementseigenaren daarvoor zouden moeten opdraaien. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren aan dat de gemeente de woning verzegeld had, omdat hun huurder daarin een hennepplantage had, maar dan hadden zij met de [eiseres] (en met de gemeente) kunnen overleggen over een oplossing. Ook dit bedrag moeten zij dus betalen.

2.4.

De toekomstige termijnen kunnen worden toegewezen zoals gevorderd, maar alleen voor zover ze bekend zijn. De kantonrechter vindt het niet juist om nu al te beslissen over verhogingen die de [eiseres] in de toekomst misschien zal vaststellen. Overigens is dat natuurlijk geen vrijbrief om die niet te betalen.

2.5.

Dan de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering vloeit voort uit het lidmaatschap van de [eiseres] , dat wil zeggen uit het feit dat [gedaagde sub 1] en [minderjarige] eigenaar zijn van het appartement, en niet uit een overeenkomst. De regels van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zijn dus niet rechtstreeks van toepassing. De [eiseres] heeft wel voldoende moeite gedaan om buiten de rechter om betaling te verkrijgen, waaronder een ‘veertiendagenbrief’ die voldoet aan de eisen van de wet. Het bedrag correspondeert met de tarieven in het Besluit, die hier gelden als richtlijn voor wat een redelijke vergoeding is. Het is wel meer dan de € 13 die in het huishoudelijk reglement genoemd wordt (zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] opmerken), maar daar wordt ook gesproken over andere kosten die in rekening gebracht kunnen worden. De vordering is daarom toewijsbaar.

2.6.

Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ongelijk krijgen, worden zij ook in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van de [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 203,50

- griffierecht € 486,00

- salaris gemachtigde € 720,00 (4 punten x tarief € 180,00)

totaal € 1.409,50.

Deze kosten vallen hoger uit dan gebruikelijk, doordat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] afzonderlijk verweer gevoerd hebben; de [eiseres] heeft daardoor extra proceshandelingen moeten verrichten.

3 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (dat wil zeggen: een betaling van één van hen geldt als betaling van allebei) om aan de [eiseres] te betalen:

  • -

    € 1.990,25 aan achterstand tot 1 januari 2019, met € 3,49 aan wettelijke rente tot 12 december 2018 en vanaf die datum de verdere wettelijke rente over € 1.990,25;

  • -

    € 294,21 voor buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    € 228,90 per maand vanaf 1 januari 2019 zolang zij eigenaar zijn van het appartement [adres] in [woonplaats] , met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van iedere termijn;

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (dat wil zeggen: een betaling van één van hen geldt als betaling van allebei) tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de [eiseres] , tot vandaag begroot op € 1.409,50, waarin begrepen € 720,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.