Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4567

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
16/660224-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen van 31, 38 en 48 zijn vrijgesproken van een vermeende poging afpersing in Rhenen. Volgens de rechtbank is er onvoldoende bewijs dat de verdachten de aangever twee jaar geleden hebben geprobeerd af te persen.

Volgens de officier van justitie wilden de verdachten het slachtoffer voor 60.000,- afpersen. Op de avond van 4 november 2017 zochten de drie mannen uit Haarlem, Spaarndam en Lienden de aangever op in een café in Rhenen. Toen hij daar niet was, zouden ze naar zijn huis zijn gegaan. Daar hebben de mannen buiten met de aangever staan praten. Ze maakten hem duidelijk dat hij 60.000 euro moest betalen. Als hij dat niet deed, zou hij niet meer levend thuis komen. In de dagen daarna benaderden de mannen ook de partner van de aangever.

De rechtbank vindt de verklaring van de aangever in de kern betrouwbaar. Maar alleen zijn verklaring is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Er moet dus ander bewijsmateriaal zijn dat het verhaal van de aangever ondersteunt. Maar dat bewijs is er niet. Een getuige, de partner van de aangever, heeft op belangrijke punten wisselend en tegenstrijdig verklaard. Bovendien verschillen haar verklaringen van die van de aangever. Hierdoor vindt de rechtbank de verklaringen van deze getuige onvoldoende betrouwbaar om de verdachten te veroordelen. Dit alles maakt dat er in deze zaak geen sprake is van genoeg wettig bewijs. De rechtbank spreekt alle drie de verdachten daarom vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660224-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] , gem. [gemeente] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. B. Nitrauw en van hetgeen verdachte en mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 4 november 2017 tot en met 20 november 2017 te Lienden en/of Elst en/of Rhenen en/of Veenendaal geprobeerd heeft om samen met anderen [aangever] af te persen voor een bedrag van 60.000 euro.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde, voor zover opgenomen onder de gedachtestreepjes één tot en met drie, wettig en overtuigend te bewijzen. Zowel de verklaring van aangever, als de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn betrouwbaar, nu deze verklaringen van een afstand bekeken hetzelfde beeld geven en het om een kennelijk hectische en imponerende situatie ging. De verklaring van aangever dat in de nacht van 4 op 5 november 2017 tegen hem door één van de mannen is gezegd dat hij 60.000 euro moet betalen of dat hij anders dood zal worden gemaakt, wordt bovendien ondersteund door de verklaring van [getuige 1] , waaruit blijkt dat zij na die nacht gesprekken heeft gevoerd met een medeverdachte, waarin die bedreiging is herhaald. Voor een bijdrage van verdachte bij de overige gedachtestreepjes bestaat onvoldoende wettig bewijs, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, nu de verklaring van getuige [getuige 1] onbetrouwbaar is en er daardoor onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangever, die overigens ook met de nodige behoedzaamheid moet worden bekeken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij in vereniging met anderen heeft gepoogd aangever af te persen door zelf en/of (met) zijn mededaders in de nacht van 4 op 5 november 2017 aangever persoonlijk te benaderen, in de daaropvolgende dagen tweemaal de partner van aangever te benaderen en door tenslotte in de vroege ochtend twee mannen naar de woning van aangever te sturen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken met betrekking tot de gedragingen die zouden hebben plaatsgevonden na 5 november 2017, nu hiervoor onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Verdachte zal dan ook met betrekking tot de laatste drie gedachtestreepjes worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het overige deel van de tenlastelegging overweegt de rechtbank als volgt.

Aangever heeft verklaard dat in de nacht van 4 op 5 november 2017 vier mannen aan zijn deur stonden, dat hij mee moest lopen met één van hen en dat deze man tegen hem zei dat hij 60.000 euro moest betalen, en dat hij anders niet meer levend thuis zou komen. Voorts heeft aangever verklaard dat één van de andere mannen hem bij zijn keel heeft gepakt en dat hij is geschopt.

De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaring van aangever in de kern betrouwbaar acht. Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid van het Wetboek van Strafvordering is echter de enkele verklaring van één getuige (in dit geval aangever) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. In het dossier moet zich aldus ander bewijsmateriaal bevinden dat de verklaring van aangever op specifieke punten ondersteunt. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen – de auditu ofwel ‘van horen zeggen’ – verklaren over wat zij (destijds) van aangever hebben gehoord. De bron van deze verklaringen blijft dan immers steeds aangever.

De rechtbank moet in deze zaak de vraag beantwoorden of aan het hiervoor genoemde bewijsminimum is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de getuige [getuige 1] , de partner van aangever, op essentiële punten wisselend en innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft zij bijvoorbeeld ten overstaan van de politie enerzijds verklaard dat zij pas achteraf van aangever heeft gehoord dat hem in de nacht van 4 op 5 november 2017 door één van de mannen is verteld dat hij 60.000 euro moest betalen, terwijl zij anderzijds in diezelfde verklaring én later bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij die nacht zelf heeft gehoord dat één van de mannen (meerdere keren) heeft geroepen dat aangever 60.000 euro moest betalen. Daarnaast heeft [getuige 1] niet consistent verklaard over het gebruikte geweld. Bij de politie heeft zij immers verklaard dat zij vanuit het raam boven heeft gezien dat de man met wie aangever naar de patatzaak was gelopen, aangever bij de keel greep, terwijl zij bij de rechter-commissaris in eerste instantie heeft verklaard dat zij niet weet of aangever bij zijn keel is gegrepen. Op deze essentiële punten verschillen haar verklaringen bovendien van de verklaringen van aangever zelf. Aangever heeft immers verklaard dat hij van man 1 hoorde dat hij 60.000 euro moest betalen toen hij met hem meeliep naar het cafetaria en dat hij daarna door een andere man, namelijk man 2, bij de keel is gegrepen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van getuige [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar en zal de rechtbank deze in hun geheel uitsluiten van het bewijs.

Ook de verklaring van [getuige 2] biedt onvoldoende steun aan de verklaring van aangever. Zij heeft immers niet zelf gehoord dat één van de mannen in de nacht van 4 op 5 november 2017 tegen aangever heeft gezegd dat hij 60.000 euro moest betalen, maar heeft dit achteraf van aangever vernomen. De bron van haar verklaring is dus aangever en deze ‘de auditu-verklaring’ kan niet voor het bewijs worden gebruikt.

Het tapgesprek van 15 november 2017 tussen aangever en verdachte biedt evenmin voldoende bevestiging voor de verklaring van aangever, aangezien hieruit onvoldoende expliciet en concreet blijkt dat dit gesprek ziet op de afpersing van een geldbedrag, zoals door aangever is gesteld.

Ook in de rest van het dossier bevindt zich, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende onafhankelijk ondersteunend bewijs voor de verklaring van aangever dat tegen hem is gezegd dat hij 60.000 euro moest betalen of dat hij anders zou worden gedood. Verdachte zal dan ook voor dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Het vorengaande heeft tot gevolg dat geen sprake is van voldoende wettig bewijs en dat verdachte derhalve integraal dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- heft op het geschorste bevel bewaring.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. Spruit, voorzitter, mrs. E.J.W. Verhaagh en M.E. Falkmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. Versluis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 4 november 2017 tot en met 20 november 2017 te Lienden en/of Elst en/of Rhenen en/of Veenendaal, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van circa 60.000 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- naar een café in Elst is/zijn gegaan waar die [aangever] vaak kwam en/of

- ( vervolgens) naar café [café] in [woonplaats] is/zijn gegaan en/of aldaar naar die [aangever] heeft/hebben gevraagd en/of (daarbij) een jas/jassen van No Surrender heeft/hebben gedragen en/of

- ( vervolgens) naar de woning van die [aangever] is/zijn gegaan en/of tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd dat hij nog 60.000 euro moest betalen en dat hij zelf wel wist waarvoor en/of die [aangever] bij de keel heeft/hebben gegrepen en/of geschopt en/of (daarbij) tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd dat hij 60.000 euro moest betalen en dat hij anders niet levend thuis zou komen en/of dat hij kapot zou worden geschoten en/of (telefonisch) tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd dat hij beter kon betalen aan No Surrender en niet zou praten met de politie anders zouden ze hem zeker dood gaan schieten en/of

- ( telefonisch) tegen de partner van die [aangever] , te weten [getuige 1] , heeft/hebben gezegd dat die [aangever] sowieso 60.000 euro moest gaan betalen, want anders ging hij eraan en/of

- naar het werk van voornoemde [getuige 1] is/zijn gegaan en/of tegen die [getuige 1] heeft/hebben gezegd dat de mannen over een week contact zouden opnemen en/of dat [aangever] sowieso moest gaan betalen en/of

- ( in de nacht) (in donkere kleding) naar de woning van die [aangever] is/zijn gegaan en/of twee personen (in donkere kleding) naar de woning van die [aangever] heeft/hebben gestuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.