Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4565

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
C/16/487090 / KG ZA 19-568
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Nederlandse Spoorwegen (NS Reizigers) krijgen de eigendom van 48 zogenoemde buffeltreinen terug. Dat heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland bepaald in een kort geding tussen de NS en het Roemeense Ferotrans.

In 2014 en 2017 kocht het bedrijf de verouderde treinstellen van de NS. De eigendom is overgegaan van het Nederlandse vervoerbedrijf naar Ferotrans. De treinstellen staan gestald op een stuk spoor bij Nijmegen. In totaal gaat het om zo’n 2,5 kilometer trein. Afgesproken is dat de treinen uiterlijk in april 2018 weggehaald zullen worden, maar dat is niet gebeurd. Spoorbeheerder ProRail heeft in 2016 bekend gemaakt dat het spoor rondom Nijmegen wordt vernieuwd. Die werkzaamheden beginnen 1 oktober van dit jaar. Omdat de treinen in de weg staan, en het Roemeense bedrijf de treinen niet ophaalt, wil de NS de eigendom terug zodat ze zelf de treinen weg kan halen. Volgens de NS legt ProRail hun een boete van 1000 euro per treinstel op als de treinen er begin oktober nog staan.

Op zitting heeft het bedrijf Ferotrans betoogd dat zij de treinen wel weg wil halen maar dat de NS tegenwerkt, door onder andere niet de juiste papieren te leveren. De NS zegt juist dat ze alles heeft gedaan zodat Ferotrans de treinen kon vervoeren. “Er nu nog samen uitkomen is een gepasseerd station”, aldus de NS.

De behandeling van het kort geding vond afgelopen dinsdag plaats. Vanwege het spoedeisend belang, over minder dan een week wil ProRail beginnen met de werkzaamheden, is daarom een zogenoemd kop-staartvonnis uitgesproken. De voorzieningenrechter heeft een beslissing genomen, en een gemotiveerd vonnis volgt zo snel mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/487090 / KG ZA 19-568

Vonnis in kort geding van 25 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS REIZIGERS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.F. Dröge te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

S.C. FEROTRANS-T.F.I. S.R.L.,

gevestigd te Iasi (Roemenië),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. van Bladel-Oltean te Utrecht.

Partijen worden hierna NSR en Ferotrans genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 47

  • -

    de eiswijziging van NSR

  • -

    de conclusie van antwoord en eis in reconventie met producties 1 tot en met 9

  • -

    de mondelinge behandeling van 24 september 2019

  • -

    de pleitnota van NSR

  • -

    de pleitnota van Ferotrans met producties.

1.2.

NSR maakt bezwaar tegen de conclusie van antwoord en eis in reconventie met alle producties van Ferotrans, omdat deze te laat zijn ingediend. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat met al deze stukken toch rekening wordt gehouden, behalve met productie 5. Deze productie bestaat uit de correspondentie tussen Ferotrans en NSR en tussen Ferotrans en drie transporteurs vanaf december 2017 tot en met nu. Het gaat om meer dan 300 pagina’s, waarbij Ferotrans niet bij het indienen ervan heeft aangegeven welke brief belangrijk is voor welk standpunt van haar. De eerste helft van productie 5 heeft NSR rond 15.00 uur op de dag voor de zitting ontvangen en de tweede helft pas om 18.45 uur. De voorzieningenrechter vindt de tijd die NSR nog over had om productie 5 te lezen, te bespreken en daarop te reageren te kort, vanwege de grote omvang en de aard daarvan (correspondentie over een periode van bijna twee jaar waar niet gericht naar wordt verwezen). Het beginsel van hoor en wederhoor en daarmee de goede procesorde komt hierdoor in het gedrang. De voorzieningenrechter zal productie 5 van Ferotrans daarom niet gebruiken bij het nemen van zijn beslissing.

1.3.

NSR heeft op zitting haar eis nog verder gewijzigd. Zij vordert nu ook dat de voorzieningenrechter de termijn van artikel 3: 301 lid 1 BW bepaalt op 24 uur in plaats van veertien dagen. Ferotrans heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen.

1.4.

Daarna is bepaald dat er een vonnis komt.

1.5.

Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is op 25 september 2019 vonnis uitgesproken. Het onderstaande is de schriftelijke uitwerking daarvan en is op 1 oktober 2019 vastgesteld.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

NSR en NSFSC (beide dochtermaatschappijen van de N.V. Nederlandse Spoorwegen) waren eigenaar van 53 treinstellen van het type DM’90. In 2017 zijn deze treinstellen uitgefaseerd; ze werden niet meer ingezet op het Nederlandse spoor. 48 van de DM’90 treinstellen zijn verkocht aan Ferotrans. 1 treinstel al in 2014, 27 treinstellen op 18 juli 2017 en 20 treinstellen op 15 november 2017. Ferotrans heeft deze treinstellen betaald en de eigendom ervan is aan Ferotrans overgedragen.

Bij de koopovereenkomsten van juli en november 2017 is afgesproken dat het grootste gedeelte van de treinstellen uiterlijk op 15 april 2018 door Ferotrans zou worden opgehaald. Een kleiner deel van de treinstellen moest al eerder worden opgehaald. Ferotrans heeft dat niet gedaan. Alle 48 treinstellen staan nog steeds op een rangeerterrein van ProRail in Nijmegen. Dat rangeerterrein moet uiterlijk op 30 september 2019 leeg zijn, want vanaf 1 oktober 2019 starten daar werkzaamheden. NSR zegt dat zij een boete van € 48.000 aan ProRail moet betalen als de treinstellen niet op tijd weg zijn.

NSR vond daarom dat zij niet langer op Ferotrans kon wachten en heeft op 21 augustus 2019 de drie koopovereenkomsten ontbonden. NSR kon alle koopovereenkomsten ontbinden, want NSCFSC had inmiddels haar rechten en plichten uit de koopovereenkomst tussen haar en Ferotrans overgedragen aan NSR. Na de ontbinding van een koopovereenkomst, moet de koop ongedaan worden gemaakt. Dat betekent dat de koper de gekochte goederen moet teruggeven en de verkoper moet de koopprijs terugbetalen. NSR heeft Ferotrans daarom gevraagd om de eigendom van de treinstellen terug aan haar over te dragen, maar Ferotrans heeft dat niet gedaan. NSR wil er met dit kort geding voor zorgen dat de eigendom van de treinstellen alsnog aan haar wordt overgedragen, zodat zij de treinstellen zo snel mogelijk van het rangeerterrein kan verwijderen.

Ferotrans is het niet eens met de ontbinding. Zij vindt dat de treinen haar eigendom moeten blijven en dat zij in staat moet worden gesteld deze alsnog op te halen. Ferotrans zegt, onder andere, dat het aan NSR ligt dat zij de treinstellen niet kon ophalen. Ferotrans heeft daarom in dit kort geding een tegenvordering ingesteld die inhoudt dat NSR alsnog doet wat zij volgens Ferotrans moet doen om het transport mogelijk te maken. Voor het geval de voorzieningenrechter beslist dat Ferotrans de eigendom van de treinstellen toch aan NSR moet overdragen, vordert Ferotrans dat NSR de koopprijs aan haar terugbetaalt. Ferotrans heeft ook nog andere tegenvorderingen ingesteld.

Hoe loopt het af?

2.2.

De voorzieningenrechter schat in dat de ontbinding van de koopovereenkomsten in een bodemprocedure overeind blijft. Daarom geeft hij NSR in dit kort geding gelijk, in conventie en in reconventie. Hieronder wordt dit uitgelegd.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.3.

Omdat Ferotrans in Roemenië is gevestigd, moet worden bekeken of de Nederlandse rechter de zaak mag behandelen (juridisch gezegd: of deze rechtsmacht heeft) en of het Nederlandse recht moet worden toegepast. Dat is zo. Normaal gesproken zou het Weens Koopverdrag gelden, maar partijen hebben de toepassing van dit verdrag in de overeenkomsten van juli en november 2017 uitgesloten. Zij hebben in die overeenkomsten afgesproken dat de rechtbank Midden-Nederland exclusief bevoegd is en dat het Nederlandse recht geldt. Beide partijen zijn daarvan in deze rechtszaak ook uitgegaan.

Conventie

NSR is ontvankelijk

2.4.

Ferotrans zegt dat NSR niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Zij geeft daarvoor de volgende redenen.

De zaak is niet geschikt om in kort geding te worden beslist. De zaak is namelijk te ingewikkeld en de gevolgen van de beslissing zijn niet te overzien en onomkeerbaar.

Ook heeft NSR geen spoedeisend belang bij haar vorderingen. Als de vorderingen van NSR in dit kort geding worden toegewezen, zijn de gevolgen daarvan voor Ferotrans veel groter dan de gevolgen voor NSR als er nu geen beslissing komt. Daarom moet NSR een bodemprocedure afwachten.

Ferotrans zegt ook dat NSR dit kort geding expres pas laat is gestart, zodat de boetes die Ferotrans verbeurt doordat de treinstellen te laat worden opgehaald inmiddels hoger zijn dan de koopprijs die NSR terug moet betalen. En ze zegt dat NSR de ontbinding misbruikt om de treinstellen twee keer te kunnen verkopen.

Als de vorderingen van NSR worden toegewezen, is het verplaatsen van de treinstellen volgens Ferotrans nog steeds een probleem, omdat de treinstellen niet voor 30 september 2019 gesloopt of aan een derde kunnen worden verkocht. De boete wordt dus sowieso door NSR verbeurd. Bovendien volgt uit de algemene voorwaarden van ProRail dat die boete maximaal € 1.000 is. Als NSR inmiddels wel een oplossing heeft gevonden om de treinen te verplaatsen, moet zij die gebruiken. Dat kan ook zonder dat NSR eigenaar is van de treinstellen, want Ferotrans is bereid aan verplaatsing van de treinstellen mee te werken, zo zegt Ferotrans.

2.5.

De voorzieningenrechter oordeelt dat NSR ontvankelijk is in haar vorderingen.

2.6.

Een zaak is niet snel te onduidelijk of te ingewikkeld om in een kort geding te kunnen behandelen. Daarvan is ook nu geen sprake. De gevolgen van het toewijzen van de vordering zijn ook voldoende te overzien. De treinstellen zullen in dat geval volgens NSR gesloopt worden. Als NSR in een bodemprocedure ongelijk krijgt, heeft Ferotrans een schadevergoedingsvordering op NSR. Het slopen van de treinstellen is inderdaad onomkeerbaar. Volgens de Hoge Raad hoeven onomkeerbare gevolgen echter geen belemmering te zijn voor toewijzing van de vordering. De voorzieningenrechter vindt dat hier ook geen belemmering.

2.7.

In artikel 16 lid 4 van de algemene voorwaarden van ProRail staat dat een spoorwegonderneming (zoals NSR) een aanwijzing van ProRail moet opvolgen en als zij dat niet doet, dat zij dan een boete van € 1.000 verbeurt voor de eerste overtreding, € 2.500 voor de tweede overtreding en € 5.000 voor elke volgende overtreding per dienstregelingsjaar. Voor het overtreden van één aanwijzing wordt maximaal een boete van € 25.000 verbeurd. In een brief van 4 juli 2019 van ProRail aan NSR (productie 30 NSR) staat dat zij aan NSR een aanwijzing geeft om de treinstellen te verwijderen en dat NSR een boete van € 1.000 per spoorvoertuig verbeurt als zij dat niet doet. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat ProRail blijkbaar per treinstel een aanwijzing heeft gegeven. In dat geval heeft NSR gelijk als zij zegt dat zij een boete van € 48.000 verbeurt als de treinstellen op 1 oktober 2019 nog op het rangeerterrein in Nijmegen staan. De voorzieningenrechter vindt dat NSR daarom een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Van NSR kan onder deze omstandigheden niet worden verwacht dat zij een bodemprocedure afwacht. Dat een toewijzing van de vorderingen van NSR in dit kort geding grote gevolgen voor Ferotrans kan hebben, maakt dit niet anders.

2.8.

Blijkbaar vindt Ferotrans dat NSR dit kort geding op oneigenlijke gronden is gestart. De voorzieningenrechter is het daar niet mee eens, nog afgezien van de vraag of dit tot niet-ontvankelijkheid zou kunnen leiden. NSR heeft inderdaad gewacht met het ontbinden van de koopovereenkomsten en het starten van dit kort geding, maar dat was om Ferotrans – die meerdere keren had aangegeven dat zij klaar was voor het transport van de treinstellen – de kans te geven om de treinstellen alsnog op te halen. Dat de treinstellen bij toewijzing van de vorderingen niet meer op tijd verplaatst kunnen worden, klopt niet. NSR heeft daarover gezegd dat zij heeft geregeld dat de treinstellen die niet op tijd gesloopt kunnen worden, met moeite en zeer tijdelijk op verschillende andere plaatsten kunnen worden gestald. Ferotrans heeft dat niet tegengesproken en daarom gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat dit juist is.

Inhoudelijke verweren van Ferotrans tegen de ontbinding

2.9.

Het uitgangspunt in deze zaak is dat NSR en Ferotrans in de koopovereenkomsten hebben afgesproken dat Ferotrans alle treinen uiterlijk 15 april 2018 zou hebben opgehaald, dat Ferotrans dit niet heeft gedaan en dat NSR daarom de koopovereenkomsten heeft ontbonden. Ferotrans zegt dat deze ontbinding niet terecht is en geeft daarvoor drie redenen:

  1. het ligt aan NSR dat Ferotrans de treinstellen niet kon ophalen, NSR was dus zelf in verzuim (schuldeisersverzuim) en dan kan Ferotrans niet meer in verzuim raken en is ontbinding niet mogelijk;

  2. als de voorzieningenrechter vindt dat Ferotrans wel in verzuim is geraakt en dus tekort is geschoten, dan rechtvaardigt deze tekortkoming de ontbinding niet;

  3. NSR heeft gezegd dat het om treinstellen met een standaardafmeting ging (“G2”) en daarom heeft Ferotrans de termijn van 15 april 2018 afgesproken en ook afgesproken dat zij een boete zou verbeuren als zij te laat was. Het waren echter treinstellen met afwijkende maten waardoor het transport als “exceptioneel vervoer” geldt en dat transport is veel lastiger te realiseren. Als Ferotrans dit geweten had, had zij niet ingestemd met de termijn van 15 april 2018 en de boetes. Ferotrans heeft daarover gedwaald en vordert daarom dat de boetebepalingen worden vernietigd.

Hieronder worden deze verweren één voor één verworpen.

Verweer 1: schuldeisersverzuim

2.10.

Volgens Ferotrans is het haar niet gelukt om de treinstellen naar Roemenië te vervoeren, omdat NSR haar twee documenten (de in productie 4 van Ferotrans omcirkelde “Einschränkungsberechnung” en “Überprüfung der Fahrzeugbegrenzung (Profilüberschreitungen)”) niet heeft gegeven. Zonder deze documenten zouden de treinstellen niet door Duitsland mogen rijden.

2.11.

NSR en Ferotrans zijn het erover eens dat Ferotrans de twee documenten niet van NSR heeft gekregen en dat Ferotrans daar wel om heeft gevraagd. Ook zijn ze het erover eens dat de treinstellen op dit moment alleen via Duitsland kunnen worden vervoerd. Ze zijn het er echter niet over eens of deze documenten nodig zijn om de treinstellen naar Roemenië te kunnen vervoeren. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat deze documenten wél nodig zijn. NSR heeft deze documenten namelijk in 1998 gebruikt om de DM’90 treinstellen in Duitsland te laten rijden. Bovendien is NSR naar de documenten gaan zoeken toen Ferotrans om deze documenten vroeg. NSR heeft wel gezegd dat zij dat deed uit bereidwilligheid, maar niet dat die zoektocht totaal zinloos was omdat de documenten nooit nodig zijn geweest of nu niet meer nodig zijn omdat de Duitse regels zijn veranderd.

2.12.

Nu de documenten noodzakelijk lijken te zijn, moet de vraag worden beantwoord of NSR deze documenten aan Ferotrans moest geven of deze nu opnieuw moet laten maken of opvragen. NSR en Ferotrans zijn het ook hier niet over eens. In artikel 5.6 van de koopovereenkomsten van juli en november 2017 staat dat de verkoper (in dit geval dus alleen nog NSR) op verzoek van Ferotrans tekeningen, handleidingen en certificaten van de treinstellen geeft mits deze documenten beschikbaar en in het bezit van NSR zijn op het moment van het ondertekenen van de overeenkomst. Als NSR de twee documenten had in juli/november 2017, dan had NSR deze dus aan Ferotrans moeten geven. NSR zegt dat zij de twee documenten toen niet (meer) had en dat zij alle documenten die zij wel had in 2017 aan Ferotrans heeft gegeven. Ferotrans heeft dit niet tegengesproken. Zij zegt dat een door haar ingeschakelde adviseur ( [A] ) deze stukken ook heeft opgevraagd bij Ricardo Rail. Daaruit blijkt dat Ferotrans er rekening mee hield dat NSR de documenten niet meer had. De voorzieningenrechter vindt het voldoende aannemelijk dat NSR de documenten niet meer had op het moment van het sluiten van de koopovereenkomsten van juli en november 2017.

2.13.

Dan blijft de vraag over of NSR deze documenten dan nu nog aan Ferotrans moet geven, bijvoorbeeld doordat zij deze opnieuw laat maken of deze opvraagt bij het EBA in Duitsland (Duitse spoorwegautoriteit)? Het antwoord luidt: nee.

2.14.

Ferotrans zegt dat NSR de documenten had moeten hebben op het moment van het sluiten van de overeenkomsten of dat zij mocht verwachten dat NSR die documenten op dat moment had. Daarom moet NSR artikel 5.6 alsnog nakomen. Zeker nu de treinstellen afwijkende maten hebben en het gaat om bijzonder vervoer, dat zonder deze documenten niet mogelijk is. Bovendien is NSR de enige die de documenten opnieuw kan maken of opvragen. Ferotrans zegt ook nog dat NSR de stukken moet geven vanwege de afspraak die in artikel 9.1 van de koopovereenkomsten van juli en november 2017 staat. Die afspraak houdt in dat elke partij in redelijkheid alle stukken die er zijn moet ondertekenen en alle moeite moet doen om er voor te zorgen dat de treinstellen overgedragen kunnen worden en elke partij het volle voordeel van deze overeenkomsten krijgt.

2.15.

Als de voorzieningenrechter naar artikel 5.6 en artikel 6.3 van de koopovereenkomsten van juli en november 2017 kijkt, dan staat daarin dat Ferotrans de documenten krijgt die er op het moment van de koop zijn en dat zij de treinstellen koopt in de staat waarin ze op dat moment verkeren (“as is”). Kortom: alles wat er op dat moment is en hoe het er is, krijgt Ferotrans. Niet meer. NSR heeft geen andere verplichtingen. Het risico van ontbrekende documenten of van mankementen of afwijkingen aan de treinstellen, ligt dus bij Ferotrans. Artikel 9.1 staat onder het kopje “overige” en is een algemene bepaling. Artikel 5.6 is een bijzondere bepaling, die voorrang heeft op artikel 9.1. Artikel 9.1 kan er niet voor zorgen dat NSR toch meer moet doen dan ze op grond van artikel 5.6 verplicht was. Artikel 9.1 schept geen nieuwe verplichtingen. Anders gezegd, wat je via de voordeur (artikel 5.6) niet krijgt, kun je ook niet via de achterdeur (artikel 9.1) krijgen.

Dit kan anders zijn, als inderdaad alleen NSR de documenten opnieuw kan maken of deze kan opvragen, maar dat is niet voldoende gebleken. NSR heeft dit betwist. Bovendien heeft Ferotrans tegen NSR gezegd dat zij de documenten zelf zou laten maken. Dat kan blijkbaar, ook volgens Ferotrans.

2.16.

In artikel 6.4 van de koopovereenkomsten van juli en november 2017 staat dat de verkoper (in dit geval dus alleen nog NSR) aan Ferotrans een verklaring geeft waarmee de treinstellen worden vrijgegeven voor transport. Partijen zijn het erover eens dat hiermee een zogenaamde “Lauffähigkeitsbescheinigung” wordt bedoeld. NSR heeft zo’n verklaring ook afgegeven. Ferotrans zegt echter dat deze verklaring niet genoeg is, maar dat daarbij ook een checklist moet zitten (zij heeft het model van deze checklist overgelegd als productie 7) en dat NSR alle maatregelen had moeten treffen die nodig zijn om de treinen veilig te kunnen transporteren, zoals revisie van de remmen, het herstellen van de treinstellen zodat deze luchtdicht kunnen rijden en controle van de wielen, lekkages etc. Ook zegt Ferotrans dat de twee ontbrekende documenten die hierboven besproken zijn onder deze verklaring vallen. Volgens Ferotrans was de afgegeven verklaring niet bruikbaar en konden de treinstellen dus niet worden vervoerd, omdat de checklist en de twee documenten ontbreken. Ferotrans heeft zelf de nodige reparaties uitgevoerd, zo zegt zij.

2.17.

De voorzieningenrechter vindt dat NSR heeft voldaan aan verplichtingen uit artikel 6.4 van de koopovereenkomsten van juli en november 2017. Daar staat dat er een verklaring moet worden afgegeven en niet dat NSR andere handelingen, zoals reparaties, moet verrichten. Dat past ook bij artikel 6.3 van de koopovereenkomsten waarin staat dat Ferotrans de treinstellen koopt in de staat zoals ze op dat moment zijn. Maar zelfs al zou NSR de reparaties, controles en revisie hebben moeten doen, dan nog is dat geen belemmering geweest voor het transport van de treinstellen. Ferotrans heeft dit namelijk allemaal zelf gedaan en zij zegt niet dat de vertraging daardoor is veroorzaakt. Over de twee documenten is hierboven al beslist dat NSR deze niet alsnog hoefde te geven. NSR heeft over de checklist gezegd dat die waarschijnlijk handig is voor de technische dienst die de keuring uitvoert op grond waarvan dan de “Lauffähigkeitsbescheinigung” wordt afgegeven, maar dat zij niet denkt dat die daarbij moet worden gevoegd. Het officiële document is genoeg. Dat lijkt de voorzieningenrechter ook het meest waarschijnlijk. Het lag op de weg van Ferotrans uit te leggen waarom de checklist in de Nederlandse taal een verplichte bijlage is bij de Duitstalige Lauffähigkeitsbescheinigung. Dat heeft Ferotrans niet uitgelegd. Daarom gaat de voorzieningenrechter uit van de juistheid van de stelling van NSR.

2.18.

Kortom, NSR is haar verplichtingen uit de koopovereenkomsten van juli en november 2017 nagekomen en er is dus geen sprake van schuldeisersverzuim. Ferotrans is op haar beurt de verplichting uit de koopovereenkomsten om de treinstellen op tijd op te halen niet nagekomen en is dus wel in verzuim. Daarom kon NSR de koopovereenkomsten ontbinden.

Verweer 2: rechtvaardigt de tekortkoming de ontbinding?

2.19.

De voorzieningenrechter vindt dat deze tekortkoming de ontbinding ook rechtvaardigt. In de koopovereenkomsten van juli en november 2017 is duidelijk afgesproken dat Ferotrans de treinstellen uiterlijk op 15 april 2018 zou ophalen. Deze afspraak is een belangrijk onderdeel van de koopovereenkomsten. De treinstellen zijn namelijk erg omvangrijk (als ze achter elkaar zouden worden gezet, zijn ze 2,5 kilometer lang) en het spoornet in Nederland is erg vol. Bovendien was tijdens het sluiten van de koopovereenkomsten al bekend dat er in 2019 werkzaamheden zouden worden verricht aan het rangeerterrein waar de treinstellen staan opgesteld. Dat maakt het nog aannemelijker dat de afspraak over het moment waarop de treinstellen zouden worden opgehaald, belangrijk was. Ook is van belang dat Ferotrans niet een beetje, maar veel te laat is met het ophalen van de treinstellen, meer dan een jaar en 5 maanden.

Verweer 3: Dwaling van Ferotrans over de maatvoering van de treinstellen

2.20.

De vordering tot vernietiging van de overeenkomst is niet toewijsbaar in kort geding (zie ook 2.27). Ferotrans heeft op de zitting aangeven dat zij het argument dat zij heeft gedwaald, niet alleen noemt ter onderbouwing van haar vordering tot vernietiging in reconventie, maar ook als verweer tegen de vordering van NSR in conventie. De voorzieningenrechter begrijpt dit verweer van Ferotrans zo: zij vindt dat NSR onder deze omstandigheden geen rechten kan ontlenen aan de afspraak dat de treinstellen uiterlijk 15 april 2018 zouden worden opgehaald en aan de boetebepalingen in de koopovereenkomsten van juli en november 2017. De voorzieningenrechter vat dit op als een beroep op de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) en vult in die zin de rechtsgronden aan.

2.21.

De voorzieningenrechter vindt dat NSR een beroep kan doen op de afspraak dat de treinstellen uiterlijk 15 april 2018 zouden worden opgehaald en op de boetebepalingen. Of juridisch gezegd: het is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat NSR Ferotrans aan deze afspraak houdt. NSR ontkent namelijk dat zij heeft gezegd dat de treinstellen het formaat “G2” hadden. In deze procedure is niet vast te stellen dat NSR Ferotrans verkeerd heeft voorgelicht over het formaat van de treinstellen. Uitdrukkelijke voorlichting over de maatvoering van de treinstellen was niet nodig. Ferotrans is een professionele partij en de voorzieningenrechter neemt daarom – net als NSR – aan dat zij wist wat ze kocht. Zelfs als dat niet zo zou zijn, is dat haar eigen risico. In de koopovereenkomsten staat namelijk dat Ferotrans de treinstellen “as is” heeft gekocht (artikel 6.3).

Belangenafweging

2.22.

De voorzieningenrechter kan in kort geding niet beslissen dat de koopovereenkomsten worden ontbonden (ontbinding door de rechter). Wel kan de voorzieningenrechter inschatten of een bodemrechter zal oordelen dat de ontbinding van de koopovereenkomsten door NSR zelf (buitengerechtelijke ontbinding) terecht was. De voorzieningenrechter denkt dat een bodemrechter dat zal doen. In een kort geding moet de voorzieningenrechter ook altijd de belangen van partijen afwegen. Als de koop wordt teruggedraaid, heeft dat financiële gevolgen voor Ferotrans. Maar als dat niet gebeurt, heeft NSR een probleem. Dat de koop moet worden teruggedraaid, ligt – zoals het er nu naar uitziet – vooral aan Ferotrans of in ieder geval aan omstandigheden die haar risico zijn. Dat maakt dat de belangen van NSR zwaarder wegen en de belangenafweging in haar voordeel uitpakt.

2.23.

De voorzieningenrechter gaat er dus van uit dat de koopovereenkomsten terecht zijn ontbonden. De gevolgen van de koop moeten daarom worden teruggedraaid. Dat betekent dat de treinstellen terug moeten naar NSR. Daarvoor is het nodig dat Ferotrans een leveringsakte ondertekent. Ook moeten de treinstellen weer NSR op naam van NSR worden gezet. Daarvoor is het nodig dat Ferotrans een formulier “Aanvraag beschikking registratie spoorvoertuigen” ondertekent. NSR vordert dat Ferotrans wordt veroordeeld de akte en het formulier te ondertekenen (vordering 1). Die vordering wordt toegewezen. Voor het geval Ferotrans dit niet doet, vordert NSR als eerste dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de akte en het formulier of, als tweede, dat het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats treedt van de ondertekening van die akte en het formulier (vorderingen 2 en 3). De voorzieningenrechter wijst van deze vorderingen de tweede variant toe. Als het vonnis in de plaats treedt van de akte en het formulier, is namelijk niet duidelijk wat precies de inhoud van die stukken is. Dat staat niet in het vonnis. Om ervoor te zorgen dat NSR snel kan beginnen met het verplaatsen van de treinstellen bepaalt de voorzieningenrechter de termijn van artikel 3: 301 lid 1 BW op 24 uur in plaats van veertien dagen.

Proceskosten

2.24.

Ferotrans heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten van NSR betalen. De kosten van NSR worden begroot op:

- dagvaarding € 81,83

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.700,83

2.25.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente wordt ook toegewezen. Net als de gevorderde nakosten en de wettelijke rente daarover.

Reconventie

2.26.

Ferotrans heeft in reconventie vorderingen ingesteld die gaan over de situatie dat zij de eigendom van de treinstellen niet aan NSR hoeft over te dragen (vordering 1 en 2). Dat moet zij wel, dus deze vorderingen worden afgewezen.

2.27.

Ferotrans heeft ook gevorderd dat de koopovereenkomsten gedeeltelijk worden vernietigd (vordering 3). Dat is een vordering die niet kan worden toegewezen in kort geding.

2.28.

Voor het geval Ferotrans de eigendom van de treinstellen aan NSR moet overdragen, heeft Ferotrans gevorderd dat de koopsom aan haar wordt terugbetaald (vordering 4). Ferotrans heeft niet gezegd dat zij een bodemprocedure hierover niet kan afwachten. Zij heeft dus geen spoedeisend belang bij deze vordering en daarom wordt deze afgewezen.

2.29.

Tot slot heeft Ferotrans gevorderd dat NSR zekerheid moet stellen voor de schade die zij lijdt als zij de treinstellen terug moet geven. Ferotrans heeft niet onderbouwd dat er zekerheid nodig is. Zij heeft niet gezegd dat NSR eventuele schadeclaims niet zou kunnen betalen. Daarom wordt ook deze vordering afgewezen.

2.30.

Omdat Ferotrans in reconventie ongelijk heeft gekregen, moet zij de proceskosten die NSR in reconventie heeft gemaakt betalen. De kosten van NSR worden begroot op:

- salaris advocaat € 490,00 (factor 0,5 × tarief € 980,00)

Totaal € 490,00

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

3.1.

veroordeelt Ferotrans om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan de eigendomsoverdracht aan NSR van:

  1. 1 DM’90 treinstel, geleverd aan Ferotrans volgens de koopovereenkomst van 26 augustus 2014; en

  2. 27 DM’90 treinstellen, geleverd aan Ferotrans volgens de koopovereenkomst van 18 juli 2017; en

  3. 20 DM’90 treinstellen, geleverd aan Ferotrans volgens de koopovereenkomst van 15 november 2017;

door het rechtsgeldig ondertekenen en per e-mail retourneren van:

  1. de leveringsakte die NSR bij brief en e-mail van 21 augustus 2019 aan Ferotrans heeft toegestuurd en die als productie 37 bij de dagvaarding is gevoegd;

  2. het formulier “Aanvraag beschikking registratie spoorvoertuigen” dat door NSR is ingevuld en dat als productie 40 bij de dagvaarding is gevoegd,

3.2.

bepaalt dat als Ferotrans niet binnen de termijn voldoet aan de veroordeling onder 4.1, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats zal treden van de ondertekening door Ferotrans van de akte van levering,

3.3.

bepaalt dat als Ferotrans niet binnen de termijn voldoet aan de veroordeling onder 4.1, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats zal treden van de ondertekening door Ferotrans van het formulier “Aanvraag beschikking registratie spoorvoertuigen”,

3.4.

bepaalt de termijn als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 sub b BW op 24 uur,

3.5.

veroordeelt Ferotrans in de proceskosten, aan de zijde van NSR tot op heden begroot op € 1.700,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

3.6.

veroordeelt Ferotrans in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op

€ 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling en € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

3.7.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.9.

wijst de vorderingen af,

3.10.

veroordeelt Ferotrans in de proceskosten, aan de zijde van NSR tot op heden begroot op € 490,00,

3.11.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.1

1 type: MB (4209)