Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4560

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4111
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OBZ, termijnoverschrijding, niet verschoonbaar. Eiser heeft het bezwaarschrift te laat ingediend. De rechtbank oordeelt dat het niet publiceren van de verleende omgevingsvergunning door verweerder geen geldige reden oplevert om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat het bezwaar te laat is ingediend. Eiser wist dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning in behandeling was. Dat eiser pas na twee jaar reageerde ligt dan niet voor de hand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/4111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M. van Kordelaar).

Procesverloop

In het besluit van 1 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [vergunninghouder] (hierna: de vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het slopen van de bestaande bungalow en het bouwen van een nieuwe woning met zwembad en bijgebouw, het realiseren van een uitrit en het kappen van veertien bomen op het adres [adres] te [woonplaats]

In het besluit van 27 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2019. Eiser was aanwezig en namens verweerder was zijn gemachtigde aanwezig.

Overwegingen

1. In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder in het bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat betekent dat verweerder het bezwaarschrift niet inhoudelijk heeft behandeld. Verweerder heeft dit gedaan omdat hij van mening is dat eiser het bezwaarschrift te laat heeft ingediend en eiser geen belanghebbende is.

2. De rechtbank zal beoordelen of eiser zijn bezwaarschrift inderdaad te laat heeft ingediend en of er redenen zijn waarom verweerder het bezwaar toch inhoudelijk had moeten behandelen. De rechtbank zal daarvoor eerst vaststellen wat er in de procedure is gebeurd.

Procedure

3. Op 14 maart 2016 heeft verweerder van de vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen. De ontvangst van deze aanvraag heeft verweerder gepubliceerd in het Gemeenteblad van 24 maart 2016. Op 31 mei 2016 heeft verweerder in het Gemeenteblad gepubliceerd dat hij heeft besloten de beslistermijn voor deze aanvraag te verlengen. Met zijn besluit van 1 juli 2016 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend en hij heeft dit besluit op dezelfde datum toegezonden aan de vergunninghouder. Verweerder heeft dit besluit niet gepubliceerd in het Gemeenteblad. Op 27 augustus 2018 heeft eiser zijn bezwaarschrift ingediend.

Bezwaarschrift te laat?

4.1

Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt. Dat staat in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verlenen van een omgevingsvergunning is een besluit dat wordt genomen op een aanvraag. Zo’n besluit moet worden bekendgemaakt door het toe te zenden aan de aanvrager. Dat staat in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.

4.2

In dit geval is het besluit op 1 juli 2016 toegezonden aan de aanvrager (= ook vergunninghouder). Dat betekent dat eiser zijn bezwaarschrift had moeten indienen binnen zes weken na 1 juli 2016. Dat heeft eiser niet gedaan. Zijn bezwaarschrift is dus te laat. De hoofdregel is dan dat verweerder het bezwaar niet inhoudelijk mag behandelen.

Geldige reden?

5. Op de hoofdregel kan een uitzondering worden gemaakt als er een geldige reden is waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Dat staat in artikel 6:11 van de Awb. Het moet dan wel gaan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen. In uitspraken wordt er dan vaak gesproken over “verschoonbare termijnoverschrijding”.

6. Eiser zegt dat het verlenen van de omgevingsvergunning nooit is gepubliceerd, terwijl verweerder dat wel had moeten doen. Eiser verwijst naar artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Toen hij begin augustus 2018 langs het adres liep en zag dat er werkzaamheden plaatsvonden, heeft hij per e-mail en telefonisch contact opgenomen met de gemeente. Pas op 14 augustus 2018 heeft eiser een kopie van de omgevingsvergunning ontvangen en hij heeft toen binnen twee weken een bezwaarschrift ingediend.

7. De rechtbank vindt dit geen geldige reden. Het klopt dat verweerder niet heeft gepubliceerd dat de omgevingsvergunning is verleend. Verweerder heeft ook toegegeven dat dat fout is. Maar de rechtbank stelt vast dat verweerder wel de aanvraag en het besluit om de termijn te verlengen heeft gepubliceerd. Eiser heeft ook gezegd dat hij wist dat er een aanvraag in behandeling was. Eiser had dus kunnen weten dat er nog een besluit zou volgen. Het lag dan voor de hand dat eiser eerder dan pas na twee jaar bij de gemeente zou hebben geïnformeerd of de vergunning was verleend of geweigerd. Ook voor een vergunninghouder is het namelijk belangrijk om te weten of hij zijn bouwplan kan en mag uitvoeren. Tijdens de zitting heeft eiser bevestigd dat hij wist dat de vergunninghouder in augustus 2016 aan het slopen was. In plaats van op dat moment bij de gemeente navraag te doen, heeft eiser twee jaar gewacht. Dat is gewoon te lang.

Conclusie

8. Verweerder heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de andere (inhoudelijke) beroepsgronden.

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk en krijgt daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. de Vaan, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H.A. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

1 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.