Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4545

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
UTR 19/659
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning dakopbouw. Kruimelgeval. Afwijking beleid vanwege bijzondere omstandigheden.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/659

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder

(gemachtigde: J.J. van Gelderen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij]

(gemachtigde: mr. T. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een dakopbouw en het verplaatsen van een beluchtingsunit op het perceel aan de [adres] te [woonplaats] (het perceel).

Bij besluit van 21 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland.

Op grond van het Zaakverdelingsreglement van de rechtbank Gelderland is de zaak doorverwezen naar de rechtbank Midden-Nederland.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019. [eiser 2] is verschenen namens eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Derde-partij (de vergunninghouder) is eigenaar van de woning op het perceel en heeft op

6 maart 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd. In de bestaande situatie is sprake van een woonhuis, met aan de noordzijde een aanbouw met een plat dak. De bestaande goothoogte aan de oostzijde en een inspringend deel van de westzijde van het woonhuis is 5 meter. De goothoogte bij de gevel aan de westzijde is 2,9 meter. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een dakopbouw op een gedeelte van de aanbouw. De goothoogte van de dakopbouw is aan de oostzijde 4,96 meter en 4,42 meter aan de westzijde. Verder wordt de beluchtingsunit in een suskast, die op de aanbouw staat, enkele meters verplaatst. Eisers zijn de buren van vergunninghouder. Hun woonhuis staat op circa 20 meter afstand van de aangevraagde opbouw. Zij vrezen als gevolg van het bouwplan dat hun privacy wordt aangetast. Op een paar meter afstand van hun erfafscheiding zal vanaf het raam in de noordgevel van de opbouw rechtstreeks in hun zwembad en op hun terras kunnen worden gekeken.

2. Op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Nijmegen Brakkenstein (het bestemmingsplan) geldt voor het perceel van vergunninghouder een maximale goothoogte van 3 meter. Niet in geschil is dat het bouwplan daarmee in strijd is.

3. Verweerder heeft voor het bouwplan omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), dus met van toepassing van -kort gezegd- de kruimelgevallenregeling.

Beleidsregels

4. Bij besluit van 14 maart 2017 heeft verweerder de Beleidsregels voor grondgebonden woningen (de Beleidsregels) vastgesteld. Deze beleidsregels hebben betrekking op het verlenen van omgevingsvergunning met toepassing van de kruimelgevallenregeling. In artikel 12 van de Beleidsregels staat: ‘Voor aan- of uitbouwen gelegen binnen het bouwvlak naast de woning geldt dat deze, afhankelijk van de ter plaatse aanwezige situatie, mogen worden voorzien van een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding. Dit wordt apart beoordeeld en is alleen toegestaan indien redelijke eisen van welstand zich hiertegen niet verzetten. Deze regeling is alleen van toepassing indien het bestemmingsplan niet rechtstreeks een dakopbouw (of een gelijksoortige uitbreiding) op de aan- of uitbouw mogelijk maakt. Indien het bestemmingsplan dit wel mogelijk maakt, gelden uitsluitend de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan.’

Omdat het bestemmingsplan wel een dakopbouw mogelijk maakt en de aanvraag niet binnen de maximale goothoogte van het bestemmingsplan past, schrijft het beleid voor dat verweerder in dit geval de kruimelgevallenregeling niet toepast.

5. Eisers betogen dat verweerder niet bevoegd was om de kruimelgevallenregeling toe te passen. Daartoe voeren zij aan dat het toepassen van de kruimelgevallenregeling voor het bouwplan in strijd is met artikel 12 van de Beleidsregels en dat verweerder daarvan niet af heeft mogen wijken. Zij vinden verweerder opvallend coulant. Zij wijzen verder op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van

16 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU4592). In die zaak over hetzelfde huizenblok, waar ook verzocht werd om een afwijking met betrekking tot de goothoogte, werd door verweerder niet afgeweken van het bestemmingsplan.

6. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een bestuursorgaan handelen overeenkomstig een vastgestelde beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan Nijmegen Brakkenstein is abusievelijk de maximale goothoogte vastgesteld op 3 meter. De bedoeling was echter dat de goothoogte zou worden vastgesteld overeenkomstig de bestaande goothoogte. De bestaande goothoogte was al sinds 1970 5 meter. De goothoogte van de opbouw sluit aan bij de goothoogte van de bestaande woning. De onjuiste verwerking van de goothoogte in het bestemmingsplan rechtvaardigt volgens verweerder in dit concrete geval een afwijking van het beleid. Daarbij heeft verweerder het positieve stedenbouwkundige advies dat is uitgebracht over de goothoogte van het bouwplan betrokken. Verder heeft verweerder meegewogen dat de afstand van de dakopbouw ten aanzien van het perceel en de woning van eisers beduidend groter is dan het bouwvlak.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen vaststellen dat in dit geval sprake was van bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft in het bestreden besluit kenbaar de relevante omstandigheden betrokken. De rechtbank vindt aannemelijk dat bij het vaststellen van het bestemmingsplan inderdaad bij vergissing de maximale goothoogte is vastgesteld op 3 meter, terwijl het de bedoeling was om aan te sluiten bij de bestaande goothoogte van 5 meter. Hierin heeft verweerder aanleiding mogen zien om voor het perceel af te wijken van de Beleidsregels. De door eisers aangehaalde uitspraak leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht de situatie niet vergelijkbaar met de bij eisers aan de orde zijnde situatie. In de door eisers aangehaalde uitspraak wilde de betrokkene juist dat de goothoogte in het bestemmingsplan niet werd vastgesteld op de bestaande goothoogte maar zou worden verhoogd. Verweerder heeft in dit geval dus de bevoegdheid om de kruimelgevallenregeling toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging

9. Bij toepassing van de kruimelgevallenregeling moet op grond van artikel 2.12 van de Wabo worden voldaan aan het vereiste dat de bouwactiviteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe dient een planologische afweging plaats te vinden.

10. Eisers voeren in dit verband aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Door de opbouw komt de bovenverdieping van de woning van vergunninghouder dichter naar het huis van eisers toe. De opbouw kan vanaf het perceel van eisers gezien worden en zal mogelijk leiden tot minder bezonning. Vanuit de opbouw heeft vergunninghouder ook zicht op het perceel van eisers. Hun privacy wordt daardoor geschaad. Eisers verwachten ook overlast door het zicht op en het geluid van de beluchtingsunit. Gelet op de grootte van het perceel kan het bouwplan ook op een andere plek worden gerealiseerd, waarbij geen overlast zal worden ervaren.

11. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat door de overschrijding van de maximaal toegestane goothoogte de belangen van eisers niet zodanig geschaad worden dat de vergunning geweigerd moet worden. Vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat het raam dat gericht is op het perceel van de buren geblindeerd wordt. Verweerder heeft op zitting verklaard dat dit is meegenomen in de belangenafweging.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van eisers niet opwegen tegen de belangen van vergunninghouder. Verweerder heeft bij de belangenafweging kunnen betrekken dat het raam in de dakopbouw geblindeerd wordt en heeft, mede gelet daarop, de vrees van eisers dat hun privacy zal worden aangetast niet doorslaggevend hoeven achten. Daarbij wordt wat betreft het uitzicht vanuit de woning in aanmerking genomen dat het bouwplan is voorzien in een stedelijke omgeving en geen aanspraak op een blijvend vrij uitzicht bestaat. Eisers hebben met wat zij hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de realisering van de dakopbouw een onevenredige aantasting van hun woongenot en hun privacy veroorzaakt. Dat er andere mogelijkheden zijn om de woning te vergroten, maakt dat niet anders. Verweerder dient een aanvraag om een omgevingsvergunning te beoordelen, zoals die is ingediend. Op de zitting is gebleken dat de bestaande beluchtingsunit in een suskast een paar meter wordt verplaatst. In het licht hiervan hebben eisers de gevreesde geluidsoverlast niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

13. Eisers voeren nog aan dat het bouwvlak door het bouwplan wordt overschreden en dat er een dakterras wordt aangelegd. Op de hoorzitting is gekeken naar de vermeende forse overschrijding, maar die kon niet worden geconstateerd. Dat deze constatering onjuist is, is niet gebleken. Uit de versie van de bouwtekeningen die bij de vergunningverlening is gebruikt en uit de aanvraag blijkt niet dat het bouwplan ook ziet op realisering van een dakterras. De beroepsgrond slaagt niet.

Welstandsadvies

14. Eisers voeren vervolgens aan dat bij de toetsing aan de welstandseisen de verkeerde criteria zijn toegepast. De Commissie Beeldkwaliteit heeft ten onrechte de criteria voor het gebiedstype ‘Tuinstad’ uit de Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit toegepast, terwijl het toepasselijk toetsingskader ‘G5 Villawijken’ is. Als toetsingsniveau is ten onrechte ‘luw’ gehanteerd in plaats van ‘bijzonder’. Eisers baseren dit op de agenda’s van de commissie. In het uiteindelijke advies zijn wel de juiste criteria genoemd, maar eisers vragen zich af of de commissie daadwerkelijk de juiste criteria voor ogen heeft gehad. Aan de criteria van ‘G5 Villawijken’ wordt volgens eisers niet voldaan.

15. De rechtbank stelt voorop dat verweerder, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken voldoende dat bij de toetsing aan de welstandseisen de juiste criteria zijn toegepast. In het welstandsadvies worden het correcte toetsingskader en toetsingsniveau expliciet vermeld. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan niet voldoet aan de criteria voor ‘G5 Villawijken’. Zij hebben geen tegenadvies ingediend. Verweerder mocht zijn besluitvorming daarom baseren op het welstandsadvies van de Commissie Beeldkwaliteit. De beroepsgrond slaagt niet.

Zorgvuldigheid van de besluitvorming

16. Eisers voeren tenslotte aan dat het bestreden besluit door verweerder niet zorgvuldig is voorbereid. Het proces was niet transparant. Eisers zijn niet van tevoren gekend in het voornemen voor het bouwplan, hierover is niet met hen overlegd. Zij zijn ook niet gehoord voordat de vergunning is verleend. Na de hoorzitting mochten eisers nog een reactie indienen, waarop vergunninghouder weer mocht reageren. Eisers hebben de reactie van vergunninghouder nooit ontvangen. Eisers hebben na de hoorzitting verzocht om toezending van de welstandscriteria, maar zij hebben deze niet ontvangen. Zij hebben ook geen notulen ontvangen van de vergadering van de Commissie Beeldkwaliteit, terwijl ze daar wel om gevraagd hadden.

17. De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen aanleiding om aan te nemen dat de besluitvorming onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Eisers zijn in de primaire fase inderdaad ten onrechte niet gehoord, maar dit is hersteld in bezwaar. Vergunninghouder heeft na de hoorzitting geen reactie meer ingediend. De Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit is beschikbaar op de website van de gemeente en verweerder heeft eisers hier in een e-mailbericht expliciet naar verwezen. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de Commissie Beeldkwaliteit geen notulen meer maakt. De aantekeningen van de vergadering zijn wel opgevraagd. Verweerder heeft alle stukken die hiervan beschikbaar zijn aan eisers verschaft. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

24 september 2019.

(de griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen)

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.