Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4528

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
NL19.5576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop administratie- en fiscaal advieskantoren. Het beroep op dwaling met betrekking tot de nieuwe en aanvullende afspraken over de koopprijs van de activa slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.5576

Vonnis van 27 september 2019

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres sub 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseressen, hierna samen te noemen: [eiseres sub 1] c.s.,
advocaat T.B.M. Kersten te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
verweerster, hierna te noemen: [verweerster] .

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bevat:

- de procesinleiding

- het verweerschrift

- de notitie met eiswijziging en de producties 12 t/m 14 van [eiseres sub 1] c.s.

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 september 2019.

1.2.

Op 5 september 2019, één dag voor de mondelinge behandeling, heeft de advocaat van [verweerster] zich onttrokken. De rechtbank heeft vervolgens aan de (inmiddels) voormalige advocaat van [verweerster] verzocht aan [verweerster] te laten weten dat de zitting door gaat en dat zij zonder advocaat kan komen om inlichtingen te verstrekken. [verweerster] is niet naar de zitting gekomen.

1.3.

Nadat [eiseres sub 1] c.s. haar standpunt verder had toegelicht op de zitting, is bepaald dat er uitspraak wordt gedaan.

2. Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiseres sub 1] c.s. exploiteerde een administratiekantoor en fiscaal adviesbureau in [vestigingsplaats 1] en [vestigingsplaats 2] . Op 4 mei 2016 heeft [eiseres sub 1] c.s. de kantoren via een activatransactie aan (een rechtsvoorganger van) [verweerster] verkocht, voor een koopprijs van € 273.750,00. In de koopovereenkomst van 4 mei 2016 hebben partijen afgesproken dat [eiseres sub 1] c.s., in de persoon van haar bestuurder de heer [A] , een periode van ten minste twee jaar verbonden zal blijven aan de kantoren en beschikbaar zal zijn voor werkzaamheden. De overdracht van de kantoren heeft plaatsgevonden op 1 juni 2016.

2.2.

Op basis van het betalingsschema dat partijen afspraken in de overeenkomst van 4 mei 2016, heeft [verweerster] twee termijnen van de koopsom betaald aan [eiseres sub 1] c.s. ter hoogte van in totaal ongeveer € 25.000. Vanaf het tweede kwartaal van 2017 is [verweerster] gestopt met het betalen van de koopsom conform het afgesproken betalingsschema. [eiseres sub 1] c.s. heeft aangenomen dat dit staken van de betalingen was ingegeven door financiële problemen bij [verweerster] .

2.3.

Op 22 mei 2018 hebben partijen nieuwe en aanvullende afspraken gemaakt over (onder andere) de koopprijs van de activa. De aanleiding daarvoor was dat de heer [A] een positie kreeg als wethouder en dus geen werkzaamheden meer kon blijven verrichten. Partijen zijn een nieuwe overnamesom overeengekomen van € 150.000,00. [verweerster] heeft daarvan € 20.000,00 betaald en heeft het restant van € 130.000,00 onbetaald gelaten.

2.4.

[eiseres sub 1] c.s. is deze zaak gestart om dit bedrag alsnog betaald te krijgen. [eiseres sub 1] c.s. vordert dus (ten eerste) betaling van € 130.000,00. Primair baseert [eiseres sub 1] c.s. die vordering op de stelling dat [verweerster] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van 23 mei 2018 en dat [verweerster] aansprakelijk is voor de daardoor door [eiseres sub 1] c.s. geleden schade, die zij begroot op het nog onbetaalde deel van de koopprijs. Subsidiair stelt [eiseres sub 1] c.s. dat [verweerster] de overeenkomst alsnog moet nakomen.

2.5.

[eiseres sub 1] c.s. vordert daarnaast betaling van € 25.000,00, omdat [verweerster] volgens [eiseres sub 1] c.s. de op 4 mei 2016 overeengekomen boete heeft verbeurd. Ook vordert [eiseres sub 1] c.s. betaling van rente, incassokosten (€ 2.275,00) en proceskosten.

2.6.

[verweerster] heeft verweer gevoerd. Kort gezegd beroept [verweerster] zich op dwaling met betrekking tot de aanvullende afspraken van 22 mei 2018 (artikel 6:228 BW). [verweerster] verzoekt de rechtbank op grond van artikel 6:230 lid 2 BW de gevolgen van deze afspraken zodanig te wijzigen, dat zij het restant van de koopsom niet hoeft te betalen. Zij concludeert dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

3 De beoordeling

3.1.

Het staat vast dat [verweerster] de overeenkomst van 22 mei 2018 niet (volledig) is nagekomen. [verweerster] heeft € 20.000,00 betaald en heeft geweigerd het restant van de toen overeengekomen koopprijs van € 130.000,00 te voldoen. Het uitgangspunt daarmee is dat [verweerster] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat [eiseres sub 1] c.s. recht heeft op schadevergoeding.

3.2.

[verweerster] heeft een beroep gedaan op dwaling in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub b BW. Voor een geslaagd beroep op dat artikel, is nodig dat [verweerster] voldoende (onderbouwde) feiten stelt, dat kan worden vastgesteld dat [verweerster] bij het aangaan van de overeenkomst van 22 mei 2018 heeft gedwaald, dat zij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet (op dezelfde manier) had gesloten en dat [eiseres sub 1] c.s. [verweerster] had moeten inlichten over iets wat zij over de dwaling wist of had moeten weten.

3.3.

[verweerster] stelt daarover het volgende. Na de overdracht van de kantoren heeft de heer [A] van [eiseres sub 1] c.s. de overgedragen activiteiten voortgezet. Hij bleef zijn eigen declarabele werkzaamheden uitvoeren en bleef leiding geven aan mensen die voorheen ook onder zijn verantwoordelijkheid vielen. [verweerster] voerde op managementniveau supervisie. Toen bleek dat de heer [A] zijn werkzaamheden bij [verweerster] in verband met een functie als wethouder niet zou kunnen voortzetten, was dat aanleiding om nieuwe afspraken te maken. Die afspraken zijn op 22 mei 2018 gemaakt. Kort daarna is [verweerster] er achter gekomen dat zij langere tijd door de heer [A] is misleid. Zo heeft de heer [A] volgens [verweerster] niet aan haar meegedeeld dat hij:

  1. niet (altijd) aan de klanten factureerde volgens de door [verweerster] verhoogde tarieven;

  2. regelmatig werk gratis of bijna gratis deed voor klanten;

  3. klanten ernstig heeft verwaarloosd;

  4. grove fouten heeft gemaakt in de uitvoering van zijn werk.

3.4.

Volgens [verweerster] was zij, als zij van deze omstandigheden op de hoogte was geweest, niet akkoord gegaan met de op 22 mei 2018 overeengekomen koopsom van € 150.000,00. [verweerster] stelt dat de omstandigheden A t/m D hebben geleid tot een lagere omzet of hogere kosten en dat het rendement van de kantoren een belangrijke omstandigheid voor [verweerster] was bij het bedingen van de koopprijs. Zonder dwaling, zou zij een lagere koopprijs hebben bedongen, aldus [verweerster] .

3.5.

Dat het rendement van de kantoren voor [verweerster] van belang was bij het bedingen van een nieuwe overnamesom, licht [verweerster] echter onvoldoende toe. [verweerster] heeft niet concreet uitgelegd hoe de onderhandelingen voorafgaand aan de afspraken van 22 mei 2018 zijn gegaan en welke omstandigheden daarbij tussen partijen zijn besproken. Ook heeft zij niet uitgelegd op basis waarvan (haar aanbod van) de koopsom tot stand is gekomen. Op de zitting heeft [eiseres sub 1] c.s. over het tot stand komen van de nieuwe koopprijs het volgende verklaard:

“Toen bleek dat ik ( [A] ) als wethouder zou gaan werken, was dat aanleiding om nieuwe afspraken te maken. Toen heeft [verweerster] een voorstel gedaan om € 140.000,00 te betalen tegen finale kwijting. Ik ( [A] ) heb toen gezegd: maak daar € 150.000,00 van. Dan zou ik na afbetaling van € 115.000,00 aan leningen nog iets overhouden. Daarbij heb ik niet gekeken naar de omzet. Ik heb de deal gesloten omdat ik bang was voor een juridische procedure en daar zat ik als wethouder niet op te wachten. De koopsom [rb: de koopsom uit de overeenkomst van 4 mei 2016] werd niet betaald, maar ik was bang dat er gedoe zou komen als ik daarop aanspraak zou maken. Ik ben dus akkoord gegaan om van het gezeur af te zijn. Ik ( [A] ) weet niet hoe [verweerster] is gekomen tot het voorstel van € 140.000; ik weet niet of zij daarbij heeft gekeken naar de omzet die met mijn klanten is gemaakt in de jaren 2016-2018. Zij heeft daarover niets gezegd en ik heb er niet naar gevraagd.”

3.6.

[verweerster] is niet naar de zitting gekomen om deze verklaring te weerspreken, terwijl zij dat wel had kunnen doen. Dat maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat de verklaringen van [eiseres sub 1] c.s. kloppen. [verweerster] heeft in die omstandigheden onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat het rendement van de kantoren voor haar van belang was bij het maken van de afspraken van 22 mei 2018 en dat [eiseres sub 1] c.s. dat had moeten weten. Dat [verweerster] deze overeenkomst niet zou hebben gesloten als zij van de omstandigheden A t/m D op de hoogte was geweest (voor zover die omstandigheden aan de orde waren), heeft [verweerster] daarmee onvoldoende onderbouwd. Daarnaast geldt het volgende.

3.7.

Dat de heer [A] [verweerster] actief heeft misleid door zaken voor haar verborgen te houden, is niet gebleken. Deze stelling heeft [verweerster] grotendeels toegelicht aan de hand van omstandigheid A, dat de heer [A] het door haar ingestelde nieuwe prijsbeleid niet heeft gehanteerd en dit voor [verweerster] verborgen heeft gehouden door niet de systemen aan te passen, maar de facturen naar beneden bij te stellen.

3.8.

Op de zitting heeft de heer [A] (namens [eiseres sub 1] c.s.) verklaard dat hij altijd tegen [verweerster] heeft gezegd dat het niet ging werken met de nieuwe tarieven en dat het op die manier onmogelijk was om de klanten te behouden. Ook heeft [eiseres sub 1] c.s. verklaard dat [verweerster] precies wist hoe het zat met de omzet en dat [verweerster] de omzet bekeek aan de hand van de facturen. [verweerster] heeft de mogelijkheid om deze stellingen te weerspreken op de zitting niet benut. Daarmee is vast komen te staan dat [eiseres sub 1] c.s. [verweerster] heeft laten weten dat zij niet achter de nieuwe tarieven stond en dat [verweerster] op de facturen heeft gezien of op zijn minst had kunnen zien welke tarieven er gehanteerd werden. In die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat [eiseres sub 1] c.s. [verweerster] heeft misleid door ‘stiekem’ het prijsbeleid van [verweerster] te negeren.

3.9.

Voor zover [verweerster] stelt dat [eiseres sub 1] c.s. ten aanzien van de omstandigheden A t/m D een mededelingsplicht had die zij heeft geschonden, geldt het volgende.

3.10.

Op 1 juni 2016 is de onderneming van [eiseres sub 1] c.s. overgegaan naar [verweerster] . Vanaf dat moment droeg [verweerster] het bedrijfsrisico en had zij inzage in alle facturen en in het klantenbestand. [eiseres sub 1] c.s. heeft op de zitting verklaard dat [verweerster] zich na de overname echter nooit heeft verdiept in de klantenportefeuille en dat zij zich nauwelijks met de zaken is gaan bemoeien. Zo heeft [verweerster] volgens [eiseres sub 1] c.s. bijvoorbeeld onvoldoende personeel aangesteld terwijl er allerlei personeelsproblemen waren en heeft zij zonder zich te verdiepen in de klanten de tarieven verhoogd, wat er volgens [eiseres sub 1] c.s. toe heeft geleid dat er verschillende klanten wegliepen. Ten aanzien van de door [verweerster] gestelde fouten die door de heer [A] zouden zijn gemaakt, heeft [eiseres sub 1] c.s. op de zitting verklaard dat veel zaken nog gerepareerd hadden kunnen worden als zij daarvoor de kans had gehad, maar dat zij vanaf 31 mei 2018 niet meer in de e-mail of systemen kon. [verweerster] is niet naar de zitting gekomen om deze stellingen te betwisten. Er wordt daarom aangenomen dat deze kloppen.

3.11.

In de situatie dat [verweerster] zich niet heeft verdiept in de werkwijze van de heer [A] en weinig interesse toonde in het klantenbestand en de manier waarop de zaken verliepen, kon niet van [eiseres sub 1] c.s. worden verwacht dat zij [verweerster] daar vóór het maken van de aanvullende afspraken van 22 mei 2018 expliciet op wees of voor waarschuwde. Dat geldt temeer, nu niet is gebleken dat [eiseres sub 1] c.s. actief heeft geprobeerd [verweerster] te misleiden en nu een verlaging van de oorspronkelijke koopsom is afgesproken, die zonder toelichting door [verweerster] is voorgesteld (zie 3.5 en 3.6 van dit vonnis).

3.12.

De conclusie is dat het beroep van [verweerster] op dwaling niet slaagt, zodat er geen aanleiding is om de gevolgen van de overeenkomst van 22 mei 2018 te wijzigen. [verweerster] is deze overeenkomst niet nagekomen, waardoor [eiseres sub 1] c.s. de koopprijs heeft misgelopen en dus € 130.000,00 schade heeft geleden. [verweerster] is daarvoor aansprakelijk en zal dus worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

3.13.

[verweerster] heeft nog aangevoerd dat zij een vordering van € 1.049,09 op de heer [A] heeft die zij kan verrekenen, maar dat doet daaraan niet af. [verweerster] legt namelijk niet uit waarom zij een vordering op de heer [A] zou kunnen verrekenen met een vordering van [eiseres sub 1] c.s. op [verweerster] .

3.14.

[eiseres sub 1] c.s. vordert primair vergoeding van de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over de hoofdsom vanaf 23 mei 2018. De wettelijke handelsrente ziet echter niet op vorderingen tot vergoeding van schade (zie HR 08 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106) en kan dus niet worden toegewezen. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen. Als aanvangsdatum zal niet 23 mei 2018 worden gehanteerd omdat niet gebleken is dat [verweerster] vanaf dat moment in verzuim verkeerde. In plaats daarvan is [verweerster] rente verschuldigd vanaf 29 januari 2019, uitgaande van de aanmaningsbrief van 21 januari 2019.

3.15.

[eiseres sub 1] c.s. vordert verder betaling van € 25.000,00 op grond van de op 4 mei 2016 contractueel overeengekomen boete. In artikel 10.4 van de overeenkomst van 4 mei 2016 staat:

“Indien een der partijen geen medewerking wenst te verlenen aan de uitvoering van

deze overeenkomst dan verbeurt de nalatige partij - na ingebrekestelling door

middel van een aangetekend schrijven - een niet voor matiging, vermindering of

verrekening vatbare boete van € 25.000,- onverminderd het recht van de

benadeelde partij op verdere schadevergoeding. Daarnaast kan de benadeelde partij,

onverminderd het hiervoor bepaalde, nakoming van de verbintenis eisen.”

3.16.

Het staat vast dat [verweerster] de oorspronkelijke afspraken van 4 mei 2016 niet is nagekomen. Op de zitting heeft [eiseres sub 1] c.s. daarover verklaard dat [verweerster] na drie termijnen is gestopt met betalen van de oorspronkelijk overeengekomen koopsom. [verweerster] is dus tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst van 4 mei 2016. Volgens [verweerster] heeft zij daarmee geen boete verbeurd. Zij voert aan dat met meewerken aan de uitvoering van de overeenkomst in de zin van artikel 10.4 alleen maar wordt bedoeld dat partijen moeten meewerken aan de overdracht van de kantoren of activiteiten en dus niet het meewerken aan de betaling van de koopprijs. Dat dit zo is, blijkt echter niet uit de tekst van artikel 10.4 en heeft [verweerster] ook niet met feiten of stukken onderbouwd. [verweerster] heeft daarmee onvoldoende betwist dat zij, door niet te voldoen aan de uit de overeenkomst van 4 mei 2016 voortvloeiende betalingsverplichting, een boete van € 25.000,00 heeft verbeurd.

3.17.

[verweerster] beroept zich op matiging van deze boete, omdat het toewijzen van een boete volgens haar in dit geval onredelijk is, maar zij legt niet uit waarom. Ook de gevorderde boete wordt daarom toegewezen.

3.18.

[eiseres sub 1] c.s. vordert vergoeding van de wettelijke rente over het boetebedrag vanaf 23 mei 2018, maar legt niet uit waarom [verweerster] op dat moment in verzuim verkeerde ten opzichte van haar verplichting om de boete te betalen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 5 maart 2019, op grond van de aanmaning van 27 februari 2019.

3.19.

[eiseres sub 1] c.s. vordert ook nog betaling van € 2.275,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Het besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten is daarop niet van toepassing, omdat [eiseres sub 1] c.s. (primair) geen nakoming, maar vergoeding van schadevergoeding vordert. Dat betekent dat [eiseres sub 1] c.s. moet stellen en onderbouwen dat zij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt die worden gekwalificeerd als buitengerechtelijke kosten en dat dit redelijke kosten zijn die zij in redelijkheid heeft kunnen maken. [eiseres sub 1] c.s. heeft dat niet gedaan. De gevorderde incassokosten worden daarom afgewezen.

3.20.

[verweerster] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. worden begroot op:

- betekening oproeping € 90,83

- griffierecht 4.030,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 7.534,83

3.21.

De over het exploot van de oproeping berekende btw wordt afgewezen. [eiseres sub 1] c.s. stelt namelijk niet dat zij geen btw kan verrekenen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de in de beslissing geformuleerde manier.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

veroordeelt [verweerster] om aan [eiseres sub 1] c.s. te betalen een bedrag van € 130.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 29 januari 2019 tot de betaling,

4.2.

veroordeelt [verweerster] om aan [eiseres sub 1] c.s. te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 5 maart 2019 tot de betaling,

4.3.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 7.534,83, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de betaling,

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2019.