Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4504

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
16/124609-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van drie jaren passend en geboden is. De rechtbank verbindt aan de proeftijd de algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, een contactverbod met het slachtoffer en een algemeen contactverbod met minderjarigen voor zover daar geen volwassen toezicht bij is, een gebiedsverbod en een ambulante behandelverplichting.

De rechtbank acht het opportuun te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/124609-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 september 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1943] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie te Rotterdam.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden, alsmede mr. C.H. Dijkstra, advocaat te Amersfoort, namens de benadeelde partij [slachtoffer] , wettelijk vertegenwoordigd door [aangeefster] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair

In de periode gelegen tussen 1 januari 2016 tot en met 1 februari 2019 te Houten en/of Triemen met [slachtoffer] die de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (meermalen) handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] .

Subsidiair

In de periode gelegen tussen 1 januari 2016 tot en met 1 februari 2019 te Houten en/of Triemen met [slachtoffer] die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (meermalen) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

Meer subsidiair

In de periode gelegen tussen 1 januari 2016 tot en met 1 februari 2019 te Houten en/of Triemen met zijn minderjarig kleinkind [slachtoffer] , ontucht heeft gepleegd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte handelingen heeft gepleegd die mede inhielden het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . De officier van justitie verwijst hiertoe naar de verklaring van het slachtoffer. Zij heeft zodanig specifiek en gedetailleerd verklaard over het misbruik – welke details en herinneringen de verdachte zelf ook onderschrijft – dat het niet anders kan dan dat ook het deel van haar verklaring dat ziet op het seksueel binnendringen betrouwbaar is en op de waarheid berust.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde.

Volgens de raadsman ontbreekt het bewijs dat de verdachte zijn vingers en/of penis in de vagina en/of anus van [slachtoffer] heeft gebracht. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het bewijsminimum. Voor zover van de verklaring van het slachtoffer wordt uitgegaan, bevat het dossier geen steunbewijs voor deze specifieke handeling nu al het bewijs voortvloeit uit één bron: de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] .

De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met dien verstande dat de raadsman niet bewezen acht dat de verdachte met zijn hand of vingers de anus van [slachtoffer] heeft betast.

Met betrekking tot de tenlastegelegde periode heeft de raadsman opgemerkt dat volgens de verklaring van zijn cliënt het misbruik begin maart 2018 stopte. Bewijs dat het misbruik plaatsvond tot februari 2019 ontbreekt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen voor het onder primair ten laste gelegde 1

Ter terechtzitting heeft de verdachte het volgende verklaard:

“Ik heb mijn kleindochter [slachtoffer] , geboren op [2008] , seksueel betast. Ik heb dat meerdere malen gedaan. Ik heb haar ook mijn penis laten vasthouden. Ik heb haar wel eens gevraagd of ze haar onderbroek uit wilde doen. Soms ging ik met mijn hand in haar onderbroek en dan ging ik friemelen, voelen en aaien over haar venusheuvel, schaamlippen en vagina. Zij heeft ook een keer op mijn schoot gezeten. Ik heb haar toen gevraagd of ze mijn penis wilde vasthouden. Dat heeft ze ook gedaan. Ze trok er ook een beetje aan. Het gebeurde of bij [slachtoffer] thuis in Houten, of bij mij thuis in Triemen en ook een keer in de auto. Het was in 2017 en ook in het begin van 2018 vond het plaats.”

[slachtoffer] wordt op 26 maart 2019 gehoord in een kindvriendelijke verhoorstudio. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Hierin is het volgende te lezen2:

Ik hoorde haar zeggen: (…)
dat zij op de bank zat en dat hij naast haar kwam zitten (…)
dat Pake [uit het dossier begrijpt de rechtbank dat dit verdachte betreft] dan het dekentje pakte en over hen heen gooide

dat het dekentje dan over de benen ging, tot haar middel (…)
dat hij aan de bovenkant van de pyjamabroek met zijn hand naar binnen ging

dat hij dus via haar buik haar broek in ging (…)

dat hij naar 'daar' gaat (ik zag dat [slachtoffer] naar haar geslachtsdeel wees)

dat zij het 'dinges' noemde

dat zij met haar 'dinges' kan plassen dat hij er aan ging friemelen, met zijn vingers

dat hij soms ook verder naar beneden ging en dat zij dat niet fijn vond

dat hij heen en weer ging met zijn vingers 3

Vervolgens hoorde ik [A] vragen waar de hand was bij haar dinges. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei: soms erop, soms ernaast en erin. Ik hoorde dat [slachtoffer] , daarnaar gevraagd, zei dat de hand koud voelde als deze op haar dinges lag en dat het gek voelde, als een soort rilling, als de hand erin was. 4

hij met zijn dinges kan plassen
het in de auto gebeurd was
zij de dinges aanraken niet heel fijn vond
zij het voorste deel van de dinges had aangeraakt met haar handen. 5

dat het soms pijn deed

dat haar dinges dan pijn deed

dat het leek alsof haar dinges in de brand stond

dat zij wel 2 of 3 of 4 keer het gevoel had gehad dat haar dinges in de brand stond. 6

De moeder van [slachtoffer] , mw. [aangeefster] , verklaart op 6 maart 2019 bij de politie7:

“Het gaat over misbruik op een seksuele manier van mijn dochter. (…)Het is ongeveer gebeurd tussen 3 jaar en 6 maanden geleden. Het is meerdere keren gebeurd. 8

De tante van [slachtoffer] , mw. [getuige] , tevens de dochter van de verdachte, verklaart bij de politie9:

“V: Wat heeft je vader nog meer over de situatie met [slachtoffer] verteld?

A: (…) hij geeft aan dat het over een tijdsbestek van een jaar meerdere keren is gebeurd en dat het vorig jaar zomer 2018 gestopt is. 10

4.3.2

Bewijsoverweging

Juridisch kader

Aan verdachte is een zedendelict ten laste gelegd. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook in de onderhavige zaak is dit het geval. Dit brengt met zich dat, bij een ontkennende verdachte, veelal slechts de (getuigen)verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing en geeft uitdrukking aan het beginsel van dubbele bevestiging, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij geldt wel dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangever/-geefster op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van Sv. is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Te bewijzen seksuele handelingen: partiële vrijspraak van het onder primair ten laste gelegde met betrekking tot het seksueel binnendringen in de anus en het binnendringen met de penis.

De verdediging heeft aangevoerd dat het dossier geen steunbewijs bevat voor de ten laste gelegde handeling die ziet op het brengen van de vingers en/of penis in de vagina en/of anus van [slachtoffer] .

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Tijdens het studioverhoor van [slachtoffer] wordt haar gevraagd naar de handelingen die haar opa bij haar heeft verricht. Zij verklaart dan onder andere dat opa met zijn vingers in haar “dinges”, haar vagina, zat. Hij deed zijn hand in haar onderbroekje en friemelde dan bij haar vagina. Ook verklaart zij dat zij pijn had aan haar dinges en dat het soms leek alsof haar dinges in de brand stond. De verdachte heeft verklaard dat hij met zijn handen en vingers aan de venusheuvel, schaamlippen en vagina van zijn kleindochter heeft gevoeld en gefriemeld. De verdachte ontkent echter dat hij in haar vagina is geweest met zijn vingers. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte op dit punt ongeloofwaardig. De rechtbank acht hierbij van belang dat [slachtoffer] zeer gedetailleerd en precies omschrijft hoe het voelde als opa aan enin haar dinges zat: het voelde koud aan en als de hand erin zat voelde het gek, als een soort rilling. Ook voelde haar dinges dan branderig aan. Gelet op deze beschrijving van [slachtoffer] acht de rechtbank bewezen dat verdachte, toen hij met zijn hand en vingers aan haar vagina zat, ook in de vagina van [slachtoffer] is geweest.

Dit ligt anders voor de tenlastegelegde handeling die ziet op het brengen van de vingers in de anus en het brengen van de penis in de vagina en/of anus van [slachtoffer] . Hoewel [slachtoffer] verklaart dat verdachte ook met zijn penis in haar “k.o.n.t.”, haar anus, is geweest, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] op dit punt onvoldoende steun vindt in de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen om te voldoen aan het bewijsminimum. Deze overige bewijsmiddelen volgen deels uit de verklaring van [slachtoffer] , en komen daarmee dus uit dezelfde bron, of leveren slechts bewijs voor ondergeschikte onderdelen van het tenlastegelegde. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de tenlastegelegde handeling die ziet op het brengen van de vingers in de anus en het brengen van de penis in de vagina en/of anus van [slachtoffer] .

Periode waarin het misbruik plaatsvond

De tenlastelegging gaat uit van seksueel misbruik gepleegd in de periode gelegen tussen 1 januari 2016 tot en met 1 februari 2019. De verdediging heeft deze periode betwist en aangevoerd dat het misbruik is gestopt in maart 2018. De verdachte kan zich de laatste keer namelijk nog goed herinneren omdat dit was in de periode dat hij zijn caravan verkocht. De moeder van [slachtoffer] verklaart in maart 2019 dat het misbruik ongeveer zes maanden geleden is gestopt, en de tante van [slachtoffer] (de dochter van verdachte) verklaart dat haar vader haar zei dat hij in de zomer van 2018 was gestopt met het betasten van [slachtoffer] . De rechtbank zal zodoende uitgaan van een kortere periode dan de periode die ten laste is gelegd en zal als einddatum 1 augustus 2018 hanteren.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair

in de periode gelegen tussen 1 januari 2016 tot en met 1 augustus 2018 te Houten en/of Triemen, in elk geval in Nederland, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [2008] ,

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer] , te weten het

- stoppen/houden van zijn verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en

- wrijven over en betasten van de (al dan niet met kleding bedekte) vagina en anus van die [slachtoffer] met de hand en vinger(s) en

- op schoot laten zitten van die [slachtoffer] en vervolgens het laten vasthouden en het laten trekken aan zijn, verdachtes penis.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit:

Primair

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, met als (bijzondere) voorwaarden:

  • -

    Meldplicht bij de reclassering;

  • -

    Ambulante behandeling;

  • -

    Locatieverbod gemeente Houten;

  • -

    Contactverbod met [slachtoffer] ;

  • -

    Verbod op het contact met minderjarigen zonder aanwezigheid van een volwassen persoon.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Gelet op de bepleite vrijspraak voor het primaire feit komt de verdediging tot een andere strafmaat dat de eis van de officier van justitie. De verdediging heeft een drietal uitspraken aangehaald waarvan zij meent dat die vergelijkbaar zijn met het feitencomplex in onderhavige zaak. In deze uitspraken worden korte onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf. De verdediging heeft om die reden verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het reeds ondergane voorarrest overstijgt. Ook heeft de verdediging gewezen op de mogelijkheid een taakstraf op te leggen in combinatie met een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Met betrekking tot de bijzondere voorwaarden die aan een voorwaardelijk strafdeel worden gekoppeld heeft de verdediging opgemerkt dat zij zich kan vinden in de formulering van de officier van justitie inzake het contact verbod met minderjarigen, namelijk dat dit verbod niet opgaat indien hierbij ook een volwassen persoon aanwezig is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft meermalen op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn kleindochter. Toen zijn kleindochter bij hem logeerde of toen hij bij haar langskwam en hij de zorg over haar had, heeft hij ontuchtige handelingen gepleegd door haar over haar – al dan niet ontblootte – vagina en anus te strelen. Ook is hij met zijn vinger(s) in haar vagina gegaan en heeft hij haar gevraagd zijn penis vast te houden. Verdachte heeft hiermee op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van zijn kleindochter geschonden. Verdachte heeft misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid, maar ook van haar spontaniteit, openheid en aanhankelijkheid naar hem en heeft haar vertrouwen in hem – haar opa – op ernstige wijze geschonden. Dit misbruik heeft jaren kunnen doorgaan en is pas in 2019 aan het licht gekomen toen het jongere broertje van zijn kleindochter aan hun moeder had aangegeven dat hij niet wilde dat opa kwam logeren omdat opa vieze dingen met zijn zus had gedaan.

Verdachte heeft hiermee de normale en gezonde seksuele ontwikkeling van zijn kleindochter doorkruist. Een ontwikkeling waar ieder kind recht op heeft. Daarnaast heeft hij het vertrouwen dat haar ouders in hem stelden zeer ernstig beschaamd. Uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat het handelen van verdachte op zowel zijn kleindochter als haar ouders een enorme impact heeft gehad. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en heeft enkel zijn eigen behoefte aan intimiteit vooropgesteld. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Persoon van de verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het volgende.

Uit de justitiële documentatie van verdachte van 31 juli 2019 blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Verdachte is onderzocht door psychiater J. van der Meer en psycholoog mr. R.A.R. Bullens. Zowel de psychiater als psycholoog concluderen dat verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. Het uit deze stoornis voortkomende seksuele gedrag met betrekking tot kinderen en de cognitieve vertekeningen waarmee dit gepaard ging, zorgden ervoor dat verdachte seksueel contact had met zijn kleindochter. De cognitieve vertekeningen zorgden ervoor dat verdachte minder in staat was om de gevolgen van zijn handelen voor zijn kleindochter en voor zichzelf te overzien. Zo dacht verdachte dat zijn kleindochter het kon aangeven als zij het misbruik onprettig zou vinden en dacht hij dat zij het misbruik prettig vond. Hiermee zag hij zijn kleindochter als een aan hem gelijkwaardig individu. Anderzijds wist verdachte ook dat zijn gedrag niet acceptabel was. Hij deed dan ook moeite om zijn gedrag te verbergen en erkent dat hij zijn kleindochter heeft gevraagd het misbruik niet verder te vertellen. De psychiater en psycholoog adviseren dit overziende daarom om de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 12 juli 2019, opgesteld door dhr. T. Starrenburg. De reclassering adviseert om bij de oplegging van een deels voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod en het vermijden van contact met minderjarigen. De reclassering adviseert in het kader van de ambulante behandeling om de verdachte een korte individuele poliklinische (GGZ)behandeling te laten ondergaan voor zijn pedofiele stoornis.

Zowel de reclassering als de psychiater en psycholoog schatten de kans op recidive als laag in. De verdachte is inmiddels op hoge leeftijd en geeft aan dat het seksueel misbruik nooit meer zal voorkomen. Hij heeft reeds behandeling gezocht en de grote gevolgen van het misbruik zullen waarschijnlijk een afschrikkende werking op hem hebben. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat hij na zijn detentie nog toegang zal krijgen tot jonge kinderen, en als dit gebeurt zal dit zijn in familiekring, waarbij het misbruik al bekend is en zijn kinderen hun kinderen niet meer zonder toezicht aan hem zullen toevertrouwen. Het risico op recidive wordt hoger als betrokkene toch in nauw contact komt te staan met jonge kinderen.

Strafmaat

Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank ziet gelet op de ernst van het feit en de langdurige periode waarin de seksuele handelingen door verdachte zijn gepleegd – anders dan de raadsman – aanleiding de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de duur van het voorarrest te laten overstijgen. Bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank er bovendien ook rekening mee dat door de aanhouding en detentie van verdachte ook zijn gezins- en familieleven onherstelbaar lijken te zijn ontwricht. De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met zijn hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid, alsmede met het feit dat verdachte bereid en gemotiveerd is een behandeling voor zijn pedofiele stoornis te ondergaan.

De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het binnendringen met de penis in de vagina en anus, welke handelingen de officier van justitie in de formulering van zijn strafeis wel heeft betrokken.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden noodzakelijk zijn om de kans op herhaling te reduceren. De rechtbank zal om die reden aan het voorwaardelijke deel van de straf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen.

Conclusie

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van drie jaren passend en geboden is. De rechtbank verbindt aan de proeftijd de algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] en een algemeen contactverbod met minderjarigen voorzover daar geen volwassen toezicht bij is, een gebiedsverbod met betrekking tot Houten, en een ambulante behandelverplichting.

De rechtbank acht het opportuun te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Hoewel het recidiverisico als laag wordt ingeschat, wordt ook gezegd dat dit risico hoger wordt indien de verdachte in nauw contact komt te staan met (kleine) kinderen. Ook is er nog geen behandeling ten aanzien van de stoornis van de verdachte gestart. Om die reden acht de rechtbank het van belang dat de voorwaarden die nu juist zien op een beperking van deze kans, dadelijk uitvoer te verklaren.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] , wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [aangeefster] , heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 20.000,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert ook wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde immateriële schadevergoeding, met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de immateriële schade voor een lager bedrag dan het gevorderde bedrag toe te wijzen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering is gebaseerd op algemeenheden, maar dat een concrete onderbouwing ontbreekt. Bovendien acht de verdediging minder seksuele handelingen bewezen, terwijl het gevorderde bedrag wel op alle tenlastegelegde handelingen is gebaseerd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden door benadeelde partij en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De gevorderde immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 10.000,-.

Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij aldus tot het bedrag van € 10.000,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2016 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 10.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 85 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die door verdachte is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57 en 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich zal melden bij de reclassering, adres: Zoutbranderij 1, 8933 AJ Leeuwarden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich onder behandeling zal stellen van de GGZ of soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens de GGZ aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , tenzij de reclassering dit niet meer noodzakelijk acht;

* zich niet zal bevinden in de gemeente Houten, tenzij de reclassering dit niet meer noodzakelijk acht;

* op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarige. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt betrokkene dat een andere volwassen persoon hierbij aanwezig is;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [aangeefster] , zijnde de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] , toe tot een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro);

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster] , zijnde de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] , van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [aangeefster] , zijnde de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] , voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] , zijnde de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] , aan de Staat € 10.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 85 (zegge: vijfentachtig) dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. A.C. Schroten en C.S.K. Fung Fen Chung, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Pagano Mirani, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 september 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 januari 2016 tot en met 1

februari 2019 te Houten en/of Triemen, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans éénmaal (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [2008]

, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer] ,

te weten het meermalen, althans éénmaal (telkens)

- stoppen/houden van zijn verdachtes vinger(s) en/of penis in de vagina

en/of anus van die [slachtoffer] en/of

- wrijven over en/of betasten van de (al dan niet met kleding bedekte)

vagina en/of anus van die [slachtoffer] met de hand en/of vinger(s) en/of

- op schoot laten zitten van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) het laten

vasthouden en/of het laten trekken aan zijn, verdachtes penis;

(art 244 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 januari 2016tot en met 1

februari 2019 te Houten en/of Triemen, in elke geval in Nederland,

meermalen, althans éénmaal (telkens)

met [slachtoffer] , geboren op [2008] , die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, te weten

het meermalen, althans éénmaal (telkens)

- wrijven over en/of betasten van de (al dan niet met kleding bedekte)

vagina en/of anus van die [slachtoffer] met de hand en/of vinger(s) en/of

- op schoot laten zitten van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) het laten

vasthouden en/of het laten trekken aan zijn, verdachtes penis;

(art 247 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 januari 2016 tot en met 1

februari 2019 te Houten en/of Triemen, in elk geval in Nederland,

meermalen althans éénmaal (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn

minderjarig kleinkind [slachtoffer] , geboren op [2008] ,

door meermalen, althans éénmaal (telkens)

- te wrijven over en/of te betasten van de (al dan niet met kleding

bedekte)

vagina en/of anus van die [slachtoffer] met de hand en/of vinger(s) en/of

- het op schoot te laten zitten van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) te laten

vasthouden en/of te laten trekken aan zijn, verdachtes penis;

(art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 23 mei 2019, 31 mei 2019 en 4 juli 2019 genummerd PL0900-2019036630, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 134. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2019, pagina’s 67 t/m 74.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2019, pagina 69.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2019, pagina 70.

5 Proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2019, pagina 71.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 26 maart 2019, pagina 73.

7 Een proces-verbaal van aangifte van 6 maart 2019, pagina’s 55 t/m 63.

8 Proces-verbaal van aangifte van 6 maart 2019, pagina 56.

9 Een proces-verbaal van verhoor getuige van 22 mei 2019, pagina’s 96 t/m 99.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige van 22 mei 2019, pagina 98.