Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4475

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
NL18.19859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bestuur van een stichting besluit haar onderneming voort te zetten in de vorm van een besloten vennootschap. Eén bestuurslid van de stichting zal de onderneming voortzetten en de andere vier bestuurders ieder krijgen ieder 2% van de aandelen van de nog op te richten vennootschap. De vennootschap wordt opgericht, maar de aandelen zijn wel uitgegeven aan twee nieuwe investeerders en aan het overgebleven bestuurslid, maar niet aan aan de andere vier. Die eisen nu nakoming van de afspraken en dat is ook wat er moet gebeuren. Dat het overgebleven bestuurslid zich daarvoor afhankelijk heeft gemaakt van de nieuwe investeerders, is haar eigen schuld en dus ook haar probleem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer: NL18.19859

Vonnis van 18 september 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiser sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser sub 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. [eiser sub 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisers,

verweerders tegen de voorwaardelijke tegeneis,
advocaat S.L. Fronik ,

tegen

1 [verweerster sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [verweerster sub 1]
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 2] BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen [verweerster sub 2] ,

verweersters,

indieners van de voorwaardelijke tegeneis
advocaat A.R. Vlieger.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 9 mei 2019

  • -

    de spreekaantekeningen die bij de mondelinge behandeling zijn voorgedragen en overgelegd door beide advocaten.

1.2.

Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zou komen.

2. De beoordeling van de eis en de voorwaardelijke tegeneis

Waar gaat het over en wat is de beslissing van de rechtbank?

2.1.

Heeft [verweerster sub 1] aan eisers toegezegd dat zij ieder 2% van de aandelen in [verweerster sub 2] zouden krijgen? De rechtbank vindt van wel. De eisen die daarop zijn gericht wijst zij toe tegen [verweerster sub 1] , behalve de dwangsom. De eis dat [verweerster sub 2] moet meewerken aan de overdracht van de aandelen wijst de rechtbank ook toe. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] verliezen deze rechtszaak en moeten daarom de proceskosten van eisers betalen.

De motivering van deze oordelen staat hieronder.

Wat is er gebeurd?

2.2.

Eisers hebben de stichting [verweerster sub 2] opgericht. Die richtte zich op het verkopen van reizen aan particulieren, waarbij de helft van de opbrengst van de boekingen werd besteed aan een goed doel dat de koper (de reiziger) mocht bepalen. Later sloot [verweerster sub 1] zich aan bij eisers. Het concept leverde niet veel boekingen op. Eisers wilden afscheid nemen van de stichting, maar [verweerster sub 1] wilde doorgaan. Dan waren er wel een ander concept nodig en investeringen om de omzet te vergroten. De betrokkenen dachten aan het oprichten van een besloten vennootschap om de onderneming in onder te brengen. [verweerster sub 1] zou daarvan de bestuurder worden en zij zou een investeerder moeten aantrekken.

2.3.

Het was nog onzeker of dat zou lukken toen eisers en [verweerster sub 1] op een bestuursvergadering van de stichting afspraken maakten die aldus zijn genotuleerd:

Bestuursleden [eiser sub 4] , [eiser sub 2] , [eiser sub 1] en [eiser sub 3] willen zich binnen afzienbare tijd terugtrekken uit het bestuur en actieve deelname in [verweerster sub 2] . [verweerster sub 1] wil graag [verweerster sub 2] voortzetten in een andere organisatievorm, namelijk een BV, al dan niet in combinatie met een stichting. Ze wil de vertrekkende bestuursleden ( [eiser sub 4] , [eiser sub 2] , [eiser sub 1] , [eiser sub 3] ) ieder een klein percentage van de aandelen gunnen. De andere bestuursleden stemmen unaniem in met [verweerster sub 1] visie en het bestuur komt unaniem overeen dat [verweerster sub 1] mogelijkheden voor een dergelijke voortzetting verkent. Het bestuur ziet niets in een voortzetting van [verweerster sub 2] alleen als stichting, waarbij de vier vertrekkende bestuursleden worden vervangen. Het bestuur komt unaniem overeen dat er eind 2016 een oplossing voor de door [verweerster sub 1] voorgestelde wijze van doorstart moet zijn. De source code van de website zal eigendom worden van de nieuwe organisatievorm.

2.4.

In latere geschreven contacten is ‘een klein percentage’ door [verweerster sub 1] op 2% van de aandelen van de nog op te richten vennootschap gesteld. Ook 8% komt in die contacten naar voren als de optelsom van de 2% voor ieder van de vier eisers.

2.5.

[verweerster sub 1] heeft, later dan eind 2016, twee investeerders gevonden en [verweerster sub 2] is als besloten vennootschap opgericht. De onderneming is daarin ondergebracht. [verweerster sub 2] heeft bij haar oprichting aandelen uitgegeven aan beide investeerders en aan [verweerster sub 1] , maar niet een eisers.

Volgens [verweerster sub 1] waren een of beide investeerders daar tegen. Aandeelhouders moesten investeren óf meewerken in de onderneming, zo vonden die investeerders volgens [verweerster sub 1] . En eisers voldeden niet aan die criteria.

Deze discussie en de uitkomst ervan werden toen niet gedeeld met eisers, omdat [verweerster sub 1] hen niet op de hoogte hield en het aan de twee investeerders overliet om hun keus te maken eisers al dan niet aandelen te gunnen. Daardoor zijn eisers achteraf geconfronteerd met feit dat aan hen geen aandelen zijn uitgegeven bij de oprichting van [verweerster sub 2] .

2.6.

De aandeelverhoudingen zijn intussen anders geworden. Een van de twee investeerders is afgehaakt en heeft zijn aandelen overgedragen aan de ander. Die ander, CU, heeft ook een deel van het aandelenpakket van [verweerster sub 1] overgenomen. CU houdt nu 60% van de aandelen in [verweerster sub 2] en [verweerster sub 1] (via een persoonlijke besloten vennootschap) 40%.

Wat willen eisers?

2.7.

Omdat partijen al voor dit proces van opvatting verschilden of [verweerster sub 1] een toezegging deed dat eisers aandelen in [verweerster sub 2] zouden krijgen, vragen eisers een verklaring voor recht op dit punt en een verklaring voor recht dat [verweerster sub 1] is tekortgeschoten omdat zij die toezegging niet nakwam.

Verder willen eisers dat [verweerster sub 1] wordt veroordeeld om haar toezegging nu wel na te komen, waardoor zij ieder 2% van de aandelen in [verweerster sub 2] verwerven. Omdat [verweerster sub 2] zelf geen toezegging heeft gedaan, willen zij deze aandelen overnemen uit het aandelenpakket van [verweerster sub 1] . Ook willen eisers dat [verweerster sub 2] meewerkt, voor zover nodig, aan de aandelenoverdracht.

Eisers hebben belang bij hun vorderingen

2.8.

Het gaat eisers, zeggen zij, niet om invloed in [verweerster sub 2] , maar om een aandeel in de winst als die in de toekomst gemaakt zou worden. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er in de toekomst winst wordt gemaakt door [verweerster sub 2] , waarmee het belang van eisers bij hun eis is gegeven. De rechtbank volgt dus niet het verweer dat aan eisers helemaal geen vordering toekomt, omdat zij geen belang hebben bij die vordering. Dat belang is er ook als de aandelen van [verweerster sub 2] op dit moment helemaal geen waarde hebben, omdat er een negatief vermogen is en geen winst wordt gemaakt.

De toezegging is gedaan en aanvaard: er is een overeenkomst

2.9.

Uit het citaat in 2.3 blijkt dat [verweerster sub 1] aan eisers ‘ieder een klein percentage van de aandelen (wil) gunnen’. Eisers hebben dit aanbod aanvaard. De bedoeling was dat er een besloten vennootschap zou komen en eisers zouden aandelen in die vennootschap krijgen.

1. Anders dan [verweerster sub 1] meent, is dit geen vrijblijvend aanbod. Dat blijkt niet uit de formulering ervan in de notulen en ook niet uit haar latere berichten. De inhoud van de toezegging is niet dat [verweerster sub 1] ‘zal proberen’ om eisers ‘een aandeel’ in de op te richten besloten vennootschap te geven. De toezegging houdt concreet in dat iedere eiser 2% van de aandelen in de op te richten besloten vennootschap zal krijgen.

De vrijblijvendheid kan ook niet worden afgeleid uit de context dat het bij het maken van de afspraak nog helemaal niet duidelijk was hoe het zou gaan lopen. De vennootschap is opgericht en daarmee is voldaan aan de enige (noodzakelijke) voorwaarde die in het aanbod van [verweerster sub 1] zat.

2. Partijen discussiëren over de vraag of sprake is van een schenking of niet. De discussie spitst zich toe op de vraag of er een tegenprestatie was van eisers tegenover de toezegging van [verweerster sub 1] . Die discussie doet er niet toe als het gaat om de plicht van [verweerster sub 1] om haar toezegging na te komen. Als een toezegging zonder tegenprestatie door de begunstigden wordt aanvaard, komt er een overeenkomst van schenking tot stand. Als er wel een tegenprestatie is, kan die als koopsom van of storting op de aandelen worden beschouwd. In alle gevallen komt een overeenkomst tot stand en die moet [verweerster sub 1] nakomen.

Als het een schenkingsovereenkomst is, dan geen vernietiging

2.10.

De discussie over de aard van de overeenkomst zou wel van belang kunnen zijn voor iets anders. [verweerster sub 1] heeft zich namelijk beroepen op vernietiging van die overeenkomst op grond van artikel 7:184 BW. Dat wetsartikel gaat alleen over schenkingen. Maar aan de wettelijke voorwaarden voor een vernietiging is niet voldaan. Dan moeten eisers tegenover [verweerster sub 1] een misdrijf hebben begaan of zij moeten hun onderhoudsplicht tegenover [verweerster sub 1] hebben geschonden. Dat is allebei niet aan de orde. Blijkbaar mikt [verweerster sub 1] op het schenden door eisers van een verplichting die zij bij de schenking kregen opgelegd, namelijk het blijven uitvoeren van hun taken in de stichting totdat de besloten vennootschap zou zijn opgericht. Maar uit niets blijkt dat dit een tegenprestatie was die eisers kregen opgelegd, omdat zij een schenking kregen aangeboden. Dus het terugtreden van eisers uit de stichting en het staken van hun werkzaamheden in de stichting komen niet neer op het schenden van een verplichting die eisers als begunstigden bij de schenking door [verweerster sub 1] als schenker kregen opgelegd.

2.11.

De conclusie is dat de overeenkomst, als die als een schenkingsovereenkomst moet worden beschouwd, niet kan worden vernietigd op grond van artikel 7:184 BW.

Geen overtreding van artikel 2:285 BW

2.12.

In artikel 2:285 BW staat een verbod: het doel van een stichting mag niet zijn het doen van uitkeringen aan de oprichters of, toegespitst op deze zaak, bestuursleden. [verweerster sub 1] beroept zich op schending van deze regel doordat aan eisers 2% is toegezegd van de aandelen in de besloten vennootschap.

Dit argument gaat niet op. De toezegging gaat niet over een uitkering door de stichting, terwijl het verbod zich bovendien beperkt tot het opnemen van zoiets in de statuten als doel van de stichting. Dat is hier ook niet gebeurd.

[verweerster sub 1] kan haar toezegging niet zomaar nakomen, maar dat is haar risico

2.13.

Eisers willen dat [verweerster sub 1] haar toezegging nakomt door een deel van haar eigen aandelenpakket aan hen over te dragen. Zij kunnen immers [verweerster sub 2] niet dwingen nieuwe aandelen uit te geven in een omvang die ertoe leidt dat iedere eiser voor 2% in het kapitaal van [verweerster sub 2] deelneemt.

Omdat [verweerster sub 1] haar toezegging ongeclausuleerd deed, past de uitvoering die eisers voor ogen staat binnen wat [verweerster sub 1] heeft toegezegd.

2.14.

[verweerster sub 1] wijst erop dat CU als investeerder en meerderheidsaandeelhouder in [verweerster sub 2] ertegen is dat er aandelen in het bezit komen van eisers, tenzij eisers zouden gaan werken voor de onderneming van [verweerster sub 2] of geld zouden investeren in [verweerster sub 2] . Eisers hebben bestreden dat CU er zo over denkt, maar zij zijn niet van plan te investeren of te werken in [verweerster sub 2] , dat staat vast.

2.15.

Het is wettelijk verplicht om in de statuten van een besloten vennootschap een blokkeringsregeling op te nemen. Dat is een regeling die tot doel heeft dat niet een willekeurige nieuwkomer aandeelhouder kan worden van de besloten vennootschap. Er bestaan twee wettelijke vormen van zo’n regeling:

1. De aandeelhouder die zijn aandelen (helemaal of voor een deel) wil overdragen aan een derde, moet daarvoor eerst goedkeuring krijgen van de andere aandeelhouders.

of

2. De aandeelhouder die zijn aandelen (helemaal of voor een deel) wil overdragen aan een derde, moet deze eerst tegen een reële prijs aanbieden aan de andere aandeelhouders.

2.16.

In beide varianten is [verweerster sub 1] dus afhankelijk van CU om een deel van haar aandelen over te dragen aan eisers. Het moet nog blijken hoe CU zich opstelt na dit vonnis. In elk geval heeft [verweerster sub 1] zichzelf in de nesten gewerkt door met CU en de andere investeerder in zee te gaan, waarbij zij het aan hen overliet of er ook aandelen zouden worden uitgegeven aan eisers, terwijl zij eisers op dat moment niet op de hoogte hield. Dat leidde ertoe dat aan eisers geen aandelen zijn uitgegeven bij de oprichting van [verweerster sub 2] . Dat leidt er nu toe dat eisers recht van spreken hebben als zij willen dat [verweerster sub 1] een gedeelte van haar eigen aandelenpakket aan hen overdraagt. Dat recht wordt niet anders doordat [verweerster sub 1] zich bij het nakomen van haar toezegging afhankelijk heeft gemaakt van CU. Dat staat dus aan het toewijzen van de eisen tegen [verweerster sub 1] niet in de weg.

Eisers mochten een alternatief aanbod van [verweerster sub 1] weigeren

2.17.

[verweerster sub 1] heeft betoogd dat eisers zelf in verzuim kwamen te verkeren, wat aan toewijzing van hun eisen in de weg staat. Dat verzuim is ontstaan doordat eisers een alternatief dat [verweerster sub 1] aanbood weigerden.

Maar dat alternatief was slechter dan haar toezegging. Zij bood aan dat iedere eiser een aanspraak tegenover haar zou krijgen ter grootte van 2% van de waarde van de aandelen- [verweerster sub 2] , als zij haar aandelen ooit zou verkopen of als [verweerster sub 2] haar onderneming zou verkopen. Dit aanbod is slechter dan de oorspronkelijke toezegging van [verweerster sub 1] , omdat dividenduitkeringen op de aandelen aan eisers voorbij zouden gaan, omdat zij geen stemrecht zouden krijgen en omdat eisers niet in de positie kwamen dat zijzelf ooit hun aandelen zouden kunnen verkopen of er op een andere manier over zouden kunnen beschikken.

Kortom, eisers mochten dit alternatieve aanbod van [verweerster sub 1] afslaan. Daardoor deden zij niets verkeerd en kwamen zij niet in verzuim. Deze gang van zaken staat dus niet in de weg aan toewijzing van hun eisen.

[verweerster sub 1] moet eisers als aandeelhouder accepteren

2.18.

[verweerster sub 1] meent dat eisers hun rechten hebben verspeeld doordat zij dwang probeerden toe te passen door het domein van de stichting (dat was bestemd voor [verweerster sub 2] ) op het internet te ‘kapen’ en doordat zij een rechtszaak hebben aangekondigd en zo opvolgend bestuurders van de stichting afschrikten. Dit heeft [verweerster sub 1] zelf uitgelokt door haar toezegging niet na te komen, dus zij kan geen argumenten aan de opstelling van eisers ontlenen.

2.19.

Omdat [verweerster sub 1] eisers niet meer wil aanvaarden als aandeelhouder, komen zij en [verweerster sub 2] met een voorwaardelijke tegeneis. De voorwaarde is dat de rechtbank zou oordelen dat eisers recht hebben op aandelen in [verweerster sub 2] . De rechtbank heeft dat oordeel. Dus aan de voorwaarde voor het beoordelen van ook de tegeneis is voldaan.

Wat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] betreft worden de vier eisers als aandeelhouder worden uitgestoten. Zij moeten dus, wat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] betreft, hun aandelen meteen weer inleveren. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] zijn niet-ontvankelijk in deze tegeneis, omdat die alleen kan worden ingesteld tegen aandeelhouders en dat zijn eisers nu niet. Daar komt bij dat de verhoudingen op scherp zijn komen te staan doordat [verweerster sub 1] haar toezegging niet nakwam. Eerst zelf het probleem veroorzaken en dan de conclusie trekken dat de anderen maar moeten vertrekken, is een poging de wereld om te keren. De rechtbank zou die poging niet honoreren als zij er inhoudelijk over moest beslissen.

Is het aandeelhouderschap van eisers niet in het belang van de vennootschap?

2.20.

[verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] betogen dat nakoming van de toezegging van [verweerster sub 1] door aandelen aan eisers over te dragen niet in het belang van vennootschap ( [verweerster sub 2] ) is. Zij menen dat daarom aan eisers niet de vrije keus toekomt om nakoming te eisen.

2.21.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het aandelenpakket dat eisers krijgen is in totaal 8% van het aandelenkapitaal. De rest van de aandelen is dan nog in handen van CU en van [verweerster sub 1] . Stembepalend zijn eisers dus zeker niet, als zij al invloed willen, want dat zeggen ze juist niet te willen. Bestuurder worden zij ook niet.

Het kan zijn dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] denken aan de opstelling van CU als zij aanvoeren dat het belang van de vennootschap niet is gediend met de komst van eisers als aandeelhouders. De rechtbank neemt aan dat [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] dan bedoelen dat CU zich kan terugtrekken uit [verweerster sub 2] met opzegging van de aan [verweerster sub 2] verstrekte leningen. Maar dan vergeten zij dat CU het in haar macht heeft de komst van eisers als aandeelhouder te verhinderen via de blokkeringsregeling in de statuten van [verweerster sub 2] . De rechtbank neemt aan dat CU consequent zal zijn in haar opstelling en dus geen rare sprongen meer zal maken als en nadat zij bereid blijkt eisers als aandeelhouder te aanvaarden.

2.22.

Uit wat hiervoor staat, kan worden afgeleid dat het belang van de vennootschap ( [verweerster sub 2] ) niet in gevaar komt. Het verweer dat [verweerster sub 1] bij overdracht van haar aandelen niet in het belang van de vennootschap ( [verweerster sub 2] ) handelt, gaat dus niet op. Het beroep op artikel 2:9 BW – inhoudend dat [verweerster sub 1] zich als aandeelhouder tegenover de vennootschap moet gedragen op een manier die door de redelijkheid en billijkheid wordt verlangd – gaat dus niet op. Overdracht door [verweerster sub 1] van een deel van haar aandelen aan eisers is tegenover de vennootschap ( [verweerster sub 2] ) niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

De eis tegen [verweerster sub 2]

2.23.

Tegen [verweerster sub 2] is de eis ingesteld dat deze meewerkt aan de aandelenoverdracht, voor zover dat nodig is. De rechtbank denkt aan het inschrijven van de nieuwe aandeelhouders in het register. Aan die eis staat niet in de weg dat het alleen [verweerster sub 1] was die een toezegging deed aan eisers en niet [verweerster sub 2] . Omdat [verweerster sub 1] de enige bestuurder is van [verweerster sub 2] en omdat uit haar verweren blijkt dat zij eisers buiten de deur wil houden, zal de rechtbank deze eis tegen [verweerster sub 2] toewijzen. De rechtbank wil voorkomen dat [verweerster sub 1] als bestuurder van [verweerster sub 2] tegenhoudt wat zij als aandeelhouder moet doen.

Geen dwangsom

2.24.

Aan hun eis dat [verweerster sub 1] aandelen aan hen overdraagt, verbinden eisers een dwangsom. Die eis wijst de rechtbank af, hoewel zij zeker niet uitsluit dat [verweerster sub 1] een prikkel in deze vorm nodig heeft.

De rechtbank wil namelijk executieperikelen voorkomen, omdat partijen scherp tegenover elkaar staan. Executieperikelen zijn te verwachten, want overdracht van aandelen aan eisers vergt onvermijdelijk de tussenkomst van CU. Het is niet duidelijk wat CU gaat doen en [verweerster sub 1] heeft geen middelen om CU tot medewerking te dwingen. Een dwangsom is een prikkel voor [verweerster sub 1] , maar het is niet te voorspellen of een prikkel van [verweerster sub 1] zal leiden tot het door eisers beoogde resultaat, gegeven de positie van CU. Daarom legt de rechtbank geen dwangsom op.

De proceskosten en de nakosten

2.25.

[verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:

- betekening oproeping € 102,50

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.479,50

De beslissingen over de nakosten en de wettelijke rente over al deze kosten staan hieronder.

3 De beslissing in conventie en in voorwaardelijke reconventie

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat [verweerster sub 1] zich tegenover eisers verbonden heeft hun ieder 2% van de aandelen te doen toekomen in de nog op te richten vennootschap die bestemd zou zijn om de onderneming van de Stichting [verweerster sub 2] verder te drijven,

3.2.

verklaart voor recht dat [verweerster sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis die staat in 3.1.,

3.3.

veroordeelt [verweerster sub 1] het ertoe te leiden dat binnen veertien dagen na dit vonnis aan ieder van eisers 2% in het aandelenkapitaal van [verweerster sub 2] wordt overgedragen, zonder tegenprestatie, onbezwaard en overigens met garanties en overige bepalingen als te doen gebruikelijk zijn,

3.4.

veroordeelt [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 1.479,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dat na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

3.5.

veroordeelt [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op

 € 246,00 € 246,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling

en

 € 82,00 € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

3.6.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op

18 september 2019.