Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:444

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
462011
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

beeindiging gezag afgewezen minderjarige bijna 18 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

Locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/462011 / FL RK 18-1238

datum :

beschikking van de meervoudige familiekamer

inzake

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna als de Raad aangeduid,

verzoeker,

betreffende de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

de rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. S.M. Wolff,

hierna als de moeder aangeduid,

Samen Veilig Midden Nederland,

hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het procesverloop

De Raad heeft op 14 juni 2018 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift tot beëindiging van het ouderlijk gezag ingediend.

De zaak is verwezen naar deze kamer.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van:

- de brief van [voornaam van minderjarige] d.d. 3 januari 2018 aan de rechtbank;

- de aantekeningen van de griffier van het kindgesprek met [voornaam van minderjarige] op 23 januari 2018;

  • -

    een rapport van de Raad d.d. 22 mei 2018 met bijlagen;

  • -

    de bereidverklaring van de GI;

  • -

    een faxbericht met bijlagen d.d. 19 december 2018 van de zijde van moeder.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren op 20 december 2018.

Verschenen zijn:

  • -

    moeder, bijgestaan door mr. Wolff,

  • -

    [voornaam van minderjarige] ,

  • -

    mevrouw [A] namens de Raad;

  • -

    de heer [B] namens de GI.

Mr. Wolff heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Vaststaande feiten

Moeder heeft het gezag over [voornaam van minderjarige] . De vader van [voornaam van minderjarige] ( [C] ) is op [overlijdensdatum] 2000 overleden.

Bij beschikking van 16 februari 2017 van deze rechtbank is [voornaam van minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging afgegeven om haar met spoed uit huis te plaatsen.

Bij beschikking van 8 juni 2017 van deze rechtbank is [voornaam van minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 juni 2017 ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van een jaar.

Moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2017. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 7 september 2017 de beschikking van deze rechtbank d.d. 16 februari 2017 bekrachtigd.

Bij beschikking van 8 juni 2018 van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [voornaam van minderjarige] tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot 9 maart 2019, verlengd. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd tot aan haar meerderjarigheid.

Beoordeling van de zaak

De Raad heeft verzocht het ouderlijk gezag van moeder over [voornaam van minderjarige] te beëindigen, aangezien zij zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [voornaam van minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Aanleiding voor dit verzoek is de brief van [voornaam van minderjarige] d.d. 3 januari 2018 aan de rechtbank waarin zij heeft verzocht het ouderlijk gezag van haar moeder over haar te beëindigen.

De Raad heeft gesteld dat aan de wettelijke voorwaarden voor een beëindiging als bedoeld in artikel 1: 266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan.

Uit het raadsrapport komt naar voren dat de Raad zich zorgen maakt om [voornaam van minderjarige] . De relatie tussen [voornaam van minderjarige] en moeder is ernstig verstoord. Er is al enige jaren sprake van een moeizame relatie tussen hen waarbij een patroon zichtbaar is van elkaar aantrekken en afstoten. [voornaam van minderjarige] ervaart moeder als bepalend en vindt dat zij te weinig ruimte krijgt om zich te ontwikkelen tot een autonome jongvolwassene. De slechte verhouding heeft geleid tot een breuk in het contact. Ook heeft [voornaam van minderjarige] geen contact meer met de familie van haar vader sinds zijn overlijden. De Raad vindt het zorgelijk dat voor [voornaam van minderjarige] hiermee alle banden met haar familie zijn verbroken. Dit heeft negatieve gevolgen voor haar identiteitsontwikkeling. Uit het psychodiagnostisch onderzoek komt naar voor dat erbij [voornaam van minderjarige] sprake is van negatieve cognities over zichzelf. De Raad acht hulpverlening in de vorm van cognitieve gedragstherapie van belang, zodat [voornaam van minderjarige] kan ontdekken wie zij is en wil zijn en hoe zij zich wil verhouden tot haar familie. De Raad vindt het zorgelijk dat binnen de opvoedingsomgeving van [voornaam van minderjarige] financieel gezien niets goed verloopt. Zo heeft moeder geweigerd om het schoolgeld van de [school] te betalen, omdat moeder andere eisen aan [voornaam van minderjarige] heeft gesteld met betrekking tot scholing. [voornaam van minderjarige] heeft er daarom voor gekozen het schoolgeld zelf te betalen door veel te veel te werken. Inmiddels heeft [voornaam van minderjarige] besloten te stoppen met school, hetgeen gevolgen heeft voor haar cognitieve ontwikkeling. De Raad vindt het zeer zorgelijk dat het jarenlange thuisonderwijs dat [voornaam van minderjarige] heeft gevolgd niet heeft geleid tot startkwalificaties of een diploma. Dit zal [voornaam van minderjarige] belemmeren bij het volgen van een (vervolg) opleiding in de toekomst.

[voornaam van minderjarige] komt sterk over in gesprekken met de Raad. Zij heeft voor zichzelf een vaststaand toekomstbeeld opgebouwd. Voor [voornaam van minderjarige] is het duidelijk dat zij niet meer voor haar meerderjarigheid zal worden thuisgeplaatst. [voornaam van minderjarige] wil zodra zij achttien jaar is naar Amerika vertrekken om bij de familie [achternaam] te gaan wonen. Zij heeft eerder bij hen in Amerika verbleven en wil opnieuw daarheen, omdat zij zich daar welkom voelt. [voornaam van minderjarige] werkt veel om te kunnen sparen voor haar vertrek naar Amerika. Moeder accepteert nu dat [voornaam van minderjarige] haar eigen keuzes maakt, maar wil wel de regie in eigen hand houden. Volgens de Raad kan moeder de opvoeding en verzorging van [voornaam van minderjarige] echter niet meer binnen een voor [voornaam van minderjarige] aanvaardbare termijn op zich nemen, nu het contact tussen moeder en [voornaam van minderjarige] daarvoor teveel verstoord is. Een thuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] is volgens de Raad dan ook niet meer aan de orde. Beëindiging van het gezag van moeder biedt misschien de mogelijkheid tot contactherstel met moeder. De Raad vindt het wel van belang dat [voornaam van minderjarige] in de periode tot aan haar meerderjarigheid in een gedwongen kader begeleid zal worden, omdat er nog ondersteuning nodig is in haar weg naar zelfstandigheid. Voorts acht de Raad het van groot belang dat er gewerkt wordt aan contactherstel met de familie van [naam minderjarige(-s)] vader en met haar zus [D (voornaam)] en haar broer [E (voornaam)] voordat [voornaam van minderjarige] naar Amerika vertrekt. De Raad is van mening dat de voogdij het best bij de GI kan worden belegd. De familie [achternaam] heeft weliswaar een aanbod gedaan om [voornaam van minderjarige] te adopteren, maar dat vindt de Raad niet in het belang van [voornaam van minderjarige] , omdat een adoptie de banden van [voornaam van minderjarige] met haar familie geheel zal afsnijden.

De Raad heeft zijn verzoek ter zitting gehandhaafd.

[voornaam van minderjarige] heeft ter zitting verklaard dat zij het eens is met het verzoek van de Raad om het gezag van haar moeder over haar te beëindigen. In november 2018 heeft er systeemtherapie met moeder plaatsgevonden, maar dat heeft de visie van [voornaam van minderjarige] op de beëindiging van het gezag van moeder niet veranderd. Dat [voornaam van minderjarige] nu bij oma verblijft en dat er sinds kort weer enige vorm van contact tussen haar en haar moeder is maakt dat niet anders. Het contact met moeder (en oma) is van praktische aard. Moeder heeft in het verleden haar medewerking niet verleend voor de aanvraag van een bankpas en nu loopt [voornaam van minderjarige] vast met haar belastingzaken, omdat hiervoor de toestemming van moeder nodig is. [voornaam van minderjarige] is nog steeds vastbesloten om naar Amerika te vertrekken zodra zij achttien jaar is.

Moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. Ter zitting is door moeder verklaard dat zij sinds kort weer contact heeft met [voornaam van minderjarige] . [voornaam van minderjarige] verblijft niet meer bij [naam instelling] , maar bij oma. Feitelijk heeft [voornaam van minderjarige] dus ook onderdak bij moeder, omdat de huizen van moeder en oma aan elkaar vast zitten en iedereen bij elkaar in- en uitloopt. Volgens moeder is er geen noodzaak om het gezag te beëindigen. De beëindiging van haar gezag dient ook geen enkel doel nu [voornaam van minderjarige] over enkele maanden achttien jaar wordt. Moeder is van mening dat er een negatieve symboolwerking vanuit gaat als de rechtbank haar gezag beëindigt. In dat geval lijkt het erop dat de rechtbank de visie van [voornaam van minderjarige] ondersteunt dat moeder niet deugt en niet de juiste beslissingen voor haar kan nemen, terwijl daar geen sprake van is. Moeder is een capabele opvoeder en is in staat hulpverlening te accepteren als dat nodig is. Haar kinderen [D (voornaam)] en [E (voornaam)] zijn immers weer thuisgeplaatst en ook is de ondertoezichtstelling van hen opgeheven. Uit het raadsrapport komt bovendien naar voren dat ook de gezinsvoogd haar twijfels heeft of beëindiging van het gezag van moeder wel de juiste weg is. Moeder betwist voorts dat haar gezagsuitoefening [voornaam van minderjarige] in praktisch opzicht hindert. Zij heeft weliswaar eerder geweigerd om het schoolgeld van [voornaam van minderjarige] te betalen, maar dat kwam omdat moeder haar twijfels had bij de functionaliteit van de schoolgang en omdat het om extreem hoge schoolgelden ging. Moeder was pas op de hoogte van problemen met de bankrekening van [voornaam van minderjarige] toen zij dit in het raadsrapport las. Zij betwist dat zij heeft geweigerd mee te werken aan een paspoort voor [voornaam van minderjarige] . Ze wilde alleen niet dat [voornaam van minderjarige] halsoverkop naar Amerika zou vertrekken. Hierin stond moeder niet alleen. Zij staat achter de wens van [voornaam van minderjarige] om naar Amerika te gaan en zal daar ook aan meewerken, onder meer met de aanvraag van een paspoort. Moeder wil dat [voornaam van minderjarige] weet dat zij altijd welkom is bij haar.

De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Ter zitting is door de GI naar voren gebracht dat het wel van belang is dat [voornaam van minderjarige] serieus genomen wordt. [voornaam van minderjarige] voelt zich niet gehoord en begrepen door moeder. [voornaam van minderjarige] is recentelijk op haar verzoek bij oma geplaatst, omdat zij zich bij [naam instelling] niet meer op haar plek voelde. De GI zal nu gaan bekijken waar [voornaam van minderjarige] het best kan verblijven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:266 lid 1, aanhef en onder a, BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

Bij het beoordelen van de vraag of het gezag dient te worden beëindigd, dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen, het belang van het kind vooropgesteld. Blijkens de wetsgeschiedenis is daarbij onder meer van belang of, als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief geeft.

De rechtbank zal het verzoek, ondanks de duidelijke wens van [voornaam van minderjarige] tot beëindiging van het gezag van moeder, niet toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat thans niet langer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.

Weliswaar heeft [voornaam van minderjarige] bij brief van 3 januari 2018 reeds verzocht het gezag van moeder te beëindigen en dateert het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging van 14 juni 2018. Het heeft nog tot 20 december 2018 geduurd voordat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank betreurt het dat het zo lang heeft geduurd voordat de zaak op zitting is gepland. Echter, door dit tijdsverloop is [voornaam van minderjarige] inmiddels bijna meerderjarig, zodat de onzekerheid die [voornaam van minderjarige] mogelijk ervaart over haar opvoedingsperspectief nog slechts een zeer korte periode betreft, namelijk - ten tijde van het wijzen van deze beschikking - één maand. Verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is niet meer aan de orde. Voor [voornaam van minderjarige] is het duidelijk dat zij niet meer voor haar meerderjarigheid zal worden thuisgeplaatst.

De Raad heeft aan het verzoek mede ten grondslag gelegd dat beëindiging van het gezag van moeder misschien de mogelijkheid tot contactherstel met moeder biedt en dat er wordt gewerkt aan contactherstel met de familie van [naam minderjarige(-s)] vader en met haar zus [D (voornaam)] en haar broer [E (voornaam)] voordat [voornaam van minderjarige] naar Amerika vertrekt. Er is echter al sprake van enig contactherstel tussen [voornaam van minderjarige] en moeder en de ondertoezichtstelling biedt reeds de mogelijkheid te werken aan contactherstel met de familie van [naam minderjarige(-s)] vader en met haar zus [D (voornaam)] en haar broer [E (voornaam)] . Moeder staat inmiddels achter de wens van [voornaam van minderjarige] om naar Amerika te gaan en zal daar ook aan meewerken. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de Raad afwijzen.

De rechtbank spreekt de hoop uit dat het contact tussen moeder en [voornaam van minderjarige] verder zal verbeteren en dat zij voor haar vertrek naar de Verenigde Staten het contact met de familie van haar vaderszijde zal herstellen. Ook is het van belang dat [voornaam van minderjarige] contact blijft onderhouden met haar broertjes en zusje. De rechtbank acht dit belangrijk voor de verdere identiteitsontwikkeling van [voornaam van minderjarige] .

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. K.G. van de Streek, (voorzitter), mr. P.K. Nihot en

mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Laachach, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de verschenen belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De termijn is voor andere belanghebbenden drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden. Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een advocaat verplicht.