Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:443

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
C/16/356296 / FL RK 13-2579
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie na echtscheiding. Grove schending van artikel 21 Rv door man. Onjuiste informatie verschaft door de man. Onvoldoende meegewerkt aan deskundigenonderzoek en cruciale informatie niet tijdig medegedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/356296 / FL RK 13-2579

Beschikking van 29 januari 2019

in de zaak van:

[de man] ,

wonende op [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.G. Wiebes,

tegen

[de vrouw] ,

wonende op [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.E. Bruning.

1
1. Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft eerder op […] 2016 een beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de rechtbank naar die beschikking.

1.2.

In voormelde beschikking van [echtscheidingsdatum] 2016 is onder meer de echtscheiding uitgesproken tussen partijen. Verder zijn daarin beslissingen genomen over de hoofdverblijfplaats van de hierna te noemen minderjarige [voornaam van minderjarige] , de zorgregeling en het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast zijn de beslissingen op de verzoeken tot kinder- en partneralimentatie aangehouden onder benoeming van drs. [A] , registeraccountant, als deskundige. Tot slot zijn daarin de verzoeken ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht afgesplitst. Aan die verzoeken is een apart zaaknummer toegekend (C/16/409828 / FL RK 16-265) en daarop zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.

1.3.

Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat de onderhavige beschikking enkel betrekking heeft op de nog openstaande verzoeken tot kinder- en partneralimentatie.

1.4.

Na de beschikking van […] 2016 heeft de rechtbank de volgende stukken van partijen ontvangen:

  • -

    de brief (met producties 39 tot en met 42) van de zijde van de vrouw, gedateerd 28 oktober 2016;

  • -

    de akte uitlating inzake verdeling, omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap (met productie 30) van de zijde van de man, gedateerd 8 maart 2017;

  • -

    de akte uitlating inzake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (met producties 1 tot en met 13) van de zijde van de vrouw, gedateerd 8 maart 2017;

  • -

    de antwoordakte uitlating inzake verdeling, omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap (met producties 37 tot en met 48) van de zijde van de man, gedateerd 20 april 2017;

  • -

    de antwoordakte inzake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (met productie 14) van de zijde van de vrouw, gedateerd 21 april 2017.

1.5.

Vervolgens heeft de rechtbank op 12 juni 2017 (hersteld op 16 augustus 2017) een beschikking gegeven inzake het door de deskundige verzochte aanvullende voorschot.

1.6.

Nadien heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de brief (met producties 14 tot en met 19) van de zijde van de vrouw, gedateerd 28 november 2017;

  • -

    het rapport (met bijlagen) van de deskundige, gedateerd 12 december 2017;

  • -

    de brief (met producties 49 tot en met 52) van de zijde van de man, gedateerd 10 januari 2018;

  • -

    de brief (met producties 43 tot en met 45) van de zijde van de vrouw, gedateerd 31 januari 2018;

  • -

    de brief (met bijlage 1) van de zijde van de vrouw, gedateerd 8 februari 2018;

  • -

    de brief van de zijde van de vrouw, gedateerd 14 februari 2018;

  • -

    de brief (met productie 53) van de zijde van de man, gedateerd 7 maart 2018;

  • -

    de brief (met productie 54) van de zijde van de man, gedateerd 4 december 2018;

  • -

    de brief (met producties 20 tot en met 23) van de zijde van de vrouw, gedateerd 10 december 2018;

  • -

    de brief van de zijde van de vrouw, gedateerd 10 december 2018;

  • -

    de brief (met producties 24 en 25) van de zijde van de vrouw, gedateerd 17 december 2018;

  • -

    het gewijzigde verzoek van de zijde van de vrouw, gedateerd 17 december 2018.

1.7.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 18 december 2018. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2
2. Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zoals hiervoor vermeld is bij beschikking van [echtscheidingsdatum] 2016 de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank. Uit de Basis Registratie Personen blijkt dat deze beschikking op […] 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Het minderjarig kind van partijen is:

- [naam minderjarige], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009.

2.3.

Bij beschikking van 4 januari 2017 heeft de rechtbank de huwelijkse voorwaarden van partijen op grond van dwaling vernietigd. Bij beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juni 2018 heeft het hof de beslissing van de rechtbank bekrachtigd.

2.4.

Doordat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd, geldt dat tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen bestond. Deze gemeenschap is op 6 november 2013 ontbonden door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding door de man.

2.5.

Op 14 december 2017 is de voormalige echtelijke woning geleverd aan een derde.

3. Verzoek en verweer

3.1.

Ter beoordeling staan de verzoeken van de vrouw tot kinder- en partneralimentatie. Bij akte van 17 december 2018 heeft de vrouw haar verzoeken gewijzigd. Zij verzoekt nu te bepalen dat de man met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bedrag van € 814,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] (kinderalimentatie). Daarnaast verzoekt zij te bepalen dat de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bijdrage betaalt in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie) van primair € 17.511,- bruto per maand, dan wel subsidiair € 12.945,- bruto per maand, althans een zodanige bijdrage als door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

3.2.

De vrouw heeft aan haar verzoeken (samengevat) het volgende ten grondslag gelegd.

Voor de bepaling van de behoefte van zowel [voornaam van minderjarige] als van haarzelf moet volgens de vrouw niet alleen worden gekeken naar het salaris dat partijen tijdens het huwelijk verdienden, maar moet ook rekening worden gehouden met het vermogen dat is opgebouwd in de ondernemingen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] B.V.), waarvan de man aanvankelijk aandeelhouder en later certificaathouder was. Volgens de vrouw sluit namelijk het salaris dat de man zichzelf uitkeerde niet aan bij de resultaten die werden behaald in de ondernemingen en werd er volop gespaard in de ondernemingen. Zij wijst daarbij op de beschikking van de Hoge Raad van 6 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1336), waarin de Hoge Raad overwoog dat ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming van belang is voor de bepaling van de behoefte. Voor zover de rechtbank met deze vermogensvorming geen rekening zou houden, stelt zij subsidiair dat rekening moet worden gehouden met de opnames in de rekening-courant die gedurende het huwelijk zijn gedaan. In het eerste geval (rekening houdend met de vermogensvorming) zou het netto-gezinsinkomen € 13.748,- per maand bedragen en in het tweede geval (rekening houdend met de opnames) becijfert de vrouw dit op € 10.295,- per maand. De behoefte van [voornaam van minderjarige] zou dan in beide gevallen neerkomen op een bedrag van € 960,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw zou, op basis van de zogenoemde Hof-norm, dan in het eerste geval neerkomen op € 7.673,- netto per maand en in het tweede geval op € 5.601,- netto per maand. In die huwelijksgerelateerde behoefte kan de vrouw met haar eigen inkomen niet voorzien, zodat zij behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man.

Wat de draagkracht van de man betreft, is de vrouw van mening dat deze ruim voldoende is om de verzochte bijdragen te voldoen. Zij stelt primair dat de man onvoldoende inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie, zodat ervan uit moet worden gegaan dat hij de bijdragen kan betalen. Subsidiair stelt zij dat van de man kan worden gevergd dat hij zich een veel hoger inkomen toekent uit de ondernemingen (al dan niet in de vorm van dividend) dan zijn huidige salaris, wat hem in staat zou stellen om de verzochte alimentatie te voldoen. Het resultaat van de ondernemingen en hun financiële positie laten een dergelijk hoger inkomen ruimschoots toe. Dat de man formeel niet meer de zeggenschap over de ondernemingen zou hebben, dient volgens de vrouw buiten beschouwing te worden gelaten. Zij stelt namelijk dat sprake is van een stromanconstructie tussen de man en zijn broers, waarbij de man ‘op papier’ de zeggenschap heeft overgedragen aan zijn broers, maar in de praktijk wel degelijk de leiding over het bedrijf heeft. Voor zover de rechtbank de vrouw daarin niet zou volgen, stelt zij dat er sprake is van een verwijtbaar verlies van verdiencapaciteit. Bij de bepaling van de draagkracht van de man dient dat verlies dan ook buiten beschouwing te blijven.

3.3.

De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw en stelt dat zij hierin niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat deze verzoeken moeten worden afgewezen.

3.4.

Volgens de man moet voor de bepaling van de behoefte van [voornaam van minderjarige] en de vrouw alleen worden aangesloten bij de salarissen van partijen tijdens het huwelijk. Hij betwist dat er vermogen is opgebouwd in de ondernemingen. Volgens de man ging het juist niet goed met zijn ondernemingen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van vermogensopbouw, stelt de man dat deze vermogensopbouw niet van invloed is geweest op de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Er werden geen luxe uitgaven gedaan door partijen. Verder betwist hij dat rekening moet worden gehouden met gedane opnames in rekening-courant. Volgens de man zijn die opnames namelijk gedaan om de aandelen in de onderneming aan te schaffen. Wat de behoeftigheid van de vrouw betreft, stelt de man dat van haar mag worden verwacht dat zij een hoger inkomen verwerft. Hij voert daartoe aan dat de vrouw werkzaam is bij haar vader en meer werkzaamheden verricht dan slechts schoonmaakwerkzaamheden (zoals door de vrouw is gesteld).

Wat zijn draagkracht betreft, betwist de man dat hij zich een hoger salaris kan uitkeren. Hij stelt dat zijn salaris juist de laatste jaren is verlaagd, vanwege tegenvallende resultaten in de onderneming. Bovendien heeft de man niet langer de zeggenschap over de ondernemingen, zodat hij ook niet in staat is om zich een hoger inkomen (al dan niet als dividend) te laten uitkeren. Van een stromanconstructie is volgens de man geen sprake; hij is nu slechts nog een werknemer in loondienst.

4. Beoordeling van het verzochte

Verplichting ex artikel 21 Rv

4.1.

Bij het vaststellen van de kinder- en partneralimentatie moet de rechtbank enerzijds beoordelen aan welke bijdrage [voornaam van minderjarige] en de vrouw behoefte hebben en anderzijds in hoeverre de man in staat is deze bijdrage te leveren. Om dit naar behoren te kunnen beoordelen, moet de rechtbank voldoende inzage hebben in de financiële situatie van partijen. Daarbij geldt dat partijen, op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), partijen verplicht zijn om voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

4.2.

In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat de man deze verplichting ernstig heeft geschonden en wel gezien het volgende.

4.2.1.

Allereerst zijn door de man slechts jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. over de jaren 2012 en 2013 overgelegd. Dit terwijl verzocht is om de alimentatie in te laten gaan vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (4 maart 2016) en er inmiddels sindsdien al weer bijna drie jaar verstreken zijn. Van de man had dan ook mogen worden verwacht dat hij meer recente gegevens had overgelegd, te meer nu de vrouw hier ook meerdere malen om heeft verzocht. Daar komt bij dat de jaarrekeningen die de man heeft overgelegd als productie 33 en 34 onderling verschillen laten zien. Deze verschillen zijn door de advocaat van de vrouw benoemd in de bijlage bij haar brief van 5 oktober 2015 en worden bevestigd door de heer [A] op pagina 4 van diens deskundigenrapport. Bovendien heeft de man aan de heer [A] wéér andere versies van de jaarrekeningen gestuurd, die substantieel afwijken van de eerder in de procedure overgelegde jaarrekeningen. Dit constateert de heer [A] op pagina 4 van zijn rapport. Op pagina 5 van zijn rapport merkt de heer [A] op dat er concreet sprake is van twee verschillen, namelijk een eenmalig verschil van € 300.000,- in het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 1] B.V. in 2011 en een permanent verschil in dit eigen vermogen van € 537.842,- sinds 2011. Verderop in zijn rapport (pagina 9 en 10) merkt de heer [A] ook nog op dat in de jaarstukken een ander brutosalaris voor 2013 is genoemd dan uit de betreffende jaaropgaaf blijkt (€ 39.786 in plaats van € 32.828). Voor de hiervoor genoemde (aanzienlijke) verschillen heeft de man geen verklaring gegeven. Bovendien heeft de man de stukken, zoals hij die aan de heer [A] heeft gezonden, niet in deze procedure overgelegd. Dit alles maakt dat voor de rechtbank onduidelijk is welke gegevens nu als de juiste gegevens moeten worden gezien, wat voor rekening en risico van de man dient te komen.

4.2.2.

Verder blijkt uit het rapport van de heer [A] dat de man onvoldoende zijn medewerking heeft verleend aan het deskundigenonderzoek, hoewel hij hiertoe op grond van artikel 284 juncto 198 lid 3 Rv wel gehouden was. De man heeft meerdere malen geweigerd, althans nagelaten, om door de heer [A] opgevraagde gegevens te verstrekken. Ook heeft de man geen antwoord gegeven op door de heer [A] gestelde vragen, dan wel heeft hij deze vragen in zodanig algemene bewoordingen beantwoord dat de heer [A] hieraan geen conclusies kon verbinden. Het voorgaande blijkt (onder meer) uit de volgende passages van het rapport:

- Op pagina 5 bij vraag A.6:

“Ondanks herhaald verzoek (voor het laatst d.d. 28 februari 2017) heb ik de specificatie van de voorziening per debiteur niet ontvangen.”

- Op pagina 9 bij vraag B.10:

“Aangezien noch een aangifte inkomstenbelasting 2007 van de heer [de man] noch de koop- verkoopovereenkomst uit 2007 van de aandelen [bedrijfsnaam 1] BV in het procesdossier is overgelegd, kan ik deze vraag niet beantwoorden.”

- Op pagina 9 bij vraag C.1:

“Ik heb de heer [de man] gevraagd naar zijn werkzaamheden in deze betreffende jaren. De heer [de man] antwoordt op 11 maart jl. dat hij allerlei verschillende werkzaamheden heeft uitgevoerd. Gegeven dit zeer algemene antwoord kan ik de vraag niet beantwoorden.”

- Op pagina 10 bij de vraag C.2:

“De heer [de man] heeft mij in zijn antwoorden d.d. 14 maart jl. voor dit verschil geen verklaring gegeven.”

- Op pagina 11 bij vraag C.7:

“Ondanks herhaald verzoek heb ik de stamrechtovereenkomst echter niet mogen ontvangen, zodat ik een en ander niet kan beoordelen.”

- Op pagina 15 bij vraag A.5:

Met dit antwoord gaat de heer [de man] niet in op de redenen waarom de definitieve cijfers inzake de post liquide middelen afwijken van de voorlopige cijfers. Daarom heb ik vraag 5 niet kunnen beantwoorden.”

- Op pagina 15 bij vraag A.6:

“Uit dit antwoord van de heer [de man] begrijp ik dat er wel degelijk een specificatie zou bestaan van een voorziening per debiteur. Ik heb deze evenwel niet mogen ontvangen. Derhalve heb ik de hoogte van de voorziening niet kunnen beoordelen.”

- Op pagina 17 en 18 bij vraag A.5:

“Aangezien de cijfers wel afweken, heb ik de heer [de man] gevraagd om een toelichting. Het antwoord heeft niet geleid tot duidelijkheid dienaangaande.”

4.2.3.

Door het hiervoor genoemde gebrek aan medewerking heeft de heer [A] niet alle gestelde vragen kunnen beantwoorden. Voor zover hij de vragen wel heeft kunnen beantwoorden, volgt daaruit dat de financiële positie van de ondernemingen compleet anders is dan de man heeft willen doen voorkomen. Zo is door de man gesteld dat zijn salaris in 2013 is verlaagd vanwege tegenvallende resultaten, terwijl de heer [A] juist concludeert dat in die periode de winstgevendheid van [bedrijfsnaam 2] B.V. is gestegen. Zo schrijft hij op pagina 9 van zijn rapport bij vraag C.2:

“Deze salarisverlaging in 2013 is gelet op de stijging van de winstgevendheid van [bedrijfsnaam 2] B.V. van € 175.916 nettowinst in 2012 naar € 306.318 nettowinst in 2013 niet verklaarbaar.”

Sterker nog, de heer [A] concludeert aan de hand van de door de man gepresenteerde cijfers over 2013 dat er binnen [bedrijfsnaam 2] B.V. juist ruimte bestond voor een dividenduitkering dan wel een verhoging van het salaris van de man. Zo schrijft hij op pagina 10 van zijn rapport bij vraag C.3:

“Gelet op de enkelvoudige balans, de enkelvoudige winst en verliesrekening en kasstroomoverzicht (bijlage 5, 6 en 8 bij de jaarrekening 2013) beschikte [bedrijfsnaam 2] BV in 2013 naar mijn mening over voldoende liquide middelen, vermogen en resultaat voor een dividenduitkering aan de heer [de man] dan wel verhoging van het salaris van de heer [de man] (in dat jaar € 32.828 bruto). De in dat jaar van [bedrijfsnaam 1] BV ontvangen management fee ad € 200.000 had hiervoor kunnen worden aangewend.”

Ook concludeert de heer [A] dat – anders dan de man voorafgaand aan het rapport heeft beweerd – er wel degelijk sprake is van een toename van het eigen vermogen in de ondernemingen (vermogensvorming). In de tabel als weergegeven op pagina 8 van het rapport is door de heer [A] vermeld dat het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 1] BV is toegenomen met € 604.260,- in de jaren 2009 tot en met 2012 en dat van [bedrijfsnaam 2] B.V. met een bedrag van € 478.668,-.

De hiervoor vermelde constateringen van de heer [A] staan dermate haaks op de stellingen van de man, dat de rechtbank hieruit niet anders kan concluderen dan dat de man de rechtbank op het verkeerde been heeft proberen te zetten.

4.2.4.

Tot slot rekent de rechtbank het de man aan dat hij pas tijdens de laatste mondelinge behandeling (op 18 december 2018) met cruciale nieuwe informatie is gekomen, hoewel deze informatie de man veel eerder bekend was.

De rechtbank doelt hiermee allereerst op de verklaring van de man dat hij de certificaten van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. al in 2015 zou hebben verkocht voor een bedrag van € 1.000.000,-. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat de man niet eerder met deze informatie is gekomen. Immers is tijdens eerdere mondelinge behandelingen op 7 november 2016 en 14 december 2017 (in het kader van de vernietiging van de huwelijkse voorwaarden en de boedelverdeling) nog uitgebreid gesproken over deze certificaten en de wijze waarop deze gewaardeerd moeten worden. Ook is door de heer [A] nog uitgebreid ingegaan op de positie van de man in de ondernemingen als certificaathouder/werknemer (zie onderdeel D van het rapport). De man had dan ook moeten begrijpen dat deze informatie van belang was voor de beoordeling van de verzoeken ten aanzien van de alimentatie (en de boedelverdeling). Hij had de rechtbank dus eerder hierover moeten informeren. Dat de man, zoals hij ter zitting heeft gesteld, nog in de veronderstelling verkeerde dat de certificaten tot zijn privé-vermogen zouden behoren, ontslaat hem daarbij niet van die verplichting. Ook al zouden de certificaten in privé aan de man toebehoren, dan nog was dit relevant voor de beoordeling van de draagkracht van de man voor de alimentatie. Of hij wel of niet de certificaten nog in zijn bezit had, is immers van belang bij de beoordeling van de vraag of er een winstuitkering kan worden verwacht dan wel of er sprake is van vermogen als gevolg van de verkoop van de certificaten. Bij het voorgaande komt nog dat de man vervolgens ook weer geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over de gestelde verkoop van de certificaten. Zo heeft hij geweigerd te antwoorden op de vraag van de rechtbank aan wie hij de certificaten heeft overgedragen.

Naast de mededeling dat de certificaten al ruim drie jaar geleden zouden zijn verkocht, heeft de man ter zitting pas verklaard dat hij inmiddels vader is geworden van een tweede kind, voor wie hij ook onderhoudsplichtig is. Dit is uiteraard ook van invloed op de beoordeling van de draagkracht van de man, zodat het op de weg van de man had gelegen om dit eerder mede te delen. Bovendien had hij daarbij informatie moeten verstrekken over de behoefte van dit tweede kind en over de draagkracht van de moeder van dit kind.

4.2.5.

Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man in ernstige mate zijn verplichting ex artikel 21 Rv heeft geschonden. Zoals hiervoor is overwogen kan dan de rechtbank daaraan de gevolgtrekking verbinden die zij geraden acht. In dit geval acht de rechtbank geraden om voor de bepaling van de behoefte van [voornaam van minderjarige] , de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man aan te sluiten bij de standpunten die de vrouw daarover heeft ingenomen. Door het gebrek aan informatie van de kant van de man en de gebleken onjuistheid van wel door hem verstrekte informatie, kan de rechtbank immers niet op een behoorlijke manier beoordelen wat de welstand van partijen tijdens het huwelijk was en wat de draagkracht van de man nu is. Meer in het bijzonder kan de rechtbank bij gebrek aan betrouwbare informatie niet beoordelen:

  • -

    wat het exacte salaris van de man was/is;

  • -

    in hoeverre er tijdens de samenleving vermogen is gevormd;

  • -

    in hoeverre er tijdens de samenleving opnames in rekening-courant zijn gedaan;

  • -

    in hoeverre de man nog zeggenschap over de onderneming heeft;

  • -

    in hoeverre hij zich een hoger salaris kan (doen) uitkeren;

  • -

    in hoeverre er sprake is van vermogen (in Box 3) aan de kant van de man;

  • -

    in welke mate de onderhoudsverplichting richting zijn tweede kind van invloed is op zijn draagkracht.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

4.3.

De vrouw verzoekt de bijdrage voor [voornaam van minderjarige] in te laten gaan per de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (4 maart 2016). De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.

Behoefte

4.4.

De vrouw heeft de behoefte van [voornaam van minderjarige] gesteld op € 960,- per maand. Gelet op wat hiervoor onder 4.2.5 is overwogen, zal de rechtbank hierbij aansluiten en de behoefte van [voornaam van minderjarige] dus bepalen op € 960,- per maand.

Draagkracht van de man

4.5.

Door de vrouw is de draagkracht van de man becijferd op € 8.004,- per maand (productie 33 bij de akte van 11 maart 2015 van de vrouw). Zoals hiervoor onder 4.2.5 is overwogen, zal de rechtbank daarbij aansluiten en de draagkracht van de man bepalen op € 8.004,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

4.6.

De vrouw is als schoonmaakster in loondienst bij het bedrijf van haar vader. Door haar zijn geen gegevens overgelegd over haar loon in 2016, maar wel over 2017. De rechtbank zal daarom voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw aansluiten bij haar loon in 2017, zijnde € 15.971,- bruto per jaar.

Daarmee gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw een hoger salaris moet kunnen behalen. De man had daartoe aangevoerd dat de vrouw ook andere werkzaamheden zou verrichten dan alleen schoonmaken, maar dit is door de vrouw gemotiveerd betwist. De man heeft zijn stelling niet verder onderbouwd, behalve door het overleggen van een krantenartikel wat de rechtbank onvoldoende acht. Daar komt bij dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij voorafgaande en tijdens het huwelijk ook alleen als schoonmaakster heeft gewerkt. Ook anderszins heeft de man onvoldoende concreet gemaakt op welke manier de vrouw haar inkomen zou kunnen verhogen. Het enkele feit dat de vrouw al jarenlang in dienst is bij haar vader, is daartoe onvoldoende. Verder weegt de rechtbank mee dat uit de overgelegde jaaropgaves van 2012 tot en met 2014 en de jaaropgaaf van 2017 blijkt dat het inkomen van de vrouw in de loop der jaren is toegenomen, doordat zij haar aantal uren heeft uitgebreid naar ongeveer 30 uur per week. Door de vrouw zijn dus al inspanningen verricht om een hoger inkomen te verkrijgen. Dit alles maakt dat de rechtbank uitgaat van het inkomen van € 15.971,- bruto per jaar.

4.7.

De rechtbank houdt verder geen rekening met een kindgebonden budget, aangezien de vrouw onbetwist gesteld heeft dat zij daarvoor niet in aanmerking doordat zij bij haar ouders inwoont.

4.8.

Op basis van alleen het inkomen van de vrouw uit loondienst, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.331,- per maand in 2016. De rechtbank verwijst daarvoor naar de aangehechte en gewaarmerkte berekening. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan volgens de draagkrachttabel 2016 € 70,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

4.9.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 8.074,- per maand. Na vergelijking bedraagt het aandeel van de man dan (8.004 / 8.074 x 960 =) € 952,- per maand. Het aandeel van de vrouw is dan (70 / 8.074 x 960 =) € 8,- per maand.

Zorgkorting

4.10.

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Dit komt neer op een bedrag van € 144,- per maand.

Conclusie

4.11.

Na aftrek van de zorgkorting blijft er van het aandeel van de man nog een bedrag van € 808,- over. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man met ingang van 4 maart 2016 met een bedrag van € 808,- per maand dient bij te dragen in de kosten van [voornaam van minderjarige] .

Partneralimentatie

Ingangsdatum

4.12.

De vrouw verzoekt de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in te laten gaan per de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (4 maart 2016). De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.

Huwelijksgerelateerde behoefte

4.13.

De vrouw heeft onder punt 31 van haar akte van 11 maart 2015 haar huwelijksgerelateerde behoefte gesteld op € 7.673,- netto per maand. Gelet op wat hiervoor onder 4.2.5 is overwogen, zal de rechtbank hierbij aansluiten en de huwelijksgerelateerde behoefte bepalen op € 7.673,- netto per maand.

Aanvullende behoefte (behoeftigheid)

4.14.

Zoals hiervoor onder 4.6 tot en met 4.8 in het kader van de kinderalimentatie is overwogen, bedraagt het inkomen van de vrouw € 15.971,- bruto per jaar, zijnde € 1.331,- netto per maand. Van dit inkomen moet zij met een bedrag van € 8,- per maand bijdragen in de kosten van [voornaam van minderjarige] , zodat voor haar eigen levensonderhoud een bedrag van € 1.323,- netto per maand overblijft. Dat is onvoldoende om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Rekening houdend met het inkomen van de vrouw na aftrek van haar aandeel in de kosten van [voornaam van minderjarige] en alle relevante fiscale aspecten, becijfert de rechtbank dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man van € 12.897,- bruto per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte en gewaarmerkte berekening.

Draagkracht van de man

4.15.

Door de vrouw is de draagkracht van de man becijferd op € 17.512,- bruto per maand (productie 33 van de vrouw). Zoals hiervoor onder 4.2.5 is overwogen, zal de rechtbank daarbij aansluiten. Dit betekent dat de man voldoende draagkracht heeft om volledig in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien.

Conclusie

4.16.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 4 maart 2016 met een bedrag van € 12.897,- bruto per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Overig

Kosten van de deskundige

4.17.

In het feit dat de man niet naar behoren heeft meegewerkt aan het deskundigenonderzoek als hiervoor onder 4.2.2 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van dit onderzoek. De totale kosten van dit onderzoek bedragen € 12.832,06 inclusief BTW.

4.17.1.

De man heeft hiervan reeds € 3.726,80 zelf voldaan. Omdat de man op basis van een toevoeging procedeert, is een bedrag van € 3.025,00 in debet gesteld. De vrouw heeft € 3.726,80 en € 3.025,00 voldaan. De in rekening gebrachte voorschotten waren echter hoger dan de totale definitieve kosten, zodat nog een bedrag van € 671,54 resteert in depot bij de rechtbank. De rechtbank zal bepalen dat de helft van dit depot, zijnde € 335,77, door de griffier aan de vrouw zal worden terugbetaald en dat de andere helft van dit depot, zijnde € 335,77, in mindering zal worden gebracht op het in debet gestelde bedrag. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank zal bepalen dat de man € 2.689,23 (zijnde € 3.025,00 minus € 335,77) aan de griffier dient te voldoen en € 6.416,03 (zijnde € 2.689,33 en € 3.726,80) aan de vrouw dient te voldoen.

4.17.2.

De beslissing over de overige proceskosten zal de rechtbank aanhouden tot ook over de gedane verzoeken ten aanzien van de huwelijksgoederengemeenschap is beslist.

Uitvoerbaarheid van de voorraad

4.18.

De vrouw heeft verzocht om de beslissingen over de bijdragen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het belang van [voornaam van minderjarige] en de vrouw om de bijdragen voor hun levensonderhoud direct ten uitvoer te kunnen leggen zwaarder dient te wegen dan het belang van de man om de uitkomst van een eventueel hoger beroep te kunnen afwachten.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt de man om met ingang van 4 maart 2016 met een bedrag van € 808,- (achthonderdacht euro) bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] , vanaf heden telkens bij vooruitbetaling vóór de eerste van de maand aan de vrouw te voldoen;

5.2.

veroordeelt de man om met ingang van 4 maart 2016 met een bedrag van € 12.897,- (twaalfduizend achthonderdzevenennegentig euro) bruto per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling vóór de eerste van de maand aan de vrouw te voldoen;

5.3.

veroordeelt de man in de kosten van de deskundige, begroot op € 12.832,06 (twaalfduizend achthonderdtweeëndertig euro en zes cent) inclusief BTW, waarvan de man € 2.689,23 (tweeduizend zeshonderdnegenentachtig euro en drieëntwintig cent) dient te voldoen aan de griffier en € 6.416,03 (zesduizend vierhonderdzestien euro en drie cent) dient te voldoen aan de vrouw;

5.4.

draagt de griffier op € 335,77 (driehonderdvijfendertig euro en zevenenzeventig cent) aan de vrouw te voldoen en € 335,77 (driehonderdvijfendertig euro en zevenenzeventig cent) in mindering te brengen op het in debet gestelde bedrag;

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie af;

5.7.

houdt de beslissing over de overige proceskosten aan, totdat is beslist op de verzoeken ten aanzien van de huwelijksgoederengemeenschap.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Jong-Goede, voorzitter, en mr. G.A.M. Peper en mr. L.P. de Haas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A.M.H. de Wit, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019.

Hoger beroep

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.