Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4377

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
7283953 / MC EXPL 18-8802
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil

Kern van het geschil in conventie is of de bomenrij en struikenrij op en nabij de erfgrens van partijen jegens [eiser sub 2] c.s. onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW opleveren. De vraag of het onthouden van licht onrechtmatige hinder oplevert, hangt af van de ernst en de duur daarvan en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden, waarbij ook een rol speelt hoe de situatie was toen [eiser sub 2] c.s. de woning aankochten. De kantonrechter stelt vast dat de breedte van de tuinen ter plaatse beperkt is (8 tot 10 meter), maar dat het hier (slechts) gaat om lichthinder aan de zijgevel van het woonhuis van [eiser sub 2] c.s. en [eiser sub 2] c.s. beschikt over een ruime achtertuin aan de achterkant van de woning, terwijl het ook een oudere woonwijk betreft met relatief veel grote bomen. Van belang is daarbij dat [eiser sub 2] c.s. ervoor heeft gekozen te wonen in deze omgeving zodat zij de omstandigheden die daarmee samenhangen dient te accepteren. Dat brengt mee dat zij rekening moet houden met schaduw van bomen, ook als die in de tuin van haar buren staan. Daar komt bij dat de bomenrij er al stond toen [eiser sub 2] c.s. de woning betrokken. Zij konden dus naar algemene ervaringsregels weten dat de bomen zonlicht aan hun perceel zouden kunnen ontnemen ook al waren die bomen toen wellicht lager dan nu het geval is. Uit het bezonningsonderzoek in samenhang met alle bovengenoemde omstandigheden kan niet worden afgeleid dat aan de woning van [eiser sub 2] c.s. een mate van bezonning en daglicht wordt onthouden welke zij in redelijkheid ten minste mag verlangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 17 juli 2019

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 7283953 / MC EXPL 18-8802 van

1 [eiseres sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [eiseres sub 1] ,
2. [eiser sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [eiser sub 2] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie, hierna te zamen te noemen: [eiser sub 2] c.s.,
gemachtigde mr. V.L.M.J. Boitelle,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. J.L.J.M. van de Mortel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie tot onbevoegdheid

- de akte houdende producties tevens uitlating onbevoegdheid

- het vonnis in het incident van30 januari 2019

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het tussenvonnis van 10 april 2019

  • -

    de overlegging van een brief van de gemeente [.] van 20 april 2000

  • -

    het proces-verbaal van comparitie en gerechtelijke plaatsopneming van 5 juni 2019

  • -

    de brief van 11 juni 2019 aan de zijde van [eiser sub 2] c.s.

  • -

    de brief van 13 juni 2019 aan de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres sub 1] is sedert 16 oktober 1998 eigenaresse en samen met haar

echtgenoot [eiser sub 2] bewoner van het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 1] , [postcode] [woonplaats] ,

kadastraal bekend, [woonplaats] , Sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding 3] . Sedert 9 oktober 2015 is [eiseres sub 1] ook nog eigenaresse van een perceel grond, grenzend aan voorschreven perceel, waarvan zij voordien huurster was, kadastraal bekend, [woonplaats] , Sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding 4] .

[gedaagde] is sedert 20 november 2000 eigenaresse en vanaf 1988 bewoonster van het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 2] , [postcode] [woonplaats] , kadastraal bekend, [woonplaats] , Sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding 5] .

2.2.

Op of nabij de erfgrens aan de zijgevels tussen de woningen van partijen bevindt zich een bomen- en struikenrij, zoals hieronder op de kaart ingetekend (productie 13 bij dagvaarding).

2.3.

Op verzoek van [gedaagde] heeft [bedrijfsnaam] onderzoek gedaan naar de tussen de woningen bevindende bomenrij en struikenrij en een lijst van de beplanting opgesteld als hieronder aangegeven (productie 2a bij conclusie van antwoord in conventie). [bedrijfsnaam] concludeert dat het toppen van de bomen tot twee meter niet mogelijk is behoudens voor wat de ‘Taxus baccatta’. De hoogte van de bomen varieert grotendeels van 5 tot 16 meter.

In opdracht van [eiser sub 2] c.s. heeft ir. [A] , verbonden aan […] , op 29 november 2018 gerapporteerd over de bezonnings- en daglicht situatie van de woning van [eiser sub 2] c.s. in relatie tot voormelde bomenrij. De conclusie luidt:

“(..) Bezonning (direct zonlicht tussen 19 februari en 21 oktober)

Visuele uitwerking

Zie bijlage 1 voor het complete beeld. De periode tussen 19 februari en 21 oktober is buiten beschouwing gelaten vanwege de korte daglengtes, veel bewolking en lage zonnestanden waardoor er over het algemeen weinig bezonning mogelijk is.

Op 19 februari en 21 oktober zien we vrijwel de gehele dag afnames op alle gevel openingen. Op 21 maart en 21 september vanaf het begin van de dag tot ver in de middag. Op 21 april en 21 augustus vanaf ca. halverwege de ochtend tot laat in de middag op delen van de gevel.

Kwantitatieve uitwerking

• Op 4 van de 9 peildata (19 februari, 21 maart, 21 september, 21 oktober) treden substantiële tot excessieve (tussen de -38% en -65%) afnames van de gemiddelde bezonningsduur op. De hoeveelheid bezonning daalt op deze peildata naar lage waarden (0,97 -2,98 uur) in relatie tot het relatief grote glas oppervlak waarvan een belangrijk

deel op het zuiden georiënteerd is.

• Op 2 van de 9 peildata (21 april, 21 augustus) treden afnames van 14% en 13% op.

Daglicht (ADF berekening)

• De gemiddelde daglichtfactor is met een aanzienlijke 21% afgenomen en ligt momenteel ruim onder de daglicht.(..)”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser sub 2] c.s. vordert uitvoer bij voorraad:

a. [gedaagde] te veroordelen om de bomen en haagplanten die zich bevinden op en nabij

de erfgrens tussen de percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 1] en zoals aangegeven op

de aan de dagvaarding gehechte kadastrale kaart, af te toppen c.q. terug te snoeien tot

een hoogte van 2 meter, althans een hoogte die de rechtbank onder omstandigheden

redelijk acht, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat

[gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

b. [gedaagde] te veroordelen om de teruggesnoeide bomen en haagplanten op een hoogte

van maximaal 2 meter te houden, althans een hoogte die de rechtbank onder

omstandigheden redelijk acht, door jaarlijks de benodigde snoeiwerkzaamheden te

verrichten, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat

[gedaagde] daarmee in gebreke blijft nadat [eiser sub 2] c.s. haar bij aangetekende brief, dan wel

op een door de rechtbank te bepalen communicatiewijze, heeft verzocht om die

snoeiwerkzaamheden uit te voeren;

c. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser sub 2] c.s. stelt daartoe het volgende. Er is sprake van onrechtmatige en buitenproportionele lichthinder welke zijn oorzaak vindt in het jarenlang categorisch nalaten (ondanks vele verzoeken daartoe) van het bijhouden van bomen en haagplanten op en bij de erfgrens waardoor de wettelijk toegestane hoogte van bomen op de erfgrens van twee meter inmiddels met 11 meter wordt overschreden. Toen [eiser sub 2] c.s. hun woning in 1998 betrokken hadden de bomen en haagstruiken op en nabij de erfgrens slechts een beperkte omvang en hoogte; die hoogte bedroeg om en nabij 2 meter. Nadat [gedaagde] in 2000 eigenaresse is geworden van haar perceel ( [nummeraanduiding 2] ) heeft zij nimmer snoeiwerkzaamheden uitgevoerd

aan de bomen en haagplanten; zij heeft de bomen laten woekeren waardoor zij

thans buitenproportioneel hoog zijn geworden. De lichthinder die een gevolg is van het niet willen snoeien en toppen van takken en haagplanten is niet acceptabel. Artikel 5: 37 BW houdt een verbod van onrechtmatige hinder in door het onttrekken van licht en is te beschouwen als een species van artikel 6:162 BW.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist dat sprake is van onrechtmatige hinder ex art. 5: 37 BW. De bomen van [gedaagde] leveren geen onrechtmatige hinder op. Schaduwvorming zal altijd aanwezig zijn, maar enige hinder heeft men in een bomenrijke omgeving te dulden. [gedaagde] betwist de juistheid van het bezonningsrapport. [eiser sub 2] c.s. is pas in 1998 op nr. [nummeraanduiding 1] komen wonen, toen de bomen er al lang stonden. De bomen in kwestie tussen partijen zijn meer dan 30 jaar oud (40-50 jaar) en stonden er al toen [gedaagde] in 1988 op nr. [nummeraanduiding 2] kwam wonen. De bomen waren in 1998 al behoorlijk hoog, minstens 8 meter (voorbeeld: Taxus) zo al niet hoger (andere bomen, bijvoorbeeld: de Amerikaanse eik). De hoogte is 18-20 jaar nadien geen onderwerp van discussie geweest tussen partijen. Pas met de verkoop van de woning vna [eiser sub 2] c.s. is dit onderwerp strijd geworden tussen partijen. Dit is tardief en reeds hierom dient de vordering te worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) te verklaren voor recht dat de juridische grens gelijk is aan de verjaarde situatie, derhalve precies in het verlengde loopt van het nu aanwezige hekwerk -deels zichtbaar op de foto’s 1,5 en 9 prod. 3 bij CvA derhalve loopt zoals ingetekend op de bomenkaart (prod. 2 bij CvA) tot aan het kruispunt achterin en daarna verder naar links loopt op de thans bekende plaats met hekwerk en schutting (foto’s 9-14);

b) [eiser sub 2] veroordeelt om alle medewerking te verlenen aan het notarieel en/of kadastraal vastleggen van deze erfgrens op straffe van een dwangsom van 250 euro per dag dat [eiser sub 2] daarmee in gebreke blijft, een en ander ook op kosten van [eiser sub 2] .

c) betaling van de kosten van deze procedure en nakosten.

3.6.

[gedaagde] stelt daartoe het volgende. De erfgrens loopt gelijk aan het van ouds her geplaatste groene ijzeren hekwerk. Dat hekwerk was al ver voor bewoning door [eiser sub 2] c.s. aanwezig, derhalve meer dan 20 jaar. Dat hekwerk liep vanaf voor naar achteren in een rechte lijn. Het groen ijzeren hekwerk -dat er al meer dan 20 jaar stond- liep achter de bomenrij van [gedaagde] en voor de later aangebrachte schutting van [eiser sub 2] . [gedaagde] beroept zich op een door verjaring verkregen nieuwe grenslijn, waarbij sprake is van verjaring door langdurig bezit (artt. 3: 105, 3:306 en 3:314 BW).

3.7.

[eiser sub 2] c.s. voert verweer. [eiser sub 2] c.s. betwist dat het hekwerk, waaraan [gedaagde] refereert al meer dan twintig jaar de erfgrens bepaalt. De erfgrens wordt volgens [eiser sub 2] c.s. bepaald door de kadastrale meting uitgevoerd kort voor de comparitie van partijen. Afgezien nog van het feit dat van ondubbelzinnig bezit geen sprake is.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Kern van het geschil in conventie is of de bomenrij en struikenrij op en nabij de erfgrens van partijen jegens [eiser sub 2] c.s. onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW opleveren.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat het een eigenaar van een woonhuis met tuin vrijstaat zijn eigendom naar eigen goeddunken te gebruiken, mits dit gebruik niet strijdt met de rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel het recht heeft haar tuin in te richten en te onderhouden zoals zij dat wil. Dat recht wordt echter wel begrensd in die zin dat zij anderen, onder wie haar buren, geen onrechtmatige hinder mag toebrengen. Volgens artikel 5:37 BW mag de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, licht onthouden aan de eigenaar van een ander erf. De vraag of het onthouden van licht onrechtmatige hinder oplevert, hangt af van de ernst en de duur daarvan en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden, waarbij ook een rol speelt hoe de situatie was toen [eiser sub 2] c.s. de woning aankochten. Voor het antwoord op de vraag of hinder onrechtmatig is, is dus mede van belang of degene die zich beklaagt over hinder zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In dat laatste geval zal zij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden.

4.3.

De kantonrechter stelt vast dat de breedte van de tuinen ter plaatse beperkt is (8 tot 10 meter), maar dat het hier (slechts) gaat om lichthinder aan de zijgevel van het woonhuis van [eiser sub 2] c.s. en [eiser sub 2] c.s. beschikt over een ruime achtertuin aan de achterkant van de woning, terwijl het ook een oudere woonwijk betreft met relatief veel grote bomen. Van belang is daarbij dat [eiser sub 2] c.s. ervoor heeft gekozen te wonen in deze omgeving zodat zij de omstandigheden die daarmee samenhangen dient te accepteren. Dat brengt mee dat zij rekening moet houden met schaduw van bomen, ook als die in de tuin van haar buren staan. Daar komt bij dat de bomenrij er al stond toen [eiser sub 2] c.s. de woning betrokken. Zij konden dus naar algemene ervaringsregels weten dat de bomen zonlicht aan hun perceel zouden kunnen ontnemen ook al waren die bomen toen wellicht lager dan nu het geval is.

4.4.

Het door [eiser sub 2] c.s. overgelegde bezonningsonderzoek is uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de schaduwwerking van de bomenrij en struikenrij in de tuin van [gedaagde] op het perceel van [eiser sub 2] c.s.. De kantonrechter constateert dat het onderzoek is gericht op (de belemmering van) de toetreding van (direct) zonlicht en op (de belemmering van) de toetreding van daglicht. Voorts is het onderzoek uitsluitend gericht op een vergelijking tussen de situatie met bomen en zonder bomen, zonder dat enige uitspraak wordt gedaan omtrent de mate waarin naar gangbare maatstaven de hoeveelheid zonlicht welke door de (ongesnoeide) bomen wordt tegengehouden meer of minder aanvaardbaar zou zijn. Uit het rapport valt wel af te leiden dat sprake is van een op bepaalde peildata forse afname van de gemiddelde bezonningsduur variërend van 0% tot 65%, terwijl de daglicht factor een gemiddelde afname kent van 21% ten opzichte van de situatie zonder bomen. De conclusie dat de impact van de bomen in de huidige toestand belemmerend mogen worden genoemd, is evenwel onvoldoende om te concluderen dat de hinder, die naar het oordeel van de kanonrechter wel valt aan te nemen, ook als onrechtmatig valt te kwalificeren mede in het licht wat onder rechtsoverweging 4.2 en 4.3 is overwogen. Uit het bezonningsonderzoek in samenhang met alle bovengenoemde omstandigheden kan derhalve niet worden afgeleid dat aan de woning van [eiser sub 2] c.s. een mate van bezonning en daglicht wordt onthouden welke zij in redelijkheid ten minste mag verlangen. Dit leidt er niet toe, dat zich de situatie voordoet dat aan het perceel van [eiser sub 2] c.s. door de bomenrij zoveel licht wordt ontnomen dat zij dit in redelijkheid niet behoeven te dulden.

4.5.

Dit betekent dat de vordering van [eiser sub 2] c.s. zal worden afgewezen.

in reconventie

4.6.

Tussen partijen is in geschil of de erfgrens wordt bepaald (door kort voor de comparitie van partijen) door het kadaster uitgevoerde kadastrale grensconstructie dan wel dat de grens in het verlengde loopt van het thans aanwezige hekwerk. Partijen twisten dus over het feit dat de kadastrale erfgrens in de tuin niet zou overeenkomen met de feitelijke erfgrens. Tijdens de gerechtelijke plaatsopneming heeft de kantonrechter aan de hand van de door het kadaster geplaatste paaltjes vastgesteld dat het thans aanwezige groen ijzeren hekwerk vanaf de straatzijde precies op de kadastrale erfgrens ligt. Naarmate het hekwerk naar achteren loopt wijkt het hekwerk enigszins af en bevindt het hekwerk zich bij het tweede paaltje ongeveer 10 centimeter op het (kadastrale) perceel van [eiser sub 2] c.s. en verderop naar achteren ongeveer 20 centimeter op het (kadastrale) perceel van [eiser sub 2] c.s.. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke erfgrens in de tuin al minstens 20 jaar door het (deels voormalig) hekwerk wordt bepaald, zodat dit ook als juridische grens op grond van verjaring heeft te gelden.

4.7.

Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW verkrijgt hij die een goed bezit dat goed op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid (de zogeheten bevrijdende verjaring), ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De in artikel 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn is twintig jaar (artikel 3:306 BW) en begint op de dag volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW). Een vereiste voor verkrijging van eigendom door verjaring is ondubbelzinnig bezit. De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW en volgende. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van de uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Nodig is dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de vordering loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan [gedaagde] om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat zijn beroep op verjaring slaagt.

4.8.

Het beroep van [gedaagde] op verkrijging van eigendom door bevrijdende verjaring kan niet slagen. De enkele verwijzing van [gedaagde] naar het bestaan van het groene ijzeren hekwerk langer dan twintig jaar is onvoldoende om daarmee te kunnen aannemen dat [gedaagde] ondubbelzinnig bezit van het (overigens zeer beperkte) stukje grond heeft uitgeoefend. Ook het plaatsen van een schutting door [eiser sub 2] c.s. in het verleden (die in 2018 is verwijderd) op zijn eigen perceel maakt niet dat daarmee automatisch de erfgrens opschuift. [gedaagde] heeft bovendien onvoldoende weersproken dat in de afgelopen jaren meerdere hekwerken en afscheidingen zijn geplaatst en dat het door [gedaagde] in 2000 geplaatste hekwerk na 10 meter afbuigt richting het perceel van [eiser sub 2] c.s., terwijl het oude hekwerk van vóór 1991 tot 2000 volgens [eiser sub 2] c.s. wel op de kadastrale erfgrens heeft gelopen. Nu [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de feitelijke grens, waar zij zich op beroept, al meer dan twintig jaar heeft bestaan en bovendien ook niet is komen vast te staan dat zij ondubbelzinnig het strookje in haar bezit heeft genomen, dient de vordering van [gedaagde] te worden afgewezen. Dit heeft tot gevolg dat de erfgrens ook thans nog door de kadastrale grensconstructie wordt bepaald.

In conventie en reconventie

4.9.

Omdat beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten in dit geding te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

In conventie en reconventie

wijst de vorderingen af;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.