Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4364

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
NL19.4579
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Particuliere borgtocht. Bank heeft zorgplicht geschonden door aspirant-borg niet te informeren over en te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van een borgtocht. Bank toch niet aansprakelijk wegens ontbreken van causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.4579

Vonnis van 18 september 2019

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat mr. M.P.M. Riep,

tegen

de naamloze vennootschap
[verweerster] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat mr. M.H. Berrevoets.

1 De procedure

Het procesdossier bevat de volgende stukken:

  • -

    de procesinleiding, met producties 1 tot en met 26,

  • -

    het verweerschrift, met producties 1 en 2,

  • -

    een nieuwe productie 26 van [eiser] (bevindingen [..] ),

  • -

    een aanvullende productie van [eiser] (Gedragscode Hypothecaire Financieringen),

  • -

    de spreekaantekeningen van [eiser] ,

  • -

    de spreekaantekeningen van [verweerster] ,

  • -

    de aanvullende productie van [verweerster] (hypotheeklastenberekening),

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 31 juli 2019.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

In 2005 hebben de zoon van [eiser] , de heer [A] (hierna: [A] of de zoon), en zijn toenmalige vriendin, mw. [B] (hierna: [B] of de ex-vriendin van de zoon), bij [verweerster] een hypothecaire geldlening afgesloten in verband met hun gezamenlijke woning (hierna: de woning).

2.2.

In 2008 gingen [A] en [B] uit elkaar. [A] wilde in de woning blijven wonen, terwijl [B] wenste te worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de geldlening.

2.3.

[A] was op dat moment werkzaam bij [verweerster] als accountmanager intermediair en hield zich in die hoedanigheid bezig met hypothecaire geldleningen. Na een gesprek, op 3 april 2008, met zijn leidinggevende, de heer [C] , heeft [A] in een brief aan die leidinggevende toegelicht waarom hij wilde dat zijn ex-vriendin werd ontslagen uit de hoofdelijkheid, en waarom dat volgens hem haalbaar was.

2.4.

In het najaar van 2008 heeft [verweerster] aan [A] meegedeeld dat zij bereid was om de geldlening voort te zetten, met ontslag van [B] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, als [eiser] zich borg zou stellen. Op 10 maart 2009 heeft [eiser] bij de notaris een document ondertekend met het opschrift “Overeenkomst toetreding hoofdelijk schuldenaar” (hierna: de overeenkomst). In de periode tot en met 10 maart 2009 heeft [verweerster] nooit contact gehad met [eiser] zelf over de door haar verlangde borgtocht. [verweerster] heeft [eiser] in die periode op geen enkele manier (persoonlijk, telefonisch of schriftelijk) geïnformeerd over wat het betekent om borg te zijn. Ook heeft zij voor 10 maart 2009 geen concept van de overeenkomst aan [eiser] gestuurd.

2.5.

In de overeenkomst staat - samengevat - dat [eiser] als hoofdelijk schuldenaar toetrad tot de hypothecaire geldlening van zijn zoon en dat hij persoonlijk aansprakelijk werd voor de verplichtingen van zijn zoon op grond van die geldlening.

2.6.

[A] heeft de geldlening vervolgens voortgezet. In 2012 werd [A] ziek en ontstonden er betalingsproblemen, als gevolg waarvan [A] tot in 2016 meerdere malen een achterstand opliep bij de betaling van de maandelijkse hypotheeklasten. Die achterstanden liep de zoon van [eiser] steeds weer in. Begin juli 2016 had [A] echter weer een betalingsachterstand (van ruim € 1.600).

2.7.

Op 17 augustus 2016 heeft [A] aan [verweerster] gemeld dat hij zijn woning wilde verkopen. Op 23 november 2016 is de woning verkocht. Nadat de opbrengst in mindering was gebracht op de schuld aan [verweerster] , resteerde er een schuld van

€ 137.244,14 (hierna: de restschuld). [eiser] heeft de restschuld aan [verweerster] voldaan door betalingen op 29 december 2016 en 25 februari 2017.

2.8.

In deze procedure vordert [eiser] - samengevat - (i) een verklaring voor recht dat [verweerster] in het kader van haar contractuele en/of wettelijke zorgplicht ten opzichte van [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld of ten opzichte van hem is tekortgeschoten en (ii) veroordeling van [verweerster] tot betaling van € 137.244,14, althans een voorschot van € 30.000.

3 De beoordeling

Inleiding

3.1.

De vraag die in deze procedure centraal staat is of [verweerster] tegenover [eiser] aansprakelijk is vanwege schending van haar zorgplicht. De rechtbank zal de argumenten die [eiser] daarvoor aanvoert hierna beoordelen. Eerst gaat de rechtbank in op twee andere onderwerpen die partijen verdeeld houden, namelijk (i) of [eiser] door het ondertekenen van de overeenkomst een borgtocht aanging dan wel hoofdelijk schuldenaar werd en (ii) of, zoals [verweerster] aanvoert, de vordering van [eiser] is verjaard.

De overeenkomst is een borgtocht

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en [verweerster] , zoals die is vastgelegd in de overeenkomst, moet worden aangemerkt als een borgtocht in de zin van artikel 7:850 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In het bijzonder gaat het om een particuliere borgtocht in de zin van artikel 7:857 BW, nu [eiser] niet in beroep of bedrijf heeft gehandeld. De rechtbank komt tot deze conclusie om de volgende redenen.

3.3.

Bij de vraag of partijen een borgtocht zijn aangegaan, komt het niet aan op de woorden die partijen hebben gebruikt, maar op de vraag of iemand zich heeft verbonden de schuld van een ander te voldoen en hij zich bij de schuldeiser heeft aangediend als iemand wie deze schuld zelf niet aangaat (zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 28 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2667, randnummer 3.5). Het gaat er dus om of iemand zich bij wijze van zekerheid heeft verbonden. Dat is hier het geval geweest.

3.4.

[eiser] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [A] hem begin 2008 heeft gevraagd of hij bereid was zich borg te stellen voor de hypothecaire geldlening van [A] , voor het geval [verweerster] dat zou verlangen. [A] benadrukte dat hij volgens zijn berekening zelf de maandelijkse lasten kon dragen. [eiser] begreep dat een borgtocht zou betekenen dat hij voor een bepaald bedrag zou instaan voor de schuld van [A] Daartoe was [eiser] bereid. Vervolgens heeft [A] de hiervoor in 2.3 genoemde brief aan [verweerster] gestuurd, waarin hij heeft gemotiveerd waarom hij de hypothecaire geldlening alleen kon voortzetten. In die brief van [A] stond ook dat [eiser] , om “het risico voor de bank enigszins acceptabel te houden, [bereid is] tot mede hoofdelijk aansprakelijkheid voor de hypotheek.” En: “Hetgeen mij weer extra motiveert - voor zover dat überhaupt nodig is - om netjes aan mijn verplichtingen te blijven voldoen.”

3.5.

[verweerster] had hieruit moeten begrijpen dat het de wens van [A] was om de maandelijkse lasten alleen te dragen en dat [eiser] uitsluitend, als derde, zekerheid zou verschaffen aan [verweerster] . In dat verband is ook van belang dat [eiser] niet mede-eigenaar is geworden van de woning, terwijl niet is gebleken dat [eiser] anderszins een (economisch) belang in de woning had of zou verkrijgen. De schuld ging [eiser] dus niet zelf aan. De tekst van de overeenkomst, waarin is bepaald dat [eiser] toetreedt “als schuldenaar ten aanzien van de overeenkomst van geldlening met hypotheekstelling in hoofdsom bedragende € 530.000,00” maakt dat niet anders. Uit het enkele gegeven dat [eiser] die tekst heeft ondertekend, volgt niet dat hij een andere rol wilde vervullen dan die van een derde die zekerheid verschaft. Evenmin had [verweerster] enkel op grond van die ondertekening mogen begrijpen dat [eiser] daadwerkelijk als schuldenaar wilde toetreden.

De vorderingen van [eiser] zijn niet verjaard

3.6.

Volgens [verweerster] zijn de vorderingen van [eiser] verjaard. Zij betoogt hierover het volgende. Op 5 december 2012 is [eiser] bekend geworden met haar brief van 3 december 2012. In die brief is [eiser] gewezen op de gevolgen van zijn verbondenheid voor de hypothecaire geldlening. [eiser] wist dus vanaf dat moment of hij door [verweerster] wel of niet over de gevolgen van zijn verbondenheid was geïnformeerd en gewaarschuwd, en wat dat in het slechtste scenario voor hem zou betekenen.

3.7.

Dit betoog slaagt niet. [eiser] heeft terecht aangevoerd dat de verjaringstermijn volgens artikel 3:310 lid 1 BW pas begon te lopen toen [eiser] daadwerkelijk met de schade bekend was geworden. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade volstaat niet (vergelijk HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047, randnummer 3.3.2). De schade die [eiser] ten grondslag legt aan zijn vordering bestaat uit de door hem in 2016 en 2017 betaalde bedragen ter hoogte van de restschuld, nadat hij als borg was aangesproken. Het enkele feit dat [eiser] in december 2012 had kunnen weten dat hij in het slechtste scenario als borg zou worden aangesproken, betekent niet dat [eiser] op dat moment al bekend was met de schade.

[verweerster] is niet aansprakelijk

3.8.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of [verweerster] aansprakelijk is. Het antwoord is ‘nee’, om de volgende redenen.

Toetsingskader

3.9.

Een bank heeft een bijzondere zorgplicht tegenover de particulier die zich borg stelt voor een schuldenaar van die bank. Deze zorgplicht heeft als doel te verzekeren dat de particuliere borg zich bewust is van de risico’s die hij aangaat door zich borg te stellen. De invulling van deze zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. De rechtbank verwijst naar HR 1 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7632, NJ 1991/759, randnummer 3.4 en HR 1 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:543, NJ 2016/190, randnummer 3.4.1. Deze zorgplicht kan meebrengen dat de bank de particuliere borg over de risico’s moet informeren en daarvoor moet waarschuwen.

3.10.

Ook als sprake is van een zorgplichtschending van een bank ten opzichte van een borg geldt dat zij alleen aansprakelijk is voor nadeel van die borg als dat nadeel in causaal verband staat met de zorgplichtschending. Dat betekent dat voldoende aannemelijk moet zijn dat het nadeel niet zou zijn ingetreden als de bank haar zorgplicht wel was nagekomen.

Geen causaal verband tussen nadeel en gebrekkige informatievoorziening

3.11.

[verweerster] heeft [eiser] voorafgaand aan en tijdens het sluiten van de overeenkomst niet geïnformeerd over en gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van de borgtocht. Daardoor heeft zij haar zorgplicht geschonden. Vaststaat ook dat [eiser] financieel nadeel heeft van de borgtocht, ter hoogte van de door hem betaalde restschuld. Maar voor aansprakelijkheid van [verweerster] is ook vereist dat voldoende aannemelijk moet zijn dat [eiser] de restschuld van zijn zoon niet zou hebben betaald - en ook niet verplicht zou zijn geweest om die te betalen - als hij door [verweerster] wel voldoende zou zijn voorgelicht over de mogelijke gevolgen van een borgtocht. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en dat het causaal verband dus ontbreekt, om de volgende redenen.

3.12.

[A] heeft, voor hij de brief van begin april 2008 verstuurde (zie 2.3), aan [eiser] gevraagd of hij bereid was om borg te staan voor de verplichtingen van [A] tegenover [verweerster] . [eiser] dacht dat dit betekende dat hij voor een bepaald bedrag zou instaan voor de schuld van [A] [eiser] was daartoe bereid. In de overeenkomst staat dat hij hoofdelijk schuldenaar werd en persoonlijk aansprakelijk werd voor de schuld van zijn zoon. [eiser] heeft de overeenkomst ondertekend, ervan uitgaande dat hij zich borg stelde. Tijdens de zitting heeft hij verteld dat hij de overeenkomst heeft ondertekend omdat hij vertrouwen had in zijn zoon en zijn carrièremogelijkheden. [eiser] wist toen echter ook wat ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’ inhoudt. Tijdens de zitting heeft hij namelijk verteld dat hij bij zijn werkzaamheden als lid van een management team van zijn werkgever, bouwbedrijf [bedrijfsnaam] , met het fenomeen ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’ in aanraking kwam. Volgens [eiser] wist hij dat dit betekent dat, als een schuldenaar niet kan betalen (bijvoorbeeld wegens een faillissement), de andere schuldenaar de volledige schuld moet betalen. Daarom moet het voor [eiser] duidelijk zijn geweest dat hij in de toekomst door [verweerster] kon worden aangesproken voor een eventuele restschuld van zijn zoon, in het geval die om wat voor reden dan ook zijn betalingsverplichtingen ten opzichte van [verweerster] niet meer zou kunnen nakomen.

3.13.

Op grond van deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat [eiser] zich ook borg zou hebben gesteld voor de volledige schuld van zijn zoon, als [verweerster] hem had geïnformeerd over en gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen. Ook in dat geval zou [eiser] dus de restschuld van zijn zoon hebben betaald. Daarom ontbreekt het causaal verband en is [verweerster] niet aansprakelijk wegens het ontbreken van voldoende voorlichting.

3.14.

Hetzelfde geldt voor het argument van [eiser] dat de tekst van de overeenkomst toetreding hoofdelijk schuldenaar onjuist en daarom onzorgvuldig was. Onafhankelijk van die tekst was [eiser] er immers van op de hoogte wat een borgtocht was en wilde hij een borgtocht aangaan. Bij een juiste tekst zou hetzelfde gevolg, de verplichting tot betaling van de restschuld, zijn ingetreden.

Voortzetting geldlening van [A] / geen ontoelaatbare overkreditering zoon

3.15.

[eiser] verwijt [verweerster] verder, samengevat, (i) dat de geldlening aan [A] niet mocht worden voortgezet omdat deze voortzetting tot ontoelaatbare overkreditering zou leiden en (ii) dat zij [eiser] niet erover heeft geïnformeerd dat deze ontoelaatbare overkreditering zich voordeed.

3.16.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van ontoelaatbare overkreditering van [A] toen hij in 2009 de geldlening alleen mocht voortzetten. De rechtbank licht dit hierna toe.

3.17.

De borgtocht van [eiser] hangt nauw samen met de relatiebreuk van zijn zoon in 2008. In een nieuwsbericht van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM) van 22 oktober 2013 over de krediettoets bij relatiebreuk staat het volgende:

“[…] Bij relatiebreuk of andere bijzondere situaties rond de financiële positie van een huishouden is het niet noodzakelijk om onverkort aan bestaande normen te toetsen. De AFM benadrukt dat de wet dit niet vereist en dat het niet in alle gevallen in het belang van de klant is. Deze normen gelden voor het aangaan en verhogen van een hypotheek. De regels voor verantwoorde kredietverlening hebben tot doel overkreditering van consumenten te voorkomen. Met deze regels wordt voorkomen dat een consument, gelet op het inkomen en de waarde van de woning een te hoge hypotheek afsluit. Bij bijzondere situaties, zoals relatiebreuk, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, leidt het onverkort toepassen van deze normen tot problemen. De regels beogen financiële problemen en een mogelijk gedwongen verkoop te voorkomen. Bij dalende huizenprijzen is het meestal niet in het belang van de consument om aan te dringen op verkoop van woning als dat nog op een verantwoorde wijze voorkomen kan worden. […] Uitgangspunt [rechtbank: bij een relatiebreuk] is daarbij dat gedwongen verkoop van de woning zoveel mogelijk voorkomen moet worden als dat kan. Daarbij zou beoordeeld moeten worden of een haalbare financiële situatie gecreëerd kan worden, ook als het afwijkt van de normen die bij initiële verstrekking gehanteerd worden. Een maatwerkbeoordeling is op zijn plaats. Een toets op basis van de werkelijke woonlasten en het huidige inkomen is daarbij een redelijk uitgangspunt. […]”

3.18.

De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de AFM in 2009 een ander standpunt innam over de toetsing in het geval van een relatiebreuk, dan in oktober 2013. De rechtbank vindt het standpunt van de AFM redelijk en neemt dit over. Dat betekent dat [verweerster] in 2009 moest beoordelen of voor [A] een haalbare financiële situatie kon worden gecreëerd.

3.19.

In de brief die [A] kort na 3 april 2008 aan zijn leidinggevende bij [verweerster] heeft gestuurd staat het volgende:

“Met referte aan ons constructief onderhoud d.d. 3 april jl. hieronder mijn motivatie om tot ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid van mijn ex-vriendin over te gaan.

Hoofdreden nummer 1 is voor mij de betaalbaarheid van het geheel, dit is van cruciaal belang. Na vijf maanden zelf alles betaald hebben, heb ik goed zicht gekregen of mijn berekeningen in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Het blijkt dat de broekriem weliswaar strakker aangehaald moest worden, maar dit leidt niet tot budgettaire problemen. Zie hiervoor het bijgevoegd Excel-bestand waarin ik e.e.a. gespecificeerd heb.

Eveneens een - voor mij - belangrijk aspect is dat de waarde van de woning momenteel lager is dan de hypotheek die erop rust. Oorzaak hiervan is tweeledig. Ten eerste […]

Als ik kijk naar mijn verwachte loopbaanontwikkeling, zie ik ook aanknopingspunten om de woning aan te houden. Sinds 2007 ben ik geselecteerd voor het Talent Development Programma, een programma die medewerkers zoals ik klaarstomen voor een volgende stap in hun carrière. Als ik dit doortrek naar loonontwikkeling mag ik verwachten dat hier nog de nodige groei in zit. Zelfs in mijn huidige schaal (9), kan ik nog ca € 350 p/mnd groeien.

[…]

Hierbij verzoek ik tevens om het DK met een limiet van € 10.000 in stand te houden om eventuele tegenvallers, en uiteraard de kosten die gemaakt moeten worden om zaken notarieel te regelen op te kunnen vangen. Verplichting van deze faciliteit heb ik reeds in bijgevoegd budgettair overzicht verwerkt. Daarbij is er geen sprake van alimentatie of andere verplichtingen. Ik neem de woning over inclusief roerende zaken, zoals inboedel en auto.

Om het risico voor de bank enigszins acceptabel te houden, is mijn vader bereidt tot mede hoofdelijk aansprakelijkheid voor de hypotheek. Hetgeen mij weer extra motiveert - voor zover dat überhaupt nodig is - om netjes aan mijn verplichtingen te blijven voldoen.

Resumerend kom ik tot de volgende conclusie: Verkoop leidt tot een onnodige verliespost van circa € 50.000, en maakt het voor beide partijen (mijn ex en ik) onmogelijk om tot een snelle afwikkeling te komen. Daarbij zal er een voorziening getroffen moeten worden voor het verlies, wat een individuele kredietlast met zich meebrengt van ca. € 500 p.p. per maand waar niemand bij gebaat is. Hierdoor zou je kunnen stellen dat, ondanks de ruime overschrijding qua woonquote, dit de minst kwade oplossing is.”

3.20.

[eiser] heeft in 2006 een jaar lang gewerkt als hypotheekadviseur (in dienst van [verweerster] ) en heeft in april 2008 zelf een berekening gemaakt op basis van de toen geldende normen ter voorkoming van overkreditering, alsof aan hem een hypotheek zou worden verstrekt. Uit zijn brief blijkt dat hij wist dat hij niet voldeed aan de minimumnormen. Aan de hand van een door hem gemaakt, en als bijlage verstrekt, overzicht van zijn inkomsten en uitgaven heeft hij echter aan [verweerster] uitgelegd dat voortzetting van de hypothecaire geldlening door hem alleen niet zou leiden tot budgettaire problemen. Ook heeft [A] in die brief benadrukt dat verkoop van de woning op dat moment zou leiden tot een verlies van ongeveer € 50.000, waardoor een snelle afwikkeling tussen hem en zijn ex niet mogelijk zou zijn en er extra zou moeten worden geleend om dat verlies te dragen.

3.21.

[verweerster] heeft op basis van deze omstandigheden kunnen oordelen dat voortzetting van de hypothecaire geldlening door [A] tot een haalbare financiële situatie voor hem zou leiden. Van ontoelaatbare overkreditering is dus geen sprake. Daarom heeft [verweerster] geen zorgplicht ten opzichte van [eiser] geschonden door hem zich borg te laten stellen voor de schuld van zijn zoon. [verweerster] hoefde [eiser] dus ook niet mee te delen dat sprake was van ontoelaatbare overkreditering van zijn zoon.

Geen overkreditering van [eiser]

3.22.

Een ander verwijt van [eiser] is dat, door zijn toetreding als hoofdelijk schuldenaar, [verweerster] hem in feite een lening heeft verstrekt zonder toepassing van de daarvoor geldende financiële normen. Dat betoog stuit af op de beslissing in 3.2 dat [eiser] niet is toegetreden als hoofdelijk schuldenaar maar een borgtocht is aangegaan. Volgens het recht dat ten tijde van het aangaan van de borgtocht gold hoefde [verweerster] niet na te gaan of [eiser] als borg voldoende draagkrachtig was (vergelijk Hof Den Haag 18 juli 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:1934, randnummer 2.15).

3.23.

Ten overvloede geldt nog het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] aan de hand van een door haar overgelegd stuk (‘de sneltoets’) uitgelegd dat dat zij in oktober 2008 een berekening heeft gemaakt van de maximaal toelaatbare kredietlast voor [eiser] en zijn zoon gezamenlijk, ervan uitgaande dat [eiser] wél hoofdelijk aansprakelijk zou worden. [verweerster] heeft uitgelegd dat, en hoe, zij daarbij rekening heeft gehouden met de inkomensdaling als gevolg van de aanstaande pensionering van [eiser] De berekening kwam uit op € 549.735, wat hoger is dan de hypothecaire geldlening van [A] (€ 530.000). Door of namens [eiser] is vervolgens niets aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat die berekening onjuist is en dat sprake zou zijn geweest van overkreditering (van hem en zijn zoon) als hij daadwerkelijk hoofdelijk schuldenaar zou zijn geworden. In die (hypothetische) situatie zou [verweerster] haar zorgplicht op dit onderdeel dus ook niet hebben geschonden.

Geen ongeoorloofde druk

3.24.

Tot slot voert [eiser] aan dat [verweerster] op oneigenlijke wijze druk heeft uitgeoefend op [eiser] en zijn zoon, waardoor zij zijn opgezadeld met een restschuld van ruim € 137.000. Volgens [eiser] heeft [verweerster] aangedrongen op verkoop van de woning, heeft zij geweigerd om medewerking te verlenen aan een minnelijke regeling met zijn zoon en heeft zij na de verkoop van de woning de druk op [eiser] opgevoerd om hem ertoe te bewegen om een hypothecaire geldlening af te sluiten om daarmee de restschuld af te betalen. In dit verband verwijt [eiser] [verweerster] ook dat zij ten onrechte drie keer de totale schuld van [A] bij [eiser] heeft opgeëist.

3.25.

Dit betoog slaagt niet, om de volgende redenen. De gang van zaken sinds 2012 was, samengevat, als volgt. In mei 2012 raakte [A] voor het eerst achter met zijn betalingsverplichtingen ten opzichte van [verweerster] . Op 23 augustus 2013 en 23 januari 2014 heeft [verweerster] de totale hypothecaire geldlening bij [eiser] opgeëist, alsof hij hoofdelijk schuldenaar was. Aan deze opeisingen heeft [verweerster] toen geen gevolg gegeven. In de periode tot en met eind 2016 heeft [verweerster] diverse betalingsafspraken gemaakt met de zoon. Een deel daarvan werd niet nagekomen, maar gedurende een aantal jaren liep de zoon de achterstanden wel steeds weer in. In een e-mail van 12 februari 2015 van [verweerster] aan [eiser] heeft [verweerster] [eiser] uitdrukkelijk een borgsteller genoemd. Op 4 juli 2016 had de zoon weer een betalingsachterstand (van ruim
€ 1.600). [verweerster] heeft hierna aan [A] een voorstel gedaan tot een structurele oplossing te komen en heeft hem daarom gevraagd om stukken op te sturen, maar die stukken heeft [verweerster] niet ontvangen. Op 17 augustus 2016 liet de zoon aan [verweerster] weten dat hij van plan was om zijn woning te verkopen. Op 11 november 2016 stuurde [verweerster] nog een laatste sommatie aan de zoon voor inlossing van zijn betalingsachterstand. Op 23 november 2016 heeft de zoon zijn woning verkocht voor

€ 365.000. Op 25 november 2016 heeft [verweerster] opnieuw de totale schuld bij [eiser] opgeëist. Op 29 november 2016 liet de gemachtigde van de zoon ( [D] ) aan [verweerster] weten dat de woning was verkocht. Op 5 december 2016 verzocht [verweerster] [D] een voorstel te doen voor de terugbetaling van de te verwachten restschuld. Op 20 december 2016 liet [D] telefonisch aan [verweerster] weten dat [eiser] en zijn echtgenote een hypothecaire geldlening hadden aangevraagd om de te verwachten restschuld van hun zoon ineens te kunnen voldoen. Op 29 december 2016 is de woning aan de koper geleverd. [eiser] betaalde toen € 30.000 aan [verweerster] . [eiser] heeft een extra hypotheek op zijn huis genomen om de restschuld te kunnen betalen. Op

28 februari 2017 ontving [verweerster] via de notaris € 107.244,14 van [eiser] voor de aflossing van de restschuld van zijn zoon.

3.26.

Door of namens [eiser] is [verweerster] er sinds 2012 verschillende malen op gewezen dat hij geen hoofdelijk schuldenaar was, maar borg. Dat was terecht. Van [verweerster] , een grote financiële instelling met juristen in dienst, had mogen worden verwacht dat zij zich er bewust van was dat de overeenkomst kwalificeerde als een borgtocht en dat [eiser] ook als zodanig moest worden behandeld, en niet als een hoofdelijk schuldenaar. [verweerster] had dus, zolang zij nog in overleg was met [A] , haar vordering op [A] niet behoren op te eisen bij [eiser] De opeisingsbrief van 25 november 2016 is naar het oordeel van de rechtbank zelfs onbehoorlijk, aangezien [verweerster] in haar hierboven genoemde e-mail van 12 februari 2015 ten opzichte van [eiser] uitdrukkelijk had erkend dat zij hem als borg beschouwde en [verweerster] op dat moment nog niet wist dat [A] zijn woning had verkocht (met een restschuld tot gevolg). Deze slordige bejegening van [eiser] door [verweerster] kan echter niet worden beschouwd als een oorzaak van de schade van [eiser] De brieven van [verweerster] aan [eiser] van 23 augustus 2013 en 23 januari 2014, waarin de volledige schuld van [A] werd opgeëist, dateren van ruim tweeënhalf jaar respectievelijk ruim drie jaar voordat [A] zijn woning verkocht. Die brieven kunnen geen rol van enige betekenis hebben gehad bij de beslissing van [A] om zijn woning te verkopen. Dat geldt ook voor de opeisingsbrief van 25 november 2016, omdat [A] zijn woning al twee dagen daarvoor, op 23 november 2016, had verkocht.

3.27.

Voor het overige kan het handelen van [verweerster] , zoals dat is weergegeven in 3.25, niet worden beschouwd als onzorgvuldig/onrechtmatig. [verweerster] heeft diverse betalingsafspraken met [A] gemaakt en ondanks dat hij deze niet allemaal is nagekomen, was zij in 2016 bereid om met [A] tot een structurele oplossing te komen. [A] is op dat aanbod echter niet ingegaan en heeft besloten zijn woning te verkopen. De rechtbank ziet niet in hoe [verweerster] hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Met de verkoop was de restschuld een gegeven en [eiser] kon daarvoor als borg worden aangesproken. Dat daarbij enige druk is uitgeoefend die door [eiser] als zwaar is ervaren, valt te begrijpen. Maar [eiser] heeft niets aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat [verweerster] daarbij de grenzen van het betamelijke heeft overschreden.

Conclusie

3.28.

Nu [verweerster] op geen van de door [eiser] aangevoerde gronden aansprakelijk is, zullen de vorderingen worden afgewezen.

Proceskosten

3.29.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op:

- griffierecht € 4.030

- salaris advocaat € 3.414 (2 punten × tarief € 1.707)

Totaal € 7.444

3.30.

De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten worden toegewezen op de wijze zoals hierna is vermeld in 4.2 en 4.3.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 7.444, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [eiser] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op:

- € 157 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling; en

- € 82 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

4.4.

verklaart de veroordelingen in 4.2 en 4.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, bijgestaan door mr. R. Bloemink als griffier, op 18 september 2019. Het is digitaal ondertekend op het voorblad.