Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4290

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
UTR 19/2961 en UTR 19/2963
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Handhaving monumentale boerderij, voorlopige voorziening, kortsluiten beroep.

Artikel 11 van de Monumentenwet 1988

Samenvatting:

Verweerder heeft terecht aanleiding gezien om handhavend op te treden tegen het nalaten van eiser om de monumentale boerderij met schuur van onderhoud te voorzien. Met diverse rapporten, gespreksverslagen en luchtfoto’s heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de huidige slechte staat van het monument is veroorzaakt door het nalaten van eiser om onderhoud te plegen. Dat de door verweerder opgelegde lasten verder strekken dan het wind- en waterdicht maken van de schuur volgt volgens de rechtbank niet uit de door eiser overgelegde deskundigenrapporten. Het beroep is ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De op de zitting getroffen ordemaatregel komt met de uitspraak te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/2961 en UTR 19/2963

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 september 2019 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. van de Laar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder (gemachtigde: M.T. Smits).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser gelast om op straffe van een dwangsom van € 12.500,- per overtreding, met een maximum van € 25.000,- per overtreding, voor last 1 tot en met 7 vóór 1 juli 2019 en voor last 8 vóór 1 april 2019 de volgende onderhoudswerkzaamheden te verrichten aan de monumentale boerderij bestaande uit een woonhuis en bijbehorende schuur op het perceel aan de [adres] in [woonplaats] :

  1. herstel van de kapconstructie en vervanging van de rieten kap van de schuur;

  2. herstel van het metselwerk aan de zuidgevel van de schuur;

  3. herstel van de gaten in de topgevel aan de noordzijde van de schuur;

  4. herstel van de houten gevelbekleding van de schuur;

  5. herstel van de kozijnen en deuren van de schuur;

  6. herstel van de kozijnen en deuren van het woonhuis;

  7. herstel van de dakgoten en hemelwaterafvoeren van het woonhuis; en,

  8. het plaatsen van rookmelders in het woonhuis.

Bij besluit van 30 april 2019 heeft verweerder de begunstigingstermijn voor de lasten 1 t/m 5 en voor last 7 verlengd tot zes weken na het te nemen besluit op bezwaar.

Bij besluit van 24 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft verweerder lastgeving 8 ingetrokken.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een

voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [A] , juridisch medewerker handhaving, en [B] , beleidsadviseur cultuurhistorie en landschap.

De voorzieningenrechter heeft op de zitting bij wijze van ordemaatregel de begunstigingstermijn, vanwege het dreigende verstrijken ervan op 3 september 2019, verlengd tot de uitspraak.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep (UTR 19/2963)

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Voorgeschiedenis

2. Eiser is sinds 2001 eigenaar van de boerderij aan de [adres] in [woonplaats] .

De boerderij is een kop-rompboerderij uit 1879, bestaande uit een woonhuis met een aangebouwde schuur met rieten kap, en is sinds 8 juni 2000 als rijksmonument ingeschreven in het rijksmonumentenregister.

3. In 2014 en vervolgens vanaf 2018 heeft verweerder de staat van de boerderij diverse malen gecontroleerd en hebben meerdere malen gesprekken plaatsgevonden tussen verweerder en eiser over onderhoud van de boerderij. Op 1 mei 2018 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een plan van aanpak op te stellen voor de aan de boerderij uit te voeren onderhoudswerkzaamheden. Met een brief van 16 juli 2018 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om handhavend op te treden. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

4. Op 26 april 2019 heeft eiser een verzoek ingediend om de boerderij te verwijderen uit het rijksmonumentenregister en de status van monument daaraan te ontnemen. Op dit verzoek is nog niet beslist.

Omvang van het geding

5. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij bezig is met het uitvoeren van de voor het woonhuis opgelegde lasten 6 en 7 en dat hij de werkzaamheden voor het einde van de begunstigingstermijn zal afronden. Deze lasten zijn tussen partijen dus niet in geschil.

Het geschil beperkt zich tot de lasten 1 tot en met 5 voor de schuur.

Grondslag van de last onder dwangsom

6. Eiser voert aan dat de grondslag voor het handhavend optreden door verweerder ontbreekt. Volgens eiser dwingen de onder 1 tot en met 5 opgelegde lasten hem tot volledige restauratie van de schuur bij de boerderij, terwijl verweerder uitsluitend bevoegd is om preventieve maatregelen af te dwingen om verder verval van de boerderij te voorkomen. De last is daarom in strijd met de relevante wetgeving en is disproportioneel. Daarbij speelt volgens eiser een rol dat verweerder zo lang heeft gewacht met handhavend optreden dat instandhouding van het monument alleen nog mogelijk is door een veelomvattende, kostbare restauratie.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser gehouden is om de rijksmonumentale boerderij inclusief de schuur te onderhouden en dat het nalaten daarvan heeft geleid tot een steeds verdergaande verslechtering van het monument. Verweerder is bevoegd om handhavend daartegen op te treden. Verweerder heeft voorafgaand aan het handhavingstraject op verschillende manieren geprobeerd om eiser tot het onderhoud van de boerderij aan te zetten. Dit heeft volgens verweerder geen effect gehad, zodat hij zich nu genoodzaakt ziet om tot handhaving over te gaan. Verweerder betwist dat de last verder gaat dan de instandhouding van het monument.

8.1

De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn stelling dat de grondslag voor het handhavend optreden ontbreekt. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hier nog steeds gaat om een rijksmonument, ondanks het verzoek van eiser tot opheffing van deze status. Uit artikel 11 van de Monumentenwet 1988 volgt dat het, naast het beschadigen of vernielen van een beschermd monument, verboden is om daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding van het monument noodzakelijk is. Het bestaan van deze onderhoudsplicht is bevestigd in de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).1 De grondslag voor het handhavend optreden van verweerder ligt dan ook in het nalaten van eiser om enig onderhoud te plegen aan de boerderij en de schuur.

8.2

Dat dit nalaten van eiser ook de oorzaak is van de huidige slechte staat van de schuur is door verweerder onderbouwd met diverse luchtfoto’s over de periode na 2001, met gespreksverslagen en met adviezen van de door verweerder ingeschakelde deskundige, de Monumentenwacht. Uit die stukken blijkt dat in de periode 2013 en 2014 duidelijk was dat onderhoud aan de boerderij noodzakelijk was, maar dat deze er toen over het algemeen nog redelijk goed bij stond. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor met name naar het door verweerder overgelegde advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van mei 2014, naar aanleiding van een bezoek aan de boerderij in april 2014. In dit advies is aangegeven dat gezien de in principe goede conditie van de kapconstructie maar verslechterde conditie van het riet, het gerechtvaardigd is om de rieten kap te vervangen om verdere aantasting van de kapconstructie te voorkomen. Verder blijkt daaruit niet dat de staat van de fundering van de boerderij aan herstel en instandhouding daarvan in de weg staat. Dit wordt ook bevestigd in het in opdracht van eiser zelf opgestelde bouwkundig inspectierapport van deskundige [C] van 24 mei 2013 en het daarin opgenomen meerjaren-instandhoudingsplan.

Uit rapporten van de Monumentenwacht van 2018 en 2019 volgt dat de staat van de boerderij en met name de schuur na 2013 is verslechterd en dat dit komt door het gebrek aan onderhoud. Zo heeft de langdurige blootstelling aan de weerselementen onder andere geleid tot verder verval van de sporen van het dak van de schuur. Daarmee is inzichtelijk gemotiveerd dat het nalaten van eiser heeft geleid tot de huidige slechte staat van de schuur.

8.3

Dat verweerder tot 2018 heeft gewacht met het handhavend optreden, doet niet af aan de onderhoudsverplichting van eiser. Bovendien blijkt uit de stukken in het dossier en de toelichting van verweerder op de zitting dat hij langdurig met eiser in gesprek is geweest om eiser aan te zetten tot onderhoud aan de boerderij maar dat eiser steeds heeft geweigerd daartoe over te gaan. De stelling van eiser dat de last disproportioneel is omdat deze verder strekt dan het verrichten van preventieve maatregelen, volgt de voorzieningenrechter ook niet. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 20 augustus 2018.2 In die zaak ging het echter om een verschil tussen de motivering van de last en de maatregelen die feitelijk getroffen moesten worden om aan de last te voldoen. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder opgelegde lasten niet uitvoerbaar zijn zonder eerst ingrijpender maatregelen te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Evenredigheid van het handhavend optreden

9. Eiser stelt verder dat verweerder moet afzien van handhavend optreden omdat handhaving in dit geval onevenredig is in verhouding tot de belangen die daarmee gediend zijn. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser verwezen naar het rapport van deskundige [C] van 8 april 2019. Door dit rapport wordt bevestigd dat de lasten van verweerder alleen uitgevoerd kunnen worden als eiser overgaat tot bijna gehele restauratie of zelfs herbouw van de schuur. Volgens eiser zijn de kosten van een bijna volledige restauratie ruim € 700.000,-, en daarmee onevenredig in verhouding tot de belangen die worden gediend met het herstel van de boerderij.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bij het formuleren en opleggen van de last juist zeer terughoudend is geweest. De opgelegde lasten strekken uitsluitend tot het wind- en waterdicht maken van de schuur. Verweerder heeft zich gebaseerd op verschillende adviezen van de Monumentenwacht. Volgens verweerder moeten de architectuur- en cultuurhistorische waarde van de boerderij zwaarder wegen dan de financiële gevolgen die het handhavend optreden voor eiser met zich brengt.

11.1

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat handhaving in dit geval onevenredig is. Volgens vaste rechtspraak geven mogelijke ernstige financiële gevolgen in beginsel geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.3 Met de rapporten van de Monumentenwacht uit 2018 en 2019 heeft verweerder verder inzichtelijk gemotiveerd welke onderhoudswerkzaamheden aan de boerderij noodzakelijk zijn. In de rapporten wordt uitgebreid met voorbeelden toegelicht bij welke onderdelen van de schuur geen (serieuze) gebreken worden waargenomen, zodat op die onderdelen vooralsnog geen onderhoud nodig is. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de Monumentenwacht deskundig is op het gebied van onderhoud aan monumenten zodat hij mag uitgaan van de juistheid van de rapporten van de Monumentenwacht.

11.2

Uit de rapporten die eiser ter onderbouwing van zijn standpunt heeft overgelegd volgt niet dat de conclusies van de Monumentenwacht onjuist zijn. In het rapport van 8 april 2019 dat eiser heeft overgelegd wordt bijvoorbeeld onderkend dat de gaten in de gevel zo snel mogelijk gedicht moeten worden om inwatering en gevolgschade te voorkomen. Door de deskundige van eiser wordt op verschillende punten geconstateerd dat voor een goede staat van instandhouding verdergaande werkzaamheden nodig zijn. Dat deze verdergaande werkzaamheden ook noodzakelijk zijn om de boerderij wind- en waterdicht te maken zoals verweerder vordert, volgt daaruit niet. Ook uit de door eiser overgelegde offerte van ruim

€ 700.000,- voor herstelwerkzaamheden aan de boerderij volgt niet dat deze uitsluitend ziet op het wind- en waterdicht maken van de boerderij zoals volgt uit de last. Tenslotte blijkt niet dat, zoals eiser lijkt te suggereren met zijn stelling dat hij geen dakdekker kon vinden, uitvoering van de lasten absoluut onmogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Nu eiser bij de voorzieningenrechter geen twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de rapporten van verweerder, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van eiser op de zitting om tot benoeming van een onafhankelijke deskundige over te gaan.

De begunstigingstermijn

13. Eiser heeft tot slot nog aangevoerd dat de begunstigingstermijn te kort is om aan de lastgeving te voldoen. Volgens eiser heeft verweerder nagelaten om bij de totstandkoming van de begunstigingstermijn te betrekken dat eiser al langere tijd in overleg is met verweerder over de mogelijkheden tot herontwikkeling van het perceel.

14. De voorzieningenrechter volgt eiser ook hierin niet. Uit de rechtspraak van de ABRvS volgt dat het op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat een begunstigings-termijn te kort is om aan de last te voldoen.4 Eiser is daar niet in geslaagd. Zoals hiervoor al is overwogen blijkt uit de gegevens in het dossier en uit de toelichting van verweerder op de zitting dat verweerder al sinds 2013 in gesprek is met eiser over onderhoudswerkzaamheden aan de boerderij. Eiser heeft daardoor ruimschoots de tijd gehad om enige vorm van actie voor behoud van de schuur te ondernemen. Dit heeft hij, ook gedurende de verlengde begunstigingstermijn voor de last, niet gedaan. De voorzieningenrechter acht het gelet op de voorgeschiedenis van deze zaak en de staat van het monument niet reëel dat de begunstigingstermijn moet worden verlengd omdat eiser zijn gesprekken met verweerder over een herbestemming wil voortzetten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

15. Op grond van het voorgaande is de conclusie dat wat eiser heeft aangevoerd niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (UTR 19/2961)

16. Gelet op de uitspraak in het beroep ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook hier geen aanleiding.

Verder vervalt met deze uitspraak de eerder uitgesproken ordemaatregel.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 september 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRvS van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2414 en 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3420.

2 ECLI:NL:RVS:2014:3059.

3 Zie onder andere de uitspraak van de ABRvS van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2414.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3455.