Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4190

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
28-02-2020
Zaaknummer
C/16/481369 / FA RK 19-3036
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

1:157 lid 4 BW. Verzoek tot verlenging van de termijn voor partneralimentatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/481369 / FA RK 19-3036

Beschikking van 13 september 2019


in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,

bijgestaan door advocaat mr. C.E. Tonningen-ter Huizen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,

bijgestaan door advocaat mr. R. van Coolwijk.


1. Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen bij de griffie per fax op

17 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift van de man, binnengekomen op 9 juli 2019;

  • -

    een F9-formulier van 17 juli 2019 van de man met bijlage;

  • -

    de brief van 5 augustus 2019 van de vrouw met bijlagen;

  • -

    de brief van 5 augustus 2019 van de man met bijlagen.

1.2.

Op 16 augustus 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen waren aanwezig met hun advocaten. Mr. Tonningen-ter Huizen heeft pleitnotities overgelegd.

1.3.

De vrouw heeft op de zitting haar verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening (C/16/481371 / FA RK 19-3037) ingetrokken, zodat dit verzoek niet verder zal worden behandeld.


2. Wat vast staat

2.1.

Partijen zijn op [1996] gehuwd in de Verenigde Staten. Op 17 mei 2006 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [2007] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen hebben afspraken gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding. Deze afspraken zijn vastgelegd in de overeenkomst van 10 maart 2010. Deze overeenkomst is opgenomen in de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2010.

2.3.

In deze overeenkomst staat – voor zover hier van belang - vermeld dat de man met ingang van 1 januari 2009 met een bedrag van € 2.594,33,-- per maand bijdraagt in het levensonderhoud van de vrouw. Het betaalde bedrag is jaarlijks geïndexeerd en daardoor hoger geworden. De laatste bijdrage die de man betaalde was € 3.004.53,-- per maand.

3. Verzoek en verweer

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen:

“- Dat de termijn, zoals is genoemd in artikel 1:157 lid 4, zal worden verlengd tot aan de datum dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, dan wel een zodanige termijn te geven, die uw rechtbank in goede justitie juist acht en waarbij de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud zal blijven betalen zoals hij laatstelijk heeft gedaan ad. € 3.004,53 bruto per maand vanaf de dag dat de wettelijke termijn is verstreken (met inachtneming van de hiervoor genoemde bijdrage als voorlopige voorziening), dan wel een zodanige bijdrage dat uw rechtbank in goede justitie juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen,

Uitsluitend in het geval uw rechtbank voornoemd verzoek (deels)afwijst:

- De laatstgenoemde beschikking, voor wat betreft de daarin opgenomen afspraak terzake van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met terugwerkende kracht vanaf 17 mei 2014 te wijzigen in die zin, dat de man vanaf voornoemde datum een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal betalen van € 6.000,- bruto per maand.

In alle verzoeken:

- Kosten rechtens;”

3.2.

De man voert verweer en vindt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoeken, dan wel dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

4. Beoordeling

Waar gaat het over?

4.1.

Op 19 februari 2019 eindigde de verplichting van de man om in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien. Hij was daar volgens de wet namelijk 12 jaar toe verplicht en die periode was op die datum voorbij.1 Met andere woorden, met ingang van 19 februari 2019 hoefde de man de vrouw geen partneralimentatie meer te betalen. De vrouw verzoekt de rechtbank nu om de termijn van 12 jaar te verlengen. Voor het geval dat de rechtbank dat verzoek afwijst, verzoekt de vrouw de partneralimentatie met ingang van 17 mei 2014 te verhogen. De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en vindt - kort gezegd - dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

De beslissing

4.2.

De rechtbank wijst beide verzoeken van de vrouw af. Hieronder legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.

Verlenging van de termijn

4.3.

De rechtbank vindt dat geen sprake is van een uitzonderingsituatie als bedoeld in de wet, op grond waarvan de termijn van 12 jaar kan worden verlengd.2 Om tot dat oordeel te komen heeft de rechtbank het antwoord op de volgende vragen gebruikt:

  • -

    Wat is de financiële situatie van de vrouw?

  • -

    Heeft de vrouw alles gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te komen?

  • -

    In hoeverre houdt de behoefte van de vrouw aan voortduring van de partneralimentatie nog verband met het huwelijk?3

Wat is de financiële situatie van de vrouw?

4.4.

De rechtbank kan zich onvoldoende beeld vormen van de financiële situatie van de vrouw, omdat zij onvoldoende inzage geeft in haar vermogen. De rechtbank vindt dat de vrouw gelet op haar verzoek stukken had moeten overleggen waaruit blijkt wat haar vermogen is en wat er met eerder vermogen is gebeurd. Ze had bijvoorbeeld de recente aangiften/aanslagen inkomstenbelasting kunnen laten zien. De rechtbank kan nu niet vaststellen hoeveel vermogen de vrouw heeft. De enkele stelling van de vrouw dat haar spaargeld is geslonken tot onder de € 10.000,-- is daarvoor niet voldoende, omdat dit door de man wordt betwist. Daarbij is van belang dat de vrouw overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst gehecht aan de beschikking van de rechtbank Amsterdam van

28 april 2010 een bedrag van € 70.000,-- netto heeft ontvangen uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. En dat zij in 2015 een bedrag in de Postcode Loterij heeft gewonnen. Partijen van mening verschillen over de precieze hoogte van het gewonnen bedrag. De vrouw zegt € 17.750,--, de man zegt € 70.000,-- en de rechtbank kan dit niet nagaan aan de hand van het door de vrouw overgelegde bankafschrift.

Heeft de vrouw alles gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te komen?

4.5.

De rechtbank vindt verder dat de vrouw niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te komen. De vrouw is economisch eigenaar van een woning. Niet in geschil is dat de overwaarde van deze woning om en nabij de € 350.000,-- bedraagt. De rechtbank ziet het belang van de vrouw om in deze woning te kunnen blijven wonen. Daartegenover staat het belang van de man om na het verstrijken van de termijn van 12 jaar bevrijd te zijn van zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de vrouw. De rechtbank vindt daarom dat redelijkerwijs van de vrouw kan worden verwacht dat zij inteert op haar vermogen, ook als dat betekent dat zij moet verhuizen.

4.6.

Daarnaast heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd, in hoeverre haar gezondheidsklachten (COPD, psychische klachten en hartproblematiek) haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt beperken. Uit de overgelegde stukken blijkt immers wel de veelheid van klachten die zij ervaart en de behandelingen die zij in de afgelopen jaren heeft moeten ondergaan, maar niet welke effecten die klachten en behandelingen hebben op haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Dat de vrouw door haar gezondheidstoestand wordt beperkt in haar mogelijkheden lijkt voor de hand liggend, maar de stukken rechtvaardigen niet zonder meer de conclusie dat de vrouw in het geheel niet in staat is of was om betaalde werkzaamheden te verrichten. Zo heeft de vrouw na het huwelijk wel enige tijd betaald werk verricht als typiste.

In hoeverre houdt de behoefte van de vrouw aan voortduring van de partneralimentatie nog verband met het huwelijk?

4.7.

De rechtbank vindt tot slot dat het door de vrouw gestelde voortduren van de behoefte aan partneralimentatie in een te ver verwijderd verband staat tot het huwelijk. Dat de man tijdens het huwelijk een door partijen opgebouwd vermogen van € 400.000,-- zonder medeweten van de vrouw zou hebben weggemaakt met verkeerde beleggingen is door de man betwist. De man heeft toegelicht dat hij weliswaar een groot bedrag is kwijtgeraakt. maar dat hij dit bedrag grotendeels ook eerst met beleggen had verdiend. Het ging dus niet om € 400.000,-- aan door partijen gespaard geld. De rechtbank vindt dat het verlies aan belegd vermogen tijdens het huwelijk er niet toe kan leiden dat de verplichting tot partneralimentatie voor de man wordt verlengd. Beleggen brengt risico’s met zich mee en de man heeft zelf voor een gelijk aandeel in dit verlies gedeeld als de vrouw. Indien de man niet was gaan beleggen was bovendien niet een dergelijk bedrag aan vermogen ontstaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat de gezondheidsproblemen van de vrouw niet volledig zijn toe te schrijven aan het huwelijk van partijen. De vrouw wijt haar psychische problemen aan het feit dat zij heeft toegegeven aan de kinderwens van de man terwijl zij zelf geen kinderwens had – wat de man overigens heeft betwist – maar gaat daarbij voorbij aan andere factoren die een rol kunnen hebben gespeeld. Uit de eigen stellingen van de vrouw blijkt bijvoorbeeld dat zij een belaste jeugd heeft gehad. Dat beide partijen zware rokers waren tijdens het huwelijk – wat door beide partijen als mogelijke oorzaak van de COPD wordt aangewezen – kan ook niet geheel aan het huwelijk van partijen worden geweten.

Wijziging partneralimentatie

4.8.

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af, omdat van de man niet kan worden gevraagd dat hij over de afgelopen vijf jaar meer partneralimentatie betaalt dan hij al heeft betaald. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de rechter behoedzaam omgaan met het wijzigen van een vastgestelde onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht. De vrouw zegt dat de draagkracht van de man de beperkende factor is geweest bij het vaststellen van de bijdrage. Dat de man eerder kan stoppen met werken, betekent volgens de vrouw dat zijn draagkracht moet zijn gestegen. Dit gaat niet zonder meer op, maar belangrijker nog: dit rechtvaardigt niet dat de vrouw nu pas om een verhoging vraagt. De vrouw heeft geen goede redenen gegeven waarom zij nu pas een verzoek tot verhoging doet. De man heeft bovendien redelijkerwijs geen rekening kunnen houden met een dergelijk verzoek.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Scharrenborg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F. de Kleijn, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2019.

Hoger beroep

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

1 Artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek

2 Artikel 1:157 lid 3 en 4 van het Burgerlijk Wetboek

3 Hoge Raad 6 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7004.