Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4134

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
NL18.18302
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

auteursrechtinbreuk op ontwerp en prototype mobiele tentaccomodatie en overeenkomst tot serieproductie niet aangenomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.18302

Vonnis van 2 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] , kantoorhoudend te [vestigingsplaats 2] ,
eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat mr. W. Plessius,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 1] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats 3] ,
hierna te noemen: [verweerster sub 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 4] , kantoorhoudend te [vestigingsplaats 3] ,
hierna te noemen: [verweerster sub 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 3] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats 5] ,
hierna te noemen: [verweerster sub 3] ,

4. [verweerder sub 4],
wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: [verweerder sub 4] ,
5. [verweerster sub 5],
wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: [verweerster sub 5] ,
verweerders, hierna samen te noemen: [verweerster sub 1] c.s.,
advocaten mr. M. Driessen en mr. M.C. van Leyenhorst.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding,

  • -

    de producties 1a tot en met 51 van [eiseres] ,

  • -

    de aktes overlegging producties 1a en 1b met toelichting van [eiseres] ,

  • -

    het verweerschrift van [verweerster sub 1] c.s.,

  • -

    de akte overlegging producties van [verweerster sub 1] c.s.,

  • -

    de producties 1 tot en met 41 van [verweerster sub 1] c.s.,

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis,

  • -

    productie 52 van [eiseres] ,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    producties 42 en 43 van [verweerster sub 1] c.s.,

  • -

    de kostenopgave van [eiseres] ,

  • -

    de spreekaantekeningen van [eiseres] ,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 15 april 2019,

  • -

    de reactie van [verweerster sub 1] c.s. op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster sub 1] biedt luxe kampeervakanties aan in luxe tenten bij boerenbedrijven. [verweerder sub 4] is enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster sub 2] en via [verweerster sub 2] indirect bestuurder van [verweerster sub 1] . [verweerster sub 5] is enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster sub 3] en via [verweerster sub 3] indirect bestuurder van [verweerster sub 1] . Mevrouw [A] (hierna te noemen: [A] ) is aandeelhouder van [verweerster sub 1] en de bedenker van het kampeerconcept.

2.2.

[bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna te noemen: [bedrijfsnaam 1] ) hield zich tot haar faillissement op 14 november 2017 bezig met geluidsmanagement in gebouwen. Zij maakte ontwerpen, waarbij zij functionaliteit met design combineerde. De heer [B] was bestuurder van [bedrijfsnaam 1] . [eiseres] was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 1] . De heer [C] is via [bedrijfsnaam 2] B.V. indirect bestuurder van [eiseres] .

2.3.

[verweerster sub 1] exploiteert onder meer de zogenoemde Safaritent en Lodgetent. Deze tenten staan het hele jaar door bij boeren op het terrein. Hieronder is een afbeelding van de tenten opgenomen.

Safaritent Lodgetent

2.4.

Omdat het niet overal is toegestaan om deze tenten buiten het kampeerseizoen op het terrein te laten staan, is [verweerster sub 1] in 2015 gestart met de ontwikkeling van een mobiele variant, die eenvoudig in- en uit te klappen en te vervoeren is. Deze mobiele tentaccommodatie diende zowel aan geldende gemeentelijke en milieutechnische eisen te voldoen als aan visuele en technische eisen en wensen van [verweerster sub 1] .

2.5.

[verweerster sub 1] heeft zelf een concept bedacht voor een mobiele tentaccomodatie, met een zeecontainer als basis, waarin de inventaris kan worden opgesteld en opgeslagen, met uitklapbare zijwanden en slaaptenten, die qua kleuren en verdere uitstraling zoveel mogelijk aansluit bij de bestaande tenten. Hierna volgen schetsen van deze zogenoemde Cabin Lodge.

Cabin Lodge

2.6.

In september 2015 zijn [verweerster sub 1] en [bedrijfsnaam 1] met elkaar in contact gekomen. Daarna is [bedrijfsnaam 1] in samenwerking met [verweerster sub 1] ontwerptekeningen gaan maken om te komen tot de door [verweerster sub 1] gewenste mobiele tentaccommodatie.

Hierna volgt een impressie van de gemaakte ontwerptekeningen in chronologische volgorde.

27 september 2015 17 oktober 2015

23 november 2015

8 december 2015 10 december 2015 15 december 2015

2.7.

[A] heeft op basis van de al gemaakte ontwerptekeningen de volgende schetsen gemaakt:

16 december 2015

[verweerster sub 1] heeft toen de naam Cabin Lodge gewijzigd in Barntent.

2.8.

Daarna is [bedrijfsnaam 1] in samenwerking met [verweerster sub 1] verder gegaan met het maken van ontwerptekeningen. Hierna volgt een impressie van de gemaakte ontwerptekeningen in chronologische volgorde.

28 december 2015 30 december 2015

8 januari 2016

2.9.

Dit alles heeft geleid tot het navolgende definitieve ontwerp van de Barntent:

3 februari 2016

[bedrijfsnaam 1] heeft daarvan een prototype gemaakt, dat na diverse aanpassingen aan [verweerster sub 1] is opgeleverd tegen betaling van € 34.500,00 exclusief btw. Op 29 april 2016 heeft [verweerster sub 1] haar samenwerking met [bedrijfsnaam 1] beëindigd.

2.10.

[verweerster sub 1] heeft in samenwerking met een derde een aangepaste versie van dit prototype in productie genomen. Zij exploiteert nu mobiele tentaccommodaties met de naam Barntent en Farmtent. Hieronder is een afbeelding van de tenten opgenomen.

Barntent Farmtent

De Farmtent is aan de buitenzijde gelijk aan de Barntent. Het interieur van de Farmtent is op onderdelen en qua luxe anders.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na wijziging van eis - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I en II [verweerster sub 1] c.s. veroordeelt tot betaling van € 678.300,00 exclusief btw aan geleden verlies en gederfde winst, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 juni 2016, en tot betaling van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,

III voor recht verklaart dat [verweerster sub 1] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [bedrijfsnaam 1] en [eiseres] en inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van [eiseres] en haar veroordeelt om de genoten winst af te dragen en daartoe rekening en verantwoording af te leggen, op te maken bij staat,

IV en V [verweerster sub 1] c.s. veroordeelt om iedere inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, waaronder iedere openbaarmaking en verveelvoudiging, ook (via derden) op websites en andere media, van de Barntent en de Farmtent dan wel variaties daarop, die een ongeoorloofde verveelvoudiging zijn van de door [bedrijfsnaam 1] ontworpen tent en het prototype, op straffe van een dwangsom,

VI [verweerster sub 1] c.s. veroordeelt aan [eiseres] rekening en verantwoording af te leggen over onder meer de productie, verhandeling en exploitatie van de Barntent en de Farmtent, en opgave te doen van de contactgegevens van alle bij de productie en verhandeling betrokken (rechts)personen onder overlegging van bewijstukken, op straffe van een dwangsom,

VII [verweerster sub 1] c.s. veroordeelt op eigen kosten de Barntenten en Farmtenten, die zijn of worden geproduceerd, terug te halen en af te geven aan [eiseres] ter vernietiging op kosten van [verweerster sub 1] c.s., op straffe van een dwangsom,

X [verweerster sub 1] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure, waarvan 50% op grond van 1019h Rv.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen - kort gezegd - het volgende ten grondslag.

[bedrijfsnaam 1] heeft in opdracht van [verweerster sub 1] een prototype ontwikkeld en geleverd van een luxe mobiele tent. Zij zijn overeengekomen dat [verweerster sub 1] (ten minste) 40 van deze tenten van [bedrijfsnaam 1] zou afnemen. [verweerster sub 1] heeft de samenwerking echter eenzijdig beëindigd, het ontwerp en prototype van [bedrijfsnaam 1] door een derde laten namaken en produceren en de tenten vervolgens in gebruik genomen. Zij exploiteert nu minimaal 60 tenten met de namen (luxe) Barntent en (luxe) Farmtent, die nagenoeg identiek zijn aan de door [bedrijfsnaam 1] ontworpen tent. Door zo te handelen pleegt [verweerster sub 1] wanprestatie en maakt zij inbreuk op de aan [eiseres] toekomende auteursrechten op de door [bedrijfsnaam 1] ontworpen tent en het prototype en/of handelt zij in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dit maakt dat [verweerster sub 1] de daardoor geleden schade moet vergoeden, ieder verder inbreukmakend handelen moet staken en aan de diverse nevenvorderingen moet voldoen. [eiseres] vindt dat ook de (indirect) bestuurders van [verweerster sub 1] daartoe veroordeeld moeten worden, omdat zij ook onrechtmatig hebben gehandeld. Volgens [eiseres] kan [verweerder sub 4] en [verweerster sub 5] via hun beheervennootschappen van dit handelen en nalaten van [verweerster sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, omdat zij [bedrijfsnaam 1] welbewust op deze wijze hebben gebruikt voor eigen gewin. [eiseres] stelt verder dat [bedrijfsnaam 2] B.V. bij overeenkomst alle vorderingen van [bedrijfsnaam 1] op [verweerster sub 1] heeft overgenomen van [bedrijfsnaam 1] en dat [bedrijfsnaam 2] B.V. deze op haar beurt heeft overgedragen op [eiseres] . [eiseres] was al houder van alle IE-rechten van [bedrijfsnaam 1] . Dit maakt dat zij gerechtigd is deze vorderingen jegens [verweerster sub 1] c.s. in te stellen, aldus [eiseres] .

3.3.

[verweerster sub 1] c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten ex 1019h Rv en de nakosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Formele verweren

4.1.

[verweerster sub 1] c.s. heeft een aantal formele verweren opgeworpen. Volgens [verweerster sub 1] c.s. zijn de vorderingen van [bedrijfsnaam 1] op [verweerster sub 1] niet rechtsgeldig overgedragen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. Dit omdat de voor de levering vereiste mededeling aan [verweerster sub 1] op de dag van faillietverklaring van [bedrijfsnaam 1] nog niet was gedaan en de levering op grond van artikel 35 lid 1 Fw daardoor niet meer geldig kan plaatsvinden. Verder is volgens [verweerster sub 1] c.s. niet gebleken dat de eventuele auteursrechten van [bedrijfsnaam 1] op het definitieve ontwerp rechtsgeldig zijn overgedragen op [eiseres] . Evenmin is gebleken dat de destijds bij [bedrijfsnaam 1] werkzame freelancers hun eventuele auteursrechten hebben overgedragen aan [bedrijfsnaam 1] . Overigens kan er volgens [verweerster sub 1] c.s. hooguit sprake zijn van een gezamenlijk auteursrecht van [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] en in dat geval mocht [bedrijfsnaam 1] haar gedeelte niet zonder toestemming van [verweerster sub 1] overdragen.

4.2.

[eiseres] heeft verzocht om bij akte te mogen reageren op het (voor het eerst) ter zitting gedane beroep op artikel 35 Fw. [verweerster sub 1] c.s. heeft daartegen bezwaar gemaakt.

4.3.

De rechtbank kiest er voor om al deze formele verweren buiten beschouwing te laten en direct over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Daarvoor is redengevend dat áls van (een van) de genoemde formele gebreken sprake zou zijn, deze naar verwachting met het oog op een hoger beroep hersteld kunnen worden en partijen mede daarom nu het meest gebaat zijn bij een inhoudelijk oordeel.

Kern van de zaak

4.4.

Het geschil van partijen gaat in de kern over de vraag (1) aan wie de auteursrechten toekomen op het definitieve ontwerp en het daarvan gemaakte prototype van de Barntent, (2) of het interieurontwerp auteursrechtelijke bescherming toekomt en, zo ja, of [verweerster sub 1] c.s. daarop inbreuk maakt en (3) welke afspraken er golden tussen [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] in het kader van hun samenwerking. De rechtbank zal hierna op deze vragen ingaan aan de hand van de stellingen van partijen en concluderen dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen.

Auteursrechten op het definitieve ontwerp en mogelijke inbreuk daarop

4.5.

Naar vaste rechtspraak is voor auteursrechtelijke bescherming vereist dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Dit betekent dat het werk niet ontleend mag zijn aan een ander werk en dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard dan ook valt aan te wijzen. De keuzes van de maker mogen bovendien niet louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze. Het feit dat het werk voldoet aan technische en functionele eisen laat onverlet dat de ontwerpmarges of keuzemogelijkheden zodanig kunnen zijn dat voldoende ruimte bestaat voor creatieve keuzes van de maker die een werk in auteursrechtelijke zin kunnen opleveren. Verder geldt dat ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen een (oorspronkelijk) werk kan zijn, mits die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt.

4.6.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op het auteursrecht op een gebruiksvoorwerp als de onderhavige tenten (buitenzijde en interieur), moet beoordeeld worden in welke mate de totaalindrukken van het beweerdelijk inbreukmakende product en het beweerdelijk nagebootste werk overeenstemmen en in hoeverre deze overeenstemming het resultaat is van het overnemen van de auteursrechtelijk beschermde (combinatie van) elementen of trekken van het werk. Van een inbreukmakende bewerking is sprake indien een voldoende mate van overeenstemming bestaat tussen het auteursrechtelijk beschermde werk en het beweerdelijk inbreukmakende product.

4.7.

Voor wat betreft het uiterlijk van de tent (de buitenzijde) staat tussen partijen niet ter discussie dat aan het definitieve ontwerp en het daarvan gemaakte prototype van de Barntent auteursrechtelijke bescherming toekomt, omdat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft als gevolg van tijdens het ontwerpproces gemaakte creatieve keuzes. Zij verschillen van mening over de vraag wie de auteursrechthebbende daarop is en in het verlengde daarvan over de vraag of er inbreuk wordt gemaakt op aan [eiseres] toekomende auteursrechten in dat verband. [eiseres] stelt dat alle karakteristieke eigenschappen van het definitieve ontwerp door [bedrijfsnaam 1] zijn bedacht, ontworpen/getekend en gebouwd, waardoor zij als maker de auteursrechten daarop heeft verkregen. Door overdracht van die rechten is [eiseres] de auteursrechthebbende geworden. Volgens [eiseres] maakt [verweerster sub 1] inbreuk op deze auteursrechten, omdat de door [verweerster sub 1] op de markt gebrachte tenten dezelfde karakteristieke eigenschappen vertonen als het definitieve ontwerp en het prototype en exact dezelfde totaalindruk wekken. Voor wat betreft het interieurontwerp stelt [eiseres] dat dit auteursrechtelijke bescherming toekomt en dat [verweerster sub 1] c.s. daarop inbreuk maakt. Ook deze auteursrechten zijn volgens [eiseres] aan haar overgedragen.

4.8.

[verweerster sub 1] c.s. betwist dit. Zij stelt dat [verweerster sub 1] zelf alle essentiële vormgevingskeuzes heeft gemaakt en dat het definitieve ontwerp tot stand is gebracht naar het ontwerp en onder leiding en toezicht van [verweerster sub 1] , zodat zij de auteursrechthebbende daarop is. [bedrijfsnaam 1] had volgens haar geen andere rol dan het uittekenen van de door [verweerster sub 1] bedachte ontwerpen. Verder voert [verweerster sub 1] c.s. onder meer als verweer aan dat veel van de door [eiseres] genoemde elementen niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, omdat zij noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van een technisch/functioneel effect en/of al aanwezig waren in de bestaande tenten van [verweerster sub 1] , en dat de door [verweerster sub 1] geëxploiteerde tenten op onderdelen duidelijk afwijken van het definitieve ontwerp van [bedrijfsnaam 1] . Voor wat betreft het interieurontwerp betwist [verweerster sub 1] c.s. dat daarop auteursrechtelijke bescherming rust en dat zij daarop inbreuk maakt.

Buitenzijde Barntent

4.9.

De rechtbank zal eerst ingaan op de vormgeving van de buitenzijde van de Barntent, zoals kenbaar uit de overgelegde computertekeningen van het definitieve ontwerp (productie 24 [verweerster sub 1] c.s., zie ook 2.9.) en foto’s van het prototype (onder meer productie 35 [verweerster sub 1] c.s., p. 5).

4.10.

Deze buitenzijde kenmerkt zich volgens partijen door de volgende auteursrechtelijk beschermde trekken:

1. de kleuren en kleurcombinatie(s),

2. de vormgeving en positionering van de ramen,

3. het tussen de constructiepalen/het frame geplaatste tentdoek,

4. het a-symmetrische dak met de uit het lood geplaatste nok,

5. de luifel die is bevestigd aan twee schuine, op de hoeken van de veranda geplaatste palen.

4.11.

[eiseres] heeft daarnaast nog andere elementen benoemd betreffende de uitklapbare constructie, de maatvoering en het materiaalgebruik. Deze komen evenwel niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking, omdat zij louter technisch en functioneel bepaald zijn en/of niet oorspronkelijk of creatief te noemen zijn, mede vanwege de vormgeving van de toen al bestaande tenten van [verweerster sub 1] en de door haar eerder ontworpen Cabin Lodge, en zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten.

4.12.

De rechtbank vindt dat [eiseres] onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat [bedrijfsnaam 1] als de auteur van de onder 1-5 genoemde elementen heeft te gelden. Dit zal hierna worden toegelicht.

4.13.

[eiseres] erkent dat de gebruikte kleuren en kleurcombinaties(s) conform de wens van [verweerster sub 1] gelijk zijn aan die van de toen al bestaande tenten van [verweerster sub 1] . Dit betreft dus geen eigen vormgevingskeuze van [bedrijfsnaam 1] .

4.14.

Ten aanzien van de vormgeving en de positionering van de ramen geldt dat op basis van de stukken en de door partijen gegeven toelichting daarop moet worden geconcludeerd dat dit evenmin een eigen vormgevingskeuze van [bedrijfsnaam 1] is geweest. De ramen zoals die in het definitieve ontwerp voorkomen, zijn pas zo in de ontwerptekeningen van [bedrijfsnaam 1] gekomen naar aanleiding van instructies van [verweerster sub 1] . In haar e-mail van 17 december 2015 (productie 12 [eiseres] en productie 14 [verweerster sub 1] c.s.) met de daarbij gevoegde schetsen van [A] (zie ook 2.7.) geeft [verweerster sub 1] namelijk - kort gezegd - aan dat zij nog niet gelukkig is met de door [bedrijfsnaam 1] gemaakte ontwerptekeningen en dat zij qua ramen hetzelfde type ramen wil als in de bestaande tenten en dan grote, lage en brede (panorama)ramen bij het woongedeelte en het slaapgedeelte. Naar aanleiding van de daarop gemaakte ontwerptekeningen van [bedrijfsnaam 1] stelt [verweerster sub 1] in haar e-mails van 31 december 2015 voor om bij elkaar te komen en dan ter plekke in het tekenprogramma te bekijken wat er gebeurt als de ramen liggend worden gemaakt in plaats van staand. Uit de e-mail van [verweerster sub 1] van 5 januari 2016 (productie 18 [verweerster sub 1] c.s.) valt af te leiden dat [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] tijdens die meeting op 5 januari 2016 hebben besproken dat er twee grote ramen aan de voorzijde en twee grote ramen aan de zijkant bij het woongedeelte moeten komen van circa 1,5 m breed bij 1,1 m hoog op circa 30 cm vanaf de onderkant en in beide slaapruimtes één panoramaraam aan de zijkant. Dit is daarna in de ontwerptekeningen verwerkt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan [eiseres] daarom niet worden gevolgd in haar stelling dat [bedrijfsnaam 1] leidend en beslissend is geweest bij het maken van deze keuzes.

4.15.

Met betrekking tot het tussen de constructiepalen/het frame geplaatste tentdoek moet dezelfde conclusie worden getrokken. Ook dit element is in de ontwerptekeningen opgenomen na instructie daartoe van [verweerster sub 1] . In diezelfde e-mail van 17 december 2015 geeft [verweerster sub 1] namelijk aan dat zij een sterke voorkeur heeft om bij de zijwanden het tentdoek niet tegen het hout te plaatsen, maar tussen het hout, zodat aan de buitenkant het stoere houten frame zichtbaar blijft en vraagt of dat mogelijk is. Deze instructie volgt ook uit de schetsen van [A] . Vervolgens heeft [bedrijfsnaam 1] dit in de tekeningen verwerkt.

4.16.

Ten aanzien van het a-symmetrische dak met de uit het lood geplaatste nok stelt de rechtbank het volgende vast. Onbetwist staat vast dat de vorm van het dak van het definitieve ontwerp voor het eerst voorkomt op de schetsen van [A] bij de e-mail van [verweerster sub 1] van 17 december 2015. In die e-mail geeft [verweerster sub 1] aan dat zij niet blij is met het dak zoals dat uit de op dat moment gemaakte ontwerptekeningen blijkt, maar wel warm wordt van het a-symmetrische dak zoals dat door [A] is geschetst. De vorm van dat dak (schuin aflopend waarbij een deel/zijde lager hangt) is afgeleid van de vorm van een rieten dak (zie de bij de schetsen gevoegde foto’s daarvan). [verweerster sub 1] vraagt of zo’n vorm voor het dak mogelijk is. Tijdens de meeting op 5 januari 2016 hebben [verweerster sub 1] en [bedrijfsnaam 1] geprobeerd in het tekenprogramma het door [verweerster sub 1] gewenste dak te construeren, rekening houdend met de andere wensen van [verweerster sub 1] , waaronder een bepaalde dakhelling en overstek en overkapping van de veranda. Om dat te realiseren bleek het nodig om de nok te verschuiven. Uit de e-mail van [verweerster sub 1] van 5 januari 2016 valt af te leiden dat zij toen hebben besproken dat het dak a-symmetrisch moet worden, aan de zijde van de eetkamer maximaal 1.35 m boven de grond eindigend, en dat het wenselijk is dat minimaal 50% van de veranda wordt overkapt door het dak. Dit heeft [bedrijfsnaam 1] daarna verder uitgewerkt in de ontwerptekeningen. Zowel de keuze voor het a-symmetrisch dak als de daarvoor noodzakelijke keuze tot het uit het lood plaatsen van de nok zijn dus geen zelfstandige vormgevingskeuzes van [bedrijfsnaam 1] .

4.17.

Met betrekking tot de luifel, die is bevestigd aan twee schuine, op de hoeken van de veranda geplaatste palen stelt de rechtbank tot slot het volgende vast. Onbetwist staat vast dat ook de twee naar voren hellende luifelpalen op de uiterste hoeken van de veranda, voor het eerst voorkomen op de schetsen van [A] . Op de ontwerptekeningen volgend op de bespreking van 5 januari 2016 is de luifel aan de linker voorzijde onderaan recht getekend en aan de rechter voorzijde aflopend in een punt, die is bevestigd aan een schuin naar voren hellende luifelpaal. Uit de e-mail van [verweerster sub 1] van 1 februari 2016 (productie 23 [verweerster sub 1] c.s.) volgt dat [verweerster sub 1] en [bedrijfsnaam 1] tijdens een overleg op 29 januari 2016 hebben besproken dat deze losse dakpunt constructief niet mogelijk was, omdat deze te veel wind zou gaan vangen, en dat [bedrijfsnaam 1] voorstellen zal doen om dit aan te passen. [bedrijfsnaam 1] heeft daarop de ontwerptekeningen aangepast. In het definitieve ontwerp is de luifel a-symmetrisch als gevolg van de uit het lood geplaatste nok, aan de gehele voorzijde onderaan recht, en bevestigd aan twee, op de hoeken van de veranda schuin geplaatste palen. Nu de schuine palen en het a-symmetrische van de luifel zijn ontleend aan de schetsen van [A] en de punt om technische redenen uit het ontwerp is gehaald, valt niet in te zien welke creatieve arbeid [bedrijfsnaam 1] dan nog heeft verricht.

4.18.

Gelet op het vorenstaande kan [eiseres] zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden gevolgd in haar stelling dat de rol van [bedrijfsnaam 1] tijdens het creatieve ontwerpproces leidend en beslissend is geweest en dat alle vijf auteursrechtelijk beschermde trekken (zie 4.10.) het resultaat zijn van creatieve keuzes van [bedrijfsnaam 1] .

Binnenzijde Barntent

4.19.

De rechtbank zal nu ingaan op het interieurontwerp van de Barntent, zoals kenbaar uit de overgelegde tekeningen van het definitieve ontwerp (onder meer productie 41 [eiseres] bijlage A7, A8 en A13 en productie 24 [verweerster sub 1] c.s.) en foto’s van het prototype (onder meer productie 41 [eiseres] bijlage A5 en A6 en productie 37 [verweerster sub 1] c.s. p. 9, 10, 20 bovenste drie foto’s en 21 bovenste drie foto’s).

4.20.

Voor zover [eiseres] op dit punt verwijst naar andere door [bedrijfsnaam 1] gemaakte ontwerptekeningen en schetsen van de binnenzijde, gaat de rechtbank daaraan voorbij, nu alleen ter beoordeling voorligt of inbreuk is gemaakt op auteursrechten op het interieur van het definitieve ontwerp en het prototype van de Barntent.

4.21.

[eiseres] stelt dat aan het interieurontwerp als geheel auteursrechtelijke bescherming toekomt vanwege de navolgende kenmerkende elementen daarvan:

a. de specifieke verdeling in zes ruimtes en de specifieke verdeling van die ruimtes in verhouding en maatvoering: 1) open keuken aan de entreezijde, 2) een toilet (en bij een aantal tenten ook een bad) en wasruimte achter die open keuken, 3) en 4) twee zit- en eetruimtes respectievelijk links en rechts van de entree, 5) en 6) twee slaapruimtes links en rechts achter de zit- en eetruimtes,

b. de specifieke verdeling van de ruimte, waarbij de aan de rechterwand geplaatste keuken aan de voorzijde ongeveer 50% uitsteekt en daarmee vrij in de entreeruimte staat,

c. de specifieke verdeling van de ruimte, waarbij vanaf de voorzijde gezien, de linkerzijde van de keukenruimte wordt gevormd door een wand die verbonden is met en daardoor gelijk loopt aan de nok,

d. de inrichting van de keuken, waarbij de wasbak en de kraan links op het aanrechtblad zijn geplaatst en het gasfornuis rechts, en schuin links boven de wasbak en kraan twee plankjes aan de muur zijn bevestigd,

e. de plaatsing van de (gas)kachel op de kop van het aanrecht aan de voorwand van de keuken,

f. de wijze van plaatsing en inrichting van toilet/badkamer (al dan niet met bad), te bereiken via een deur aan de linkerzijde in de achterwand van de keuken,

g. de inrichting en bestemming van de ruimtes waarbij de achterste ruimtes links en rechts een slaapvertrek is, in het middendeel de keuken met daarachter toilet/badkamer en in de voorste ruimtes rechts de eethoek en links de zitruimte,

h. de binnenwanden die alle van tentdoek zijn, met uitzondering van het dak dat aan de binnenzijde is voorzien van houten (dak)platen, waarover het tentdoek aan de buitenzijde heen loopt,

j. planken als vloerbedekking, wandafscheiding en omlijsting van het keukenblok.

4.22.

[verweerster sub 1] c.s. bestrijdt dit. Volgens haar zijn de keuzes bij de indeling en inrichting in hoge mate technisch en functioneel bepaald, omdat de keuken en de badkamer in het middenstuk moeten om het inklappen van de constructie mogelijk te maken en de binnenruimte beperkt is, en is niet gebleken van eigen creativiteit van [bedrijfsnaam 1] bij de gemaakte keuzes.

4.23.

Het antwoord op de vraag of het interieur van het definitieve ontwerp gelet op de door [eiseres] genoemde elementen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, kan in het midden blijven. Voor zover al kan worden aangenomen dat aan de combinatie van die elementen auteursrechtelijke bescherming toekomt gelet op het technische/functionele karakter daarvan, kan de gestelde inbreukmakende bewerking niet worden aangenomen. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.24.

[verweerster sub 1] c.s. heeft uitgebreid toegelicht en onderbouwd dat de door haar geëxploiteerde Barntent en Farmtent qua interieur verschillen van het definitieve ontwerp en het prototype. Aan de hand van een vergelijking van de overlegde foto’s van het prototype en van de door [verweerster sub 1] geëxploiteerde Barntent (productie 37 [verweerster sub 1] c.s., p 20 en 21) stelt de rechtbank vast dat de Barntent van [verweerster sub 1] in tegenstelling tot het prototype een keuken heeft met dichte kastjes en een ander aanrechtblad en verder een andere wandafwerking in toilet/badkamer, een ruime en in het oog springende slaapzolder met een overstek leunend op berkenstammen en met een uitvalrek, een tweepersoonsbed in de rechter slaapruimte en een stapelbed in de linker slaapruimte, een andere trap naar de slaapzolder, die op een andere plek is geplaatst, en een andere houten vloer. Nu de door [eiseres] genoemde elementen niet één op één zijn overgenomen, maar er op deze wijze andere keuzes zijn gemaakt, wekt het interieur van de Barntent van [verweerster sub 1] een andere totaalindruk dan het interieur van het prototype.

4.25.

[verweerster sub 1] c.s. heeft voorts toegelicht dat de indeling van haar Farmtent verschilt van die van haar Barntent, onder meer omdat de Farmtent geen slaapzolder en geen bad heeft. De Farmtent heeft in plaats daarvan een extra stapelbed, dat op de plaats van de badkuip is gerealiseerd, door een deel van de badkamer bij de kinderkamer te betrekken. Dit is door [eiseres] niet weersproken. Gelet op deze extra verschillen die in de Farmtent zijn aangebracht, moet worden aangenomen dat ook het interieur van de Farmtent een andere totaalindruk wekt dan het interieur van het prototype.

4.26.

Dit alles maakt dat de vorderingen van [eiseres] die zijn gegrond op auteursrechtinbreuk door [verweerster sub 1] moeten worden afgewezen.

Samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] en de beëindiging daarvan

4.27.

Partijen twisten over de vraag welke afspraken er golden tussen [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] in het kader van hun samenwerking en in het verlengde daarvan over de vraag of [verweerster sub 1] wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig tegenover [bedrijfsnaam 1] heeft gehandeld door de samenwerking na de oplevering en betaling van het prototype te beëindigen. [eiseres] stelt dat [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] een overeenkomst zijn aangegaan tot het vervaardigen en leveren door [bedrijfsnaam 1] van een prototype van een luxe mobiele tent én tot het produceren en leveren van minimaal 40 van die tenten tegen afname en betaling daarvan door [verweerster sub 1] . Volgens [eiseres] heeft [verweerster sub 1] de samenwerking zonder redelijke grond ineens beëindigd en daarmee ten onrechte de serieproductie aan [bedrijfsnaam 1] ontzegd en is [verweerster sub 1] daarom schadeplichtig.

4.28.

[verweerster sub 1] c.s. erkent dat er een overeenkomt is gesloten tot het ontwikkelen en leveren van een prototype, maar betwist dat de overeenkomst verder ging dan dat. Volgens haar heeft [verweerster sub 1] alleen de intentie uitgesproken om, onder de opschortende voorwaarde dat het prototype-project zou aantonen dat de tenten met de gestelde specificaties binnen de door [verweerster sub 1] gestelde financiële kaders en tijdspannen door [bedrijfsnaam 1] gefabriceerd zouden kunnen worden, 40 tenten te bestellen. In april 2016 bleek dat niet aan deze voorwaarden kon worden voldaan. Gelet daarop stond het [verweerster sub 1] vrij om de overeenkomst c.q. samenwerking te beëindigen, aldus [verweerster sub 1] c.s.

4.29.

Als uitgangspunt geldt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Of sprake is van wilsovereenstemming tussen partijen over de essentialia van een overeenkomst, hangt af van wat zij hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Een aanvaarding die van het aanbod afwijkt, geldt als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke aanbod. Dit is anders als het slechts op ondergeschikte punten afwijkt. Dan geldt dit aanbod als aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig deze aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de verschillen.

4.30.

Vast staat dat [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] overeenstemming hebben bereikt over het bouwen van een prototype van de mobiele tent tegen betaling van € 34.450,00 exclusief btw. Dit blijkt uit de e-mailwisseling tussen [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] op 17 december 2015 (producties 11 en 12 [eiseres] en productie 13 [verweerster sub 1] c.s.). [eiseres] stelt dat uit dezelfde e-mailwisseling blijkt dat zij ook overeenstemming hebben bereikt over het bouwen en afnemen van minimaal 40 tenten na goedkeuring van het prototype. De rechtbank volgt [eiseres] daarin niet om de volgende redenen.

4.31.

[bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] hebben geen schriftelijke overeenkomst ondertekend ter vastlegging van gemaakte afspraken. Uit de overgelegde stukken blijkt dat zij wel van plan waren om een contract met elkaar te sluiten en dat zij hebben gecommuniceerd over de inhoud daarvan en tekstvoorstellen hebben gedaan. [verweerster sub 1] beschrijft in haar e-mail van 9 december 2015 (productie 10 [eiseres] ) met het oog op het sluiten van een deal wat voor haar belangrijk is qua contract en voorwaarden en in haar e-mail van 15 december 2015 (productie 11 [verweerster sub 1] c.s.) herhaalt zij dit in de vorm van een tekstvoorstel waarin onder meer staat:

“(…)

Contract en voorwaarden:

- Prototype mag max € 25.000 kosten (compleet, dus ook inrichting).

- Wij betalen 10k bij opdracht en 15k bij oplevering.

- Levering prototype 15/1/2016.

- Het prototype moet gaan uitwijzen wat de cabin maximaal gaat kosten (open calculatie) maar mag

zeker niet meer kosten dan € 17.250 per cabin, ex meubels. Inclusief bovengenoemde meubels is

het budget dus maximaal € 18.500.

- Mocht het prototype niet voldoen aan gestelde eisen en budget dan zien we af van verdere bouw

in serie.

- We sluiten een contract met minimale afname van 40 stuks in 24 maanden tijd. (…) De 1e 20 hebben we wel

1/4/2016 nodig.

(…)”

4.32.

[bedrijfsnaam 1] schrijft in reactie daarop in haar e-mail van 16 december 2015 (productie 13 [verweerster sub 1] c.s.):

“(…)

Ik heb jullie voorstel gezien en hierbij mijn voorstel.

Het prototype bied ik aan voor 34,450,00 euro excl BTW. In dit model zitten alle ontwerp- en engineeringskosten. Inmiddels is er een schetsontwerp gemaakt. Bij goedkeuring zal het definitieve ontwerp gemaakt worden en zal een engineer een maand de tijd nodig hebben om alle berekeningen klaar te maken. (…)

Ik zie geen aanleiding om korting te geven zonder enige onderbouwing. Mijn onderbouwing is dat ik geen euro verdien aan het prototype terwijl ik geen enkele zekerheid krijg.

Voor het prototype accepteer ik de aanbetaling van 40% bij opdracht en 60% bij levering. Dit is voor ons een overzichtelijk risico.

Het prototype kan ik gespecificeerd offreren nadat deze is opgeleverd. Dit zal per groep of items gespecificeerd worden zodat enig inzicht over de kostenopbouw mogelijk is.

Het prototype is niet mogelijk voor 16 januari 2016 te leveren. Gezien de feestdagen zijn de laatste 2 weken van dit jaar niet te gebruiken om te produceren. Zodra we goedkeuring hebben voor het prototype kunnen binnen 40 a 50 dagen pas een prototype. Dit is een inschatting omdat de betrokken leveranciers geen planning af kunnen geven terwijl er nog geen definitief ontwerp is.

De 40 cabines verwachten we niet meer dan 17.250,00 euro excl BTW gaan kosten. Om dit zeker te weten maken we een prototype en daarom kan ik er geen zekerheid over verschaffen. (…)”

4.33.

[bedrijfsnaam 1] schrijft dan in haar e-mail van 17 december 2015 voor zover relevant:

“(…)

Gisteren met [voornaam van verweerster sub 5] (rb: [verweerster sub 5] ) gesproken en hierbij het voorstel van het prototype en de 40 cabines.

(…)

De huidige calculatie van het prototype loopt al voorbij de 43.500,00 euro excl BTW. Als onze vaste kosten worden hierin opgevangen anders kunnen we de 40 cabines niet scherp aanbieden.

(…)

Het prototype zoals bijgevoegd kunnen we aanbieden zonder interieur voor 34.450,00 euro excl BTW. Het interieur zoals opgegeven kunnen we voor dit prototype voor 1.580,00 euro excl BTW.

(…)

Voor de 40 cabine’s wil ik een intentieverklaring verklaring opstellen. Hierbij verwacht ik dat bij de goedkeuring van het prototype de 40 cabine’s afgenomen worden.

De betaling graag hetzelfde als het prototype 40 / 60 verhouding waarbij we maximaal per 4 uitleveren (2 trailers per keer). Dan kan onze projectleider per batch de voortgang controleren en waar nodig bijsturen. De intentieverklaring heb ik niet op de plank liggen dus wellicht kunnen jullie hiervoor een voorstel doen.

Ons voorstel is om een soort bouwdepot te storten bij een bank. Wanneer er 4 cabine’s besteld worden kan de aanbetaling gedaan worden van 40% en bij het vervoeren van 4 cabine’s kan de 60% betaald worden. Gezien de grootte van de opdracht en het snuffelstadium waarin we verkeren lijkt me het idee van een bouwdepot wenselijk.

(…)”

4.34.

[verweerster sub 1] geeft in haar reactie daarop aan dat zij nog niet gelukkig is met het ontwerp (zie 2.6., het ontwerp op de tekeningen van december 2015). Zij geeft concrete instructies over wat zij anders wil onder verwijzing naar de door haar bijgevoegde schetsen van [A] (zie 2.7.). Verder schrijft zij:

“(…)

Zoals we van de week al aangaven zijn we er dus nog niet uit wat betreft het uiterlijk: dak en wanden. We moeten hiervoor meer tijd inruimen zonder dat we de bouw van het prototype willen vertragen.

Ons voorstel is dan ook dat we starten met het prototype en het definitief akkoord van ontwerp van het dak en de wanden nog even uitstellen tot begin januari.

We willen graag langs deze weg dan ook ons akkoord geven op het bouwen van een compleet prototype voor

€ 34.450 inclusief badkamer, keuken, bank en eettafel en exclusief overige meubels. Als jij verwacht dat onze schets een heel andere constructie en kostenplaatje gaat opleveren, laat het ons dan even weten want dan kunnen we dus nog niet van start of moeten we aangepaste afspraken maken zodat je wel kunt beginnen met het skelet en we het ontwerp van dak en wanden nog een paar weken uitstellen.

(…)

Afspraken

We willen dus wel zsm starten met bouw prototype. Daarmee bedoelen we het engineren van het houten skelet en de bouw van het skelet.

We zouden graag zien dat het prototype 1 februari gereed is en de 1e 16 stuks dan half april geleverd kunnen worden.

Ook spreken we hierbij de intentie uit om, na accoord prototype, een serie van 40 stuks te laten produceren voor een prijs van maximaal € 17.500 per stuk inclusief badkamer, keuken, eettafel, bank en salontafel (exclusief overige meubels). Deze 40 stuks zullen tussen 1/4/2016 en 1/4/2017 worden afgenomen. Je voorgestelde betalingscondities zijn wat ons betreft accoord, net als een bankdepot.

(…)”

4.35.

Op basis hiervan kan niet worden geconcludeerd dat er (ook) sprake was van overeenstemming over het bouwen en leveren van 40 tenten door [bedrijfsnaam 1] tegen betaling door [verweerster sub 1] . In haar tekstvoorstel van 15 december 2015 benoemt [verweerster sub 1] onder andere dat de tent in serie zonder meubels maximaal € 17.250,00 exclusief btw mag gaan kosten, dat de eerste 20 tenten 1 april 2016 klaar moeten zijn en dat als het prototype niet voldoet aan de gestelde eisen en budget zij afziet van verdere bouw in serie. In haar reactie geeft [bedrijfsnaam 1] aan dat de prijs naar verwachting niet meer dan € 17.250,00 exclusief btw zal gaan bedragen, maar dat zij pas na oplevering van het prototype gespecificeerd kan offreren, dat het prototype niet voor 16 januari 2016 klaar zal zijn, omdat zij na goedkeuring van het definitieve ontwerp naar verwachting pas na 40 à 50 dagen een prototype kan opleveren en dat zij een intentieverklaring wil opstellen, inhoudende dat bij goedkeuring van het conform het programma van eisen opgeleverde prototype 40 tenten afgenomen zullen worden. [verweerster sub 1] gaat daarop akkoord met de bouw van een prototype voor € 34.450,00 exclusief btw, bij voorkeur te leveren op

1 februari 2016, maar geeft daarbij aan dat het ontwerp op dat moment nog niet aan haar wensen voldoet en waarom. Zij spreekt daarna de intentie uit om na akkoord van het prototype een serie van 40 stuks te laten produceren voor maximaal € 17.250,00 per stuk en deze tussen 1 april 2016 en 1 april 2017 af te zullen nemen. Dit betekent dat er van overeenstemming tussen [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] over de essentialia van de overeenkomst tot serieproductie, waartoe de specificaties van de tent, de prijs en de levertijd behoren, nog geen sprake was.

4.36.

Dan blijft over de vraag of [bedrijfsnaam 1] er in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de vervolgopdracht tot het produceren van minimaal 40 tenten er zou komen, zoals [eiseres] stelt en [verweerster sub 1] c.s. betwist. De rechtbank vindt van niet, omdat uit de overgelegde stukken valt af te leiden dat het voor [bedrijfsnaam 1] duidelijk was, althans had behoren te zijn, dat het niet zeker was dat die overeenkomst tot stand zou komen gelet op de door [verweerster sub 1] daaraan gestelde voorwaarden. Dit zal hierna worden toegelicht.

4.37.

Na de e-mailwisseling in december 2015 is [bedrijfsnaam 1] in samenwerking met [verweerster sub 1] verder gegaan met het maken van ontwerptekeningen en dit heeft geleid tot de tekeningen van het definitieve ontwerp (zie 2.7. en 2.8.). Vast staat dat [bedrijfsnaam 1] pas tijdens een bespreking op 19 februari 2016 voor het eerst heeft gemeld dat de prijs van die tent in serieproductie € 31.800,00 zal gaan bedragen exclusief meubelen en tentdoek. In haar e-mail van 22 februari 2016 (productie 19 [eiseres] ) schrijft [verweerster sub 1] daarover:

“(…)

Het zal je duidelijk zijn dat een budget overschrijding van € 13.000 (72%!!) niet acceptabel is (31,8k ipv 18,6k incl meubelen) is en we voor dit bedrag geen order gaan plaatsen.

(…)

Er zullen nog flink wat kostprijsverlagingen moeten worden doorgevoerd voordat we überhaupt een order gaan plaatsen.

(…)”

en haar e-mail van 23 februari 2016 (productie 29 [verweerster sub 1] c.s.):

(…)

Hierbij bevestig ik nog even ons telefoongesprek van gisterenavond.

(…)

Voor de productie van de serie krijgen we een prijscalculatie van alle onderdelen van de

tent waarbij de werkelijke kostprijs wordt getoond (dus zonder marge en bedrijfskosten

e.d.). Dus de pure kostprijs van de tent. Het heeft pas zin om deze te maken als het

prototype af is en jullie alle kosten inzichtelijk hebben. Dus dat heeft nu geen haast.

Zodra je die calculatie af hebt (hopelijk begin volgende week) kunnen we deze bekijken en

op zoek gaan naar besparingen. Totdat we daar met elkaar uit zijn en het prototype

hebben gezien en getest, gaan we nog geen order plaatsen. Dat betekent dat de productie

nog niet opgestart kan worden.

In haar reactie daarop schrijft [bedrijfsnaam 1] :

“Het is helder dat er dan pas een order of geen order geplaatst kan worden.”

en over de door [verweerster sub 1] gewenste oplevertermijn:

“Of we nu de deadline halen weet ik niet. Het vraagt nogal e.e.a. om binnen 2 maanden 16 Cabin’s te produceren en vooral met hoger tempo. Het is niet onmogelijk maar ook geen gelopen race.”

4.38.

In de periode maart/april 2016 heeft [bedrijfsnaam 1] een eerste versie van het prototype opgeleverd en daarna aangepaste versies, omdat het prototype nog niet voldeed. In haar e-mail van 13 april 2016 (productie 30 [eiseres] ) schrijft [verweerster sub 1] onder andere:

“(…)

Het prototype zoals op 7 april geplaatst op [.] voldoet niet aan de

verwachtingen. In het algemeen denk ik dat het traject voor beide partijen een

behoorlijke tegenvaller is, in tijd en in geld. Er zijn nog veel open einden die niet in

prototype zijn opgelost maar die jij in de serie wilt oplossen. Dat risico is voor ons te

groot. We willen de belangrijkste punten, waaronder op- en afbreektijd, eerst in

prototype gezien hebben alvorens de serie te starten.

Naar ons gevoel staan we op een breekpunt in onze “samenwerking”. (…)

We zien grofweg 2 mogelijkheden:

1. stoppen

2. een laatste poging voor ons om enerzijds “10 mooie Barntenten voor 1 juli te krijgen

en de mogelijkheid deze zelf rustig verder te bekijken/ontwikkelen/produceren”, met

anderzijds voor jou een “financiële compensatie en ik denk veel minder stress”

(…)”

[verweerster sub 1] en [bedrijfsnaam 1] hebben vervolgens over en weer voorstellen gedaan over hoe verder te gaan en elkaar per e-mail verschillende concept (intentie)overeenkomsten toegestuurd. Zij hebben echter geen overeenstemming bereikt over de inhoud van de te sluiten overeenkomst. Eind april heeft [verweerster sub 1] gemeld dat het prototype goed is voor nu en betaald zal worden en daarna dat zij niet verder zal gaan met [bedrijfsnaam 1] .

4.39.

Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [verweerster sub 1] diverse malen heeft aangegeven dat nog niet aan de door haar gestelde voorwaarden qua eisen en wensen, planning en budget werd voldaan en dat daarom nog geen opdracht werd gegeven voor de serieproductie. Uit de reacties van [bedrijfsnaam 1] blijkt dat zij bekend was met de door [verweerster sub 1] gestelde voorwaarden en dat zij zich ervan bewust was dat de mogelijkheid bestond dat er uiteindelijk toch geen order voor 40 tenten zou worden geplaatst. Uit niets blijkt dat [verweerster sub 1] de door haar gestelde voorwaarden op enig moment heeft losgelaten, zoals [eiseres] stelt. [bedrijfsnaam 1] mocht er daarom niet vanuit gaan dat na het akkoord op het definitief ontwerp en de oplevering van een werkbaar prototype, automatisch de productieopdracht van die tent door [bedrijfsnaam 1] zou volgen. Voor [verweerster sub 1] waren immers ook de prijsstelling en de tijdsplanning van cruciaal belang. In hun onderhandelingen hebben [bedrijfsnaam 1] en [verweerster sub 1] uiteindelijk geen overeenstemming weten te bereiken over de essentialia van de overeenkomst tot het in serie laten produceren van het opgeleverde prototype. Met name de door [bedrijfsnaam 1] berekende prijs was voor [verweerster sub 1] niet acceptabel, omdat deze ver uitsteeg boven het door [verweerster sub 1] gestelde prijsmaximum. Vast staat dat [bedrijfsnaam 1] pas in februari 2016 aan [verweerster sub 1] heeft gemeld dat de prijs van de tent in serieproductie veel hoger zou worden. Dit terwijl [verweerster sub 1] in december 2015 aan [bedrijfsnaam 1] had gevraagd het te laten weten als de schetsen van [A] zouden leiden tot een heel andere constructie en kostenplaatje. Gelet hierop kon [bedrijfsnaam 1] er niet vanuit gaan dat een hogere prijs zonder meer akkoord zou zijn. Ook kan [verweerster sub 1] niet worden verweten dat zij de samenwerking niet eerder om die reden heeft beëindigd. Dit geldt te meer nu gebleken is dat [bedrijfsnaam 1] [verweerster sub 1] ook pas in februari 2016 heeft gemeld dat de door [verweerster sub 1] gewenste planning mogelijk niet gehaald zou worden. [verweerster sub 1] was dus niet eerder op de hoogte van overschrijdingen qua budget en levertijd. Dat [bedrijfsnaam 1] nu met aanzienlijke kosten blijft zitten en niets kan (terug)verdienen uit haar marges op de productietenten, komt in dit geval voor haar rekening en risico.

4.40.

Dit betekent dat de vorderingen van [eiseres] die zijn gegrond op wanprestatie en/of onrechtmatig handelen van [verweerster sub 1] ook moeten worden afgewezen.

Aansprakelijkheid (indirect) bestuurders van [verweerster sub 1]

4.41.

Nu het gestelde verwijtbare handelen en nalaten van [verweerster sub 1] niet is komen vast te staan, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de (indirect) bestuurders van [verweerster sub 1] aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad voor datzelfde handelen en nalaten van [verweerster sub 1] . Ook de daarop gegronde vorderingen moeten worden afgewezen.

Proceskosten

4.42.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [verweerster sub 1] c.s. vordert op de voet van artikel 1019h Rv veroordeling van [eiseres] in de volledige proceskosten. [verweerster sub 1] c.s. stelt onder verwijzing naar de door haar overgelegde specificatie dat de advocaatkosten die verband houden met werkzaamheden betreffende het IE-rechtelijke deel van deze procedure tot en met de mondelinge behandeling op 15 april 2019 € 32.793,75 exclusief btw bedragen. [eiseres] heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

4.43.

Nu deze procedure deels ziet op de handhaving en bescherming van intellectuele eigendomsrechten is artikel 1019h Rv van toepassing. Op grond van dat artikel wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten gaat de rechtbank uit van de door de rechtbanken gehanteerde Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017.

4.44.

In dit geval neemt de rechtbank als uitgangspunt het tarief behorend bij een normale bodemzaak inclusief re- en dupliek en pleidooi, van maximaal € 20.000,00. De omvang van het feitenonderzoek ten behoeve van de procedure zal weliswaar omvangrijk zijn geweest, hetgeen ook blijkt uit de aard en het aantal ingediende producties, en ook de met de zaak gemoeide financiële belangen van partijen zijn aanzienlijk. Maar daar staat tegenover dat de verschillende grondslagen van de vorderingen en het verweer daarop allemaal op hetzelfde feitencomplex zijn gebaseerd en met elkaar samenhangen. Dit maakt het tot een zaak van gemiddelde zwaarte.

4.45.

Volgens [eiseres] betreft het IE-rechtelijk deel van het geschil 50%, [verweerster sub 1] c.s. gaat uit van 75-80%. De rechtbank schat het IE-rechtelijk deel van het geschil (inbreuk auteursrechten) in redelijkheid op 65%. Dit betekent dat maximaal € 13.000,00 (65% van

€ 20.000,00) aan redelijke en evenredige proceskosten voor het IE-rechtelijk deel kan worden toegewezen. [verweerster sub 1] c.s. heeft niet onderbouwd waarom de door haar gevorderdere hogere kosten eveneens voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal daarom het bedrag van € 13.000,00 toewijzen. Voor het niet IE-rechtelijk deel van het geschil (wanprestatie / onrechtmatige daad) gaat de rechtbank uit van 35% van het toepasselijke reguliere liquidatietarief, hetgeen neerkomt op € 3.253,95 (35% van 3 punten x € 3.099,00 per punt). Daarbij komt nog het bedrag van € 3.946,00 dat [verweerster sub 1] c.s. aan griffierecht heeft betaald.

4.46.

De totale kosten aan de zijde van [verweerster sub 1] c.s. worden daarom begroot op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 16.253,95

Totaal € 20.199,95

4.47.

De nakosten, waarvan [verweerster sub 1] c.s. betaling vordert, zullen worden begroot op de wijze als is vermeld in 5.3.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van [verweerster sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 20.199,95,

5.3.

veroordeelt [eiseres] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [verweerster sub 1] c.s. volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 157,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen, indienbetekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.A. Schuman, J.P.H. van Driel van Wageningen en E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2019.