Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4132

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
UTR - 18 _ 2060
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek over het gas- en olievoorkomen bij veld Papekop, milieu-informatie, emissiegegevens

Artikel 10, vierde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur

Samenvatting:

Bij verweerder is een verzoek ingediend om alle documenten die betrekking hebben op het gas- en olievoorkomen bij het veld Papekop openbaar te maken. Verweerder heeft een groot aantal documenten aangetroffen, maar niet alles openbaar gemaakt. Zo zijn er een aantal documenten met weglakkingen openbaar gemaakt en aantal documenten helemaal niet.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle informatie die hij geweigerd heeft om openbaar te maken op de juiste manier heeft beoordeeld.

Zo heeft verweerder voor een aantal documenten (documenten 62, 64, 69, 70 en 74) niet onderkend dat deze milieu-informatie bevatten. Verweerder zal de in die documenten aanwezige milieu-informatie nog moeten beoordelen en een nadere afweging maken.

Verder heeft verweerder voor drie documenten (documenten 60, 67 en 76) onvoldoende gemotiveerd dat de hierin vermelde milieu-informatie achterwege moet blijven omdat het belang van bescherming van de bedrijfs- en fabricagegegevens zwaarder weegt dan het belang dat is gediend bij openbaarmaking. Voor documenten 76 komt daar nog bij dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de hierin aangetroffen milieu-informatie geen betrekking heeft op emissies in het milieu.

Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van wat de rechtbank heeft geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2060

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigden: mr. D.W.M. Wenders en mr. F.N. van Stralen).

Procesverloop

Bij deelbesluit van 26 september 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder een deel van het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) toegewezen en documenten (deels) openbaar gemaakt.

Bij deelbesluit van 6 december 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder het overige deel van het verzoek van eiser op grond van de Wob toegewezen en documenten (deels) openbaar gemaakt.

Bij besluit van 11 april 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 3 december 2018 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Zij worden bijgestaan door mr. [A]

Bij besluit van 1 februari 2019 heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en een herziene beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit II). Verweerder heeft daarbij het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard en nadere documenten (deels) openbaar gemaakt.

Eiser handhaaft zijn beroep en heeft nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Zij worden bijgestaan door mr. [A] .

Overwegingen

1. Vlakbij Woerden ligt het veld Papekop. In 2006 is aan Northern Petroleum Nederland (NPN) een vergunning verleend om daar gas te winnen. In 2013 is NPN overgenomen door Vermilion Energy (Vermilion). Hierdoor is de winningsvergunning overgegaan naar Vermilion. Tot op heden heeft er geen gaswinning plaatsgevonden op Papekop.

2. Eiser heeft verweerder verzocht om – kort samengevat – alle documenten die betrekking hebben op het gas- en olievoorkomen bij Papekop openbaar te maken.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser het beroep dat is gericht tegen het bestreden besluit I niet handhaaft. De rechtbank beschouwt het beroep dat is gericht tegen het bestreden besluit I dan ook als ingetrokken en zal hier geen inhoudelijk oordeel over geven. De rechtbank zal daarom alleen het bestreden besluit II beoordelen. Vanaf hier moet waar ‘bestreden besluit’ staat vermeld, het ‘bestreden besluit II’ worden begrepen.

4. Verweerder heeft niet alle documenten die hij naar aanleiding van het Wob-verzoek heeft aangetroffen openbaar gemaakt. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het gaat om bedrijfs- en fabricagegegevens (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob), eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob) en persoonlijke beleidsopvatting (artikel 11, eerste lid, van de Wob). Voor zover de stukken milieu-informatie bevatten hebben die volgens verweerder geen betrekking op emissies en weegt bescherming van de belangen die in weigeringsgronden zijn genoemd, zwaarder dan het belang dat is gediend bij openbaarmaking.

Ontbreken van documenten

5. Eiser voert aan dat er bij verweerder meer stukken moeten zijn die onder zijn Wob-verzoek vallen en voor openbaarmaking in aanmerking komen. Volgens eiser moeten er meer stukken zijn over de reguliere en vooroverleggen die verweerder met de vergunninghouder(s) heeft gevoerd en stukken over de mogelijkheid tot het realiseren van een tweede boorput. Ter onderbouwing verwijst eiser naar meerdere openbaar gemaakte stukken en een print-screen van de website van NPN. Verder stelt eiser dat de Fallow-verslagen van vóór en na 2012 ontbreken en ook de jaarlijkse rapporten op grond van artikel 113 van de Mijnbouwwet. Ten slotte stelt eiser dat de beoordeling van de financiële draagkracht van de vergunninghouder(s) ontbreekt. Volgens eiser moet een dergelijke beoordeling wel zijn gemaakt op grond van artikel 9a van de Mijnbouwwet.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bij zijn laatste zoekslag alle documenten over Papekop heeft betrokken. Hij heeft ruimer gezocht dan alleen op het woord ‘Papekop’. Zo heeft hij ook op de namen van de verschillende vergunninghouders gezocht en daarbij een groot aantal documenten aangetroffen. De documenten die toen zijn aangetroffen en geen betrekking hadden op Papekop heeft verweerder uit de selectie gehaald. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er meer stukken moeten zijn. Daarbij merkt verweerder op dat niet van elk overleg of contact een verslag wordt gemaakt. Verder heeft verweerder geen stukken gevonden die zien op overleggen over een tweede boorput. Daarbij merkt verweerder op dat hij pas sinds 2017 bevoegd is in dergelijke zaken en dat daarvoor de gemeente het bevoegde gezag was. Over de het ontbreken van Fallow-verslagen merkt verweerder op dat die verslagen op ‘NLOG’ worden gepubliceerd. Meer of andere verslagen die betrekking hebben op Papekop zijn niet aangetroffen. Dit geldt ook voor de jaarlijkse rapporten die op grond van artikel 113 van de Mijnbouwbesluit moeten worden opgesteld. Over de beoordeling van de financiële draagkracht van de vergunninghouder(s) merkt verweerder op dat bij een aanvraag voor een winningsvergunning rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van de aanvrager. Bij een aanvraag kan worden verwezen naar gegevens die de aanvrager eerder heeft verstrekt. Volgens verweerder zijn bij de aanvraag voor de winningsvergunning voor Papekop geen gegevens overgelegd die betrekking hebben op de financiële draagkracht van de aanvrager. Tot slot merkt verweerder op dat het Papekopveld al enige tijd een inactief veld is. Volgens verweerder is het dan ook niet vreemd dat er weinig documenten zijn die betrekking hebben op dit veld. Verder merkt verweerder op dat, voor zover bij hem bekend, de vergunninghouder geen concrete plannen heeft om een geactualiseerd winningsplan in te dienen voor Papekop.

7. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1 volgt dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat er niet meer documenten zijn en dit niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de informatie-verzoeker is om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

8. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van verweerder dat er niet meer stukken zijn niet ongeloofwaardig voorkomt. Zo heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat hij geen andere Fallow-verslagen of jaarrapporten heeft aangetroffen die betrekking hebben op Papekop. Ook ziet de rechtbank geen reden om eraan te twijfelen dat er geen andere verslagen van (voor)overleggen zijn waar Papekop in voorkomt omdat het een inactief veld is. Dit geldt ook voor de stelling van eiser dat er documenten aanwezig moeten zijn over gesprekken over een tweede boorput. Dat eiser zich niet kan voorstellen dat er niet meer verslagen, memo’s en dergelijke zijn, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat stukken worden achtergehouden of dat onvoldoende zorgvuldig onderzoek is gedaan naar andere stukken die verband houden met het onderwerp. Van belang is dat verweerder heeft toegelicht dat door gespecialiseerde documentalisten met verschillende zoektermen het archief is doorzocht. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat er een document bij verweerder berust met de beoordeling over de financiële draagkracht van de vergunninghouder(s) die betrekking heeft op Papekop. Verweerder heeft voldoende uitgelegd dat als een aanvrager voor een winningsvergunning eerder een winningsvergunning heeft aangevraagd – en die eerdere vergunning niet is geweigerd vanwege de technische en financiële mogelijkheden – hij bij een nieuwe aanvraag kan verwijzen naar die eerdere gegevens (artikel 1.2.1, derde lid, van de Mijnbouwregeling). Het kan dus zo zijn, zoals verweerder stelt, dat bij de vergunningsaanvraag voor Papekop is verwezen naar gegevens die aan een andere aanvraag zijn gekoppeld en dus niet aan het dossier Papekop. In het Papekopdossier heeft verweerder geen stukken van de vergunninghouder(s) aangetroffen die zien op de technische en financiële mogelijkheden. Aangezien eisers Wob-verzoek alleen betrekking heeft op het Papekopdossier, vallen stukken over de technische en financiële mogelijkheden van de vergunninghouders die aan een ander dossier zijn gekoppeld niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder die andere dossiers had moeten doorzoeken, gelet op de reikwijdte van het Wob-verzoek. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat de omstandigheid dat eerder in de procedure is gebleken dat verweerder niet alle stukken had verstrekt, niet tot een ander oordeel leidt. De beroepsgrond slaagt niet.

Weigering documenten/passages openbaar te maken

9. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte gegevens niet heeft openbaar gemaakt onder de noemer ‘bedrijfs- en fabricagegegevens’. Ten eerste omdat er geen sprake is van concurrentiegevoelige informatie en omdat de belangen van de betrokken bedrijven bij openbaarmaking van de stukken niet worden geschaad. Daarbij merkt eiser op dat de vergunninghouder tot 2031 een winningsvergunning heeft en dat openbaarmaking hem dus niet raakt. Verder stelt eiser dat de geweigerde werkplannen gedateerd zijn en niet zien op de huidige vergunninghouder. Ten tweede omdat de gegevens die verweerder onder de noemer ‘bedrijfs- en fabricagegegevens’ heeft geweigerd milieu-informatie kan bevatten. Volgens eiser is deze informatie van doorslaggevend belang voor het vaststellen van emissies en potentiele schades op de direct leefomgeving. Daarbij verwijst eiser naar het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Århus). Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat bepaalde documenten niet openbaar hoeven te worden gemaakt, omdat na het weglakken van bepaalde passages er geen informatie meer overblijft. Daarbij verwijst eiser naar document 76 (dat geweigerd is openbaar te maken bij het bestreden besluit) en stelt dat het mogelijk is dat dit document emissiegegevens bevat.

10. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis genomen van de Wob-stukken die verweerder heeft overgelegd. Eiser heeft hiervoor toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

11. Verweerder heeft openbaarmaking van de volgende documenten geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob (bedrijfs- en fabricagegegevens):

  • -

    deelbesluit I: document 1a, 1b, 11c, 11d, 12a, 14, 20, 29, 30a;

  • -

    deelbesluit II: document 45, 111, 122, 130b, 141a;

  • -

    bestreden besluit: document 25, 40, 53, 57, 58, 60, 62, 64, 65a, 66, 67, 68a, 69, 70, 71, 74, 75, 76, 77.

Gelet op wat is aangevoerd, zijn dit de documenten waar het eiser om te doen is. De rechtbank zal deze documenten als volgt beoordelen.

Eerst zal worden vastgesteld of de documenten milieu-informatie bevatten en of verweerder dit heeft onderkend.

Als de documenten milieu-informatie bevatten, zal vervolgens worden beoordeeld of deze informatie betrekking heeft op emissies. Openbaarmaking van milieu-informatie die betrekking heeft op emissies kan namelijk niet worden geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.

Als de milieu-informatie geen emissiegegevens bevat, zal vervolgens worden beoordeeld of verweerder openbaarmaking hiervan achterwege heeft mogen laten omdat het belang van de openbaarheid van milieu-informatie niet opweegt tegen het belang van de bescherming van informatie van bedrijfsvertrouwelijke aard. Een dergelijke afweging moet uit het besluit blijken.

Als in (passages van) de documenten geen milieu-informatie wordt aangetroffen, zal de rechtbank tot slot beoordelen of verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de genoemde documenten gegevens bevatten waaruit wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de (technische) bedrijfsvoering of het productieproces van de betrokken partijen.

Om deze beoordeling te maken, zal de rechtbank eerst weergeven wat onder milieu-informatie en emissiegegevens wordt verstaan.

Definitie van milieu-informatie en emissiegegevens

12. Uit rechtspraak van de ABRvS2 volgt dat voor de definitie van milieu-informatie moet worden gekeken naar artikel 19.1a van de Wet milieubeheer. Informatie die betrekking heeft op de toestand van milieu-elementen kan worden aangemerkt als milieu-informatie (eerste lid, aanhef en onder a). Informatie over factoren die de milieu-elementen aantasten of waarschijnlijk aantasten moeten ook worden aangemerkt als milieu-informatie (eerste lid, aanhef en onder b). Hierbij is van belang dat daaronder alleen die documenten moeten worden begrepen die daadwerkelijk die informatie bevatten. Documenten die slechts aan deze informatie refereren zonder zelf die informatie te bevatten, vallen daar niet onder. Ook maatregelen die uitwerking hebben of kunnen hebben op de milieu-elementen en factoren, en ook maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen, moeten worden aangemerkt als milieu-informatie (eerste lid, aanhef en onder c).

13. De ABRvS heeft overwogen dat onder de begrippen “emissies in het milieu” en “informatie over emissies in het milieu” niet alleen gegevens moeten worden begrepen die de daadwerkelijke uitstoot betreffen. Het gaat ook over gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu en gegevens die het publiek in staat stellen om te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies, welke beoordeling aan de besluitvorming door een bestuursorgaan ten grondslag heeft gelegen, juist is. De begrippen “emissies in het milieu” en “informatie over emissies in het milieu” moeten niet beperkend worden uitgelegd. Bij informatie over emissies in het milieu gaat het niet alleen om daadwerkelijke emissies, maar ook om voorzienbare emissies3. Dat zijn emissies die de milieu-elementen waarschijnlijk aantasten. Dat is bij zuiver hypothetische emissies per definitie niet het geval4.

Vaststelling van de documenten die milieugegevens bevatten

14. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft geconcludeerd dat de volgende documenten milieu-informatie bevatten:

  • -

    deelbesluit I: document 1a, 1b, 11c, 11d, 12a, 14, 20, 29, 30a

  • -

    deelbesluit II: document 45, 111, 122, 130b, 141a

  • -

    bestreden besluit: document 60, 67, 76

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee niet heeft onderkend dat ook andere documenten milieu-informatie bevatten. Zo bevatten namelijk ook de niet openbaar gemaakte documenten 62, 64, 69, 70, en 74 (die staan vermeld op de inventarislijst bij het bestreden besluit) milieu-informatie. Deze werkplannen c.q. data-rapporten bevatten immers informatie over Papekop en de toestand van de bodem. Het gaat dan over de afbakening van het gebied Papekop met gas- en olievoorkomen, de diepte van het gebied en de beschrijving van de ondergrond. Deze gegevens/kaarten bevatten milieu-informatie. Overzichtskaarten met louter de afbakening van een gebied schaart de rechtbank daar niet onder. De rechtbank merkt nog op dat document 60 dezelfde soort informatie bevat als de documenten 62, 64, 69, 70, en 74 en verweerder op de zitting heeft verklaard dat dit document in zijn totaliteit wel is aangemerkt als milieu-informatie. Verder merkt de rechtbank nog op dat document 40 en 64 dezelfde documenten zijn. Omdat in de hiervoor vermelde documenten sprake is van milieu-informatie en verweerder dit niet heeft erkend, ontbreekt er voor deze documenten in ieder geval een nadere afweging of het belang van openbaarmaking opweegt tegen het tegen het belang van de bescherming van informatie van bedrijfsvertrouwelijke aard. Ook heeft verweerder ten aanzien van deze documenten geen emissie-beoordeling gemaakt. Dit is een gebrek aan het besluit.

Beoordeling of de milieu-informatie betrekking heeft op emissies

15. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich op het standpunt stelt dat alle door hem aangetroffen milieu-informatie geen betrekking heeft op emissies. De rechtbank volgt verweerder hierin, behalve ten aanzien van document 76 (betrokken bij het bestreden besluit). Ten aanzien van dit document heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd dat het complete document geen betrekking heeft op emissies. In document 76 wordt ‘Papekop’ namelijk genoemd in combinatie met ‘bubbling wells’. Uit het document blijkt dat sprake is van vrijkomen van bepaalde stoffen. Dat verweerder in de term ‘bubbling well’ geen aanleiding heeft gezien om het aan te merken als emissiegegeven, vindt de rechtbank onvoldoende. Dit levert dus een motiveringsgebrek op ten aanzien van dit document.

Ten aanzien van de overige documenten die verweerder heeft aangemerkt als milieu-informatie, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat daarin geen informatie is aangetroffen die betrekking heeft op emissies in het milieu. Daarvan is immers duidelijk dat het geen betrekking heeft op het vrijkomen van bepaalde stoffen of producten in het milieu die het milieu mogelijk kunnen aantasten. De milieu-informatie is niet gerelateerd aan activiteiten die plaatsvinden in het kader van het vrijkomen van olie of gas. Er is wel een winningsvergunning verleend, maar er worden geen activiteiten uitgevoerd op het veld. Daar is, zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht, eerst een geactualiseerd winningsplan voor nodig. Daarvan is niet gebleken. Het zijn dan ook geen gegevens die het publiek in staat stelt de juistheid van de informatie te controleren over de invloed die de emissies hebben op korte of lange termijn.

Afweging om openbaarmaking van milieu-informatie (niet zijnde emissiegegevens) achterwege te laten

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van de door hem aangemerkte milieu-informatie bij de eerste twee deelbesluiten achterwege kan blijven. Verweerder heeft gemotiveerd dat openbaarmaking van deze informatie niet opweegt tegen het beschermen van de bedrijfs-en fabricagegegevens. Deze gegevens zijn vertrouwelijk aan verweerder meegedeeld. Hieruit kunnen wetenswaardigheden worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers of leveranciers. De informatie bij deelbesluit I betreft onder andere informatie over de geologie van het aangevraagde gebied en de economie van het veld. Uit die informatie kan worden afgeleid hoe de geologische structuur van de ondergrond in elkaar zit, inclusief de beschrijving van de koolwaterstofvoorkomens waaruit men denkt te kunnen gaan winnen en de hoeveelheden koolwaterstoffen die, uitgaan van diverse scenario’s, gewonnen zouden kunnen worden. De informatie bij deelbesluit II betreft onder andere informatie over de analyse van putgegevens, petrofysische beoordelingen van koolwaterstoffen in het Papekopvoorkomen en andere technische informatie over het olievoorkomen Papekop. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat met openbaarmaking van deze gegevens de betrokken bedrijven onevenredig nadeel lijden.

17. De motivering en afweging die verweerder heeft gegeven ten aanzien van de documenten 60, 67 en 76 voor het overige (behorend bij het bestreden besluit) vindt de rechtbank niet voldoende. Het is de rechtbank niet inzichtelijk geworden dat met openbaarmaking van deze documenten de betrokken bedrijven onevenredig nadeel zullen lijden. De enkele stelling dat uit de informatie kan worden afgeleid hoe de geologische structuur van de ondergrond in elkaar zit, inclusief de beschrijving van de koolwaterstofvoorkomens, is daarvoor onvoldoende. Daarvoor vindt de rechtbank van belang dat niet duidelijk is geworden wat nu precies het te beschermen belang is van de betrokken partijen bij openbaarmaking van deze documenten. Meer specifiek is onduidelijk welk onevenredig nadeel de betrokken partijen lijden als gevolg van openbaarmaking van deze documenten en waarom dit nadeel zwaarder weegt dan het algemeen belang dat is gediend bij openbaarmaking. Op de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat de bedrijven deze informatie hebben gekocht en dat geheimhouding een commercieel belang dient. Deze belangen heeft verweerder echter niet kenbaar afgewogen tegen het algemeen belang dat is gediend bij openbaarmaking. Daarbij vindt de rechtbank nog van belang dat niet duidelijk is geworden wat het commerciële belang van deze stukken nog is. De stukken zijn immers uit 2012 en 2013. De rechtbank vindt de afweging van verweerder dan ook onvoldoende om tot de conclusie te komen dat deze milieu-informatie achterwege moet blijven.

Geheimhouding van bedrijfs- en fabricagegegevens, niet zijnde milieu-informatie

18. Ten aanzien van bedrijfs- en fabricagegegevens die geen milieu-informatie bevatten, is de rechtbank van oordeel dat hierin gegevens zitten waaruit wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de (technische) bedrijfsvoering of het productieproces van de betrokken partijen. Zoals verweerder in zijn besluitvorming heeft vermeld, bevatten de documenten gegevens die vertrouwelijk aan verweerder zijn meegedeeld. Eiser stelt dat de documenten gedateerd zijn en dat openbaarheid de betrokken partijen niet schaadt. Daarvan is de rechtbank niet gebleken reeds omdat nog steeds onderzoeken plaatsvinden en het veld niet in productie is. Verder is het zo dat een groot deel van de documenten die bij het bestreden besluit openbaar zijn gemaakt, zien op werkplannen van verschillende mijnbouwondernemingen. Deze werkplannen bevatten grotendeels informatie die niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiser vallen. Het gaat namelijk over alle vergunningsgebieden van het betrokken bedrijf. Daarnaast bevatten deze documenten, voor zover het wel onder de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiser valt, onder andere informatie over plannen en voornemens van het betrokken bedrijf. Openbaarmaking hiervan kan gevolgen hebben voor de financiële situatie van het bedrijf. De geweigerde passages betreffen dan ook bedrijfs- en fabricagegegevens dan wel concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie. Gelet op het voorgaande heeft verweerder die gegevens dan ook niet openbaar hoeven maken.

Eindconclusie

19. Het bestreden besluit bevat dus de volgend gebreken:

  • -

    verweerder heeft ten onrechte niet onderkend dat de documenten 62, 64, 69, 70 en 74 (die bij het bestreden besluit zijn betrokken) milieu-informatie bevatten. Verweerder zal de milieu-informatie in die documenten op die manier nog moeten beoordelen en een nadere afweging moeten maken;

  • -

    verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat document 76 geen emissiegegevens bevat;

  • -

    verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat openbaarmaking van de milieu-informatie in documenten 60, 67 en 76 achterwege moet blijven omdat het belang van bescherming van de bedrijfs- en fabricagegegevens zwaarder weegt dan het belang dat is gediend bij openbaarmaking.

20. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat bepaalde documenten/passages niet openbaar hoeven te worden gemaakt.

21. Gelet op de geconstateerde gebreken en de nog door verweerder te maken beoordeling, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

Te vergoeden kosten

22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

23. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Verweerder heeft in het bestreden besluit verletkosten vergoed van in totaal € 328,-. Op de zitting heeft verweerder opgemerkt dat hij bij de berekening van de proceskosten in bezwaar geen rekening heeft gehouden met de extra hoorzitting in bezwaar op 17 januari 2019 en dat hij kan instemmen met een proceskostenveroordeling voor die kosten. Die hoorzitting heeft drie uur geduurd. De rechtbank stelt de aanvullende verletkosten in bezwaar vast op € 420,-, uitgaande van 3 uren voor het bijwonen van de hoorzitting en 2 uren voor de heen- en terugreis en een uurtarief van € 84,- het maximumtarief voor verletkosten per uur voor 2019. De kosten van de voorbereidingstijd die eiser noemt, zijn geen verletkosten en komen dus niet voor vergoeding in aanmerking. Verder worden de reiskosten voor die extra hoorzitting vastgesteld op € 17,80 (enkele reis Woerden – Den Haag is € 8,90).

Verder ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door eiser gemaakte reiskosten vast op € 15,60 (enkele reis Woerden – Utrecht Centraal is € 3,90) en de verletkosten voor het bijwonen van de twee zittingen en de reistijd daar naartoe op € 504,- (6 uur à € 84,- per uur).

In totaal komt de veroordeling van de door eiser gemaakte proceskosten dan ook neer op € 1285,40 (inclusief het al door verweerder toegekende bedrag).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II voor zover het betreft de weigering van openbaarmaking van de documenten genoemd in rechtsoverweging 19;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal

€ 1285,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, en mr. P.J.M. Mol en mr. J.E. van den Brink, leden, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2308).

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2641).

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:225).

4 Zie het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 23 november 2016, nr. C-442/14.