Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4095

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
16/018402-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met een vuurwapen geschoten op een raam en de voordeur van een woning. Verdachte wist dat in die woning op dat moment meerdere personen aanwezig waren. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een viertal personen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/018402-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2002] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 april 2019 en 9 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Veenstra, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

op 31 maart 2018 te Almere tezamen en in vereniging heeft gepoogd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven;

subsidiair

op 31 maart 2018 te Almere tezamen en in vereniging [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als bijrijder op de scooter heeft gezeten die betrokken is geweest bij de schietpartij en omdat niet kan worden bewezen dat de bijrijder de schutter is geweest. Indien de rechtbank anders oordeelt, geldt dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het gezin [gezin] . Ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte de aanmerkelijke kans dat zij zouden komen te overlijden door het afvuren van de kogels niet heeft aanvaard. Ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans dat zij zouden komen te overlijden door het afvuren van de kogels. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde kan alleen bewezen worden dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd. Voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] geldt dit alleen voor zover kan worden vastgesteld dat zij door de schutter zijn gezien. Ten aanzien van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw verzocht om partiële vrijspraak, omdat verdachte niet op de hoogte zou zijn geweest van zijn aanwezigheid in de woning.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan. Hij heeft het volgende verklaard, zakelijk weergegeven.

Op 31 maart 2018 was ik in ons huis aan de [adres] te [woonplaats] . Om 18.45 uur reed ik met mijn fiets de oprit af. Ik zag twee jongens op een scooter naast ons huis. Ik zag dat de jongens naar mij keken en gelijk wegreden.2 Ik ben naar binnen gegaan. Vervolgens keek ik door het raam in de keuken aan de voorzijde van de woning naar buiten. Ik zag dat diezelfde jongens met de scooter voor mijn woning stonden, ongeveer 5 meter voor ons huis. Ik zei toen tegen mijn vader (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) dat die jongens voor de deur stonden. We (de rechtbank begrijpt: aangever en zijn vader [slachtoffer 2] ) stonden in de gang van de woning, die zich direct achter de voordeur bevindt. Ik hoorde opeens pam, pam, pam, drie harde knallen. Ik hoorde glasgerinkel. Ik zag dat er twee gaatjes in de voordeur zaten.3

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan. Hij heeft het volgende verklaard, zakelijk weergegeven.

Op 31 maart 2018 was ik in onze woning op de [straat] nummer [nummer] in [woonplaats] .

Mijn oudste zoon [slachtoffer 1] ging rond 18.40 uur weg. We waren allemaal in huis bezig. Ik zag [slachtoffer 1] na twee a drie minuten opgewonden terug kwam. Ik hoorde hem zeggen dat er twee jongens voor de deur stonden. Ik zag inderdaad voor de woning bij de lantaarnpaal voor onze woning een tweetal jongen met een scooter staan.4 Ik wilde gaan kijken wat er aan de hand was. Ik ben toen de hal ingelopen. Ik stond in de gang en wilde naar buiten gaan. Ik pakte toen met mijn linkerhand de klink van de voordeur vast. Ik stond achter de voordeur binnen en wilde de deur open doen. Op dat moment hoorde ik iets wat klonk als glasgerinkel. Vervolgens hoorde ik twee knallen op de deur. Dit was vrij dichtbij. Ik deed de deur open om te kijken wat er gebeurde. Ik zag dat die jongen met de scooter al wegreden en de dinsdagstraat in reden. Ik zag dat er twee gaten in de deur zaten.5

[slachtoffer 3] is bij rechter-commissaris als getuige gehoord. Zij heeft onder andere het volgende verklaard, zakelijk weergegeven.

Op 31 maart 2018 aan de [adres] in [woonplaats] zag ik [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) aan komen fietsen. Op een gegeven moment komt mijn jongste zoon,6 [slachtoffer 4] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ), naar boven en zegt: “er staan twee jongens voor de deur. Papa en [slachtoffer 1] gaan met ze praten.” Ik loop naar het raam toe. Mijn zoon en ik staan dan samen schouder aan schouder door het raam naar buiten te kijken. De jongens stonden achter de auto met de scooter. De schutter stond naast de auto, op het hoekje. Wij kijken uit het raam. De schutter ziet mij of ons, maar kijkt mij aan en hij schiet. Ik heb nog twee schoten gehoord, niet gezien want we doken weg. De jongen bij de auto had een pistool in zijn handen.7

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in een proces-verbaal van sporenonderzoek onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Het onderzoek is verricht in een woning te [adres] [woonplaats] . Wij zagen op de weg ter hoogte van de oprit, behorende bij de woning, een huls. Op de oprit behorende bij de woning zagen wij een personenauto geparkeerd met de voorzijde richting de woning. Ter hoogte van de rechter achterband zagen wij op de oprit een huls liggen. Wij zagen in de voordeur van de woning twee kleine ronde gaten. In de gang troffen wij een zilverkleurige ronde kogel aan. Wij zagen dat er bij één van de twee gaten in de deur een uitschot was. De andere kogel zat nog in de deur.8 Op de eerste etage aan de voorzijde van de woning zagen wij een gat in de ruit van het raam. Op de overloop van de eerste etage werd door ons een zilverkleurige ronde kogel aangetroffen.9

Verbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van sporenonderzoek onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Het onderzoek is verricht aan een woning gelegen aan de [adres] , [woonplaats] .10 Door [A] was uitgerekend dat omstreeks 19:05 uur hetzelfde daglicht moest zijn als op 31 maart 2018 omstreeks 18:45 uur. Nadat ik mijn plek, van de schutter, voor de woning had ingenomen, gingen de betrokkene en haar zoon op de plek in de slaapkamer achter het raam staan. Ik kon de betrokkene en haar zoon goed zien vanaf de plek die mij aangewezen was.11

Verbalisant [verbalisant 4] heeft in een proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Op 18 juli 2018 kwam een MMA binnen met de melding dat [verdachte] de schutter zou

zijn en op de woning [adres] te [woonplaats] had geschoten. Uit verschillende meldingen van het [lyceum] blijkt dat [verdachte] mogelijk over een vuurwapen zou kunnen beschikken.12

Verbalisant [verbalisant 4] heeft in een proces-verbaal van bevindingen historische verkeersgegevens onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

De telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , maakt op 31 maart 2018 te 17:41 uur gebruik van de mast op het [adres] te [woonplaats] . Vervolgens is te zien dat de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer] zich verplaatst via Weesp en Muiden richting Almere. Op 31 maart 2018 te 18:21 uur maakt de telefoon voor het eerst gebruik van een mast in Almere. Op 31 maart 2018 te 18:23 uur maakt de telefoon gebruik van een mast op de Heliumweg te Almere op ongeveer 10 kilometer afstand van de plaats delict op de [adres] te [woonplaats] . Op 31 maart 2018 te 19:03 uur maakt de telefoon voor de laatste keer gebruik van een mast in Almere en vervolgens op 31 maart 2018 te 19:53 uur is de telefoon weer terug in Amsterdam. Op 31 maart te 20:28 uur maakt de telefoon gebruik van de mast op het [adres] te [woonplaats] . Van deze mast maakt het telefoonnummer regelmatig gebruik in de voor de nachtrust bestemde tijd. Deze mast is op ongeveer 500 meter afstand gelegen van de woning van [verdachte] .13

Verbalisant [verbalisant 5] heeft in een proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende

gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Ik bekeek de historische telecomgegevens van het telefoonnummer + [telefoonnummer] . Ik bekeek met welke telefoonnummers er contact was geweest tussen 31 maart 17:45 uur en 20:00 uur. Ik zag dat * [telefoonnummer] tussen deze tijdstippen in totaal 32 keer contact had met andere telefoonnummers. Dit contact bestond uit in- of uitgaande gesprekken en SMS. Het betrof contact met onder ander het volgende nummer:14

1. + [telefoonnummer]

Dit telefoonnummer betreft de voicemailbox.15

Verbalisant [verbalisant 4] heeft in een proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende

gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Ik heb een onderzoek ingesteld naar de onder verdachte [verdachte] inbeslaggenomen telefoon. Onder het contact met de naam ‘Ik’ stond het contact met de naam [verdachte] vermeld onder het telefoonnummer: [telefoonnummer] .16 Ik zag dat op 31 maart van 20.44 uur tot en met 31 maart 23.24 uur verschillende foto’s/schermafdrukken waren opgeslagen van nieuwsberichten, welke berichten gingen over de beschieting op de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Ik zag dat op 31 maart 2018 te 17:09 uur een foto was gemaakt in de applicatie ‘foto’s’. Ik zag dat op deze foto een scooter stond afgebeeld. Ik zag dat de scooter zwart van kleur was en de uiterlijke kenmerken had van een Piaggio zip. Ik zag dat de uiterlijke kenmerken van deze scooter overeen kwamen met de uiterlijke kenmerken van de scooter afgebeeld op de camerabeelden van de beschieting op de [adres] te [woonplaats] . Op de camerabeelden was tevens een scooter te zien van het merk Piaggio type: Zip zwart van kleur. Wat opviel was dat bij beide scooters het achterlicht/knipperlicht waren overgespoten in de zwarte kleur.17 Ik, verbalisant, zag dat op de telefoon, in gebruik bij [verdachte] , een video van 31 maart 2018 te 19.22 uur. Ik zag dat er gefilmd werd vanaf de passagierszitting. Ik zag dat er in de richting van water en bomen werd gefilmd. Uit onderzoek is gebleken en het analyseren van de historische dat het de volgende locatie betrof, het fietspad tussen Muiden en Diemen, Diemerzeedijk te Muiden.18

Ik zag dat de uiterlijke kenmerken van [verdachte] en de schutter/bijrijder zeer sterke

overeenkomsten had.19

Op 1 april 2018 vond er een gesprek plaats tussen de gebruiker van het telefoonnummer: [telefoonnummer] ( [B] ) en [telefoonnummer] ( [verdachte] ).20

[telefoonnummer] http://www.blikopnieuws.nl/nieuws/262701/woning-in-almere-beschoten.html

Zit er iemand vast?

Zijn er beelden?

Vingerafdrukken??

Waar is die brompa

Ze hebben alleen Shells

Van die ballas

[telefoonnummer] Broer nu moet je shi maandje on the low blijven klapper slaan en dan off the radar broer

Brompa = Brommer

Shells = Hulzen

Ballas = Kogels21

Op 4 april 2018 vond er een vervolg plaats op het gesprek tussen [B] en [verdachte] :22

[telefoonnummer] Je weet toch die osso van Alm***

Dat was echt gta

Hit and run

Die zip

Is in de rivier nu23

[telefoonnummer] Als volgende keer dezelfde beschrijving op het nieuws komt gaan ze weten dat jullie het weer zijn en dan gaan ze op onderzoek

[telefoonnummer] Kwam niet op

Opsporing ver**ocht

Gister

[telefoonnummer] Tuurlijk niet

Jullie zijn niet gefilmd

Als er gefilmd zou zijn dan wel24

Als bijlage van een proces-verbaal van bevindingen sessienummer 13770 van verbalisant [verbalisant 6] is onder andere het volgende tapgesprek opgenomen van een telefoongesprek op 21 november 2018 tussen [C] (hieronder aangeduid met de letter ‘ [C] ’) en [verdachte] (hieronder aangeduid met de letter ‘ [verdachte] ’):

[C] : [verdachte] ?

[verdachte] : Yo.

[C] : Wat euh, wat gebeurt er allemaal? Waarom was je gisteren op Opsporing verzocht?

(…)

[C] : (…) maar wat is er met dat, met dat ding gebeurd? Wat heb je daar mee gedaan?

[verdachte] : Met welk ding?

[C] : Waarmee we hebben geschoten.

[verdachte] : Die speelgoedje?

[C] : Ja, als je het zo wil noemen.

[verdachte] : Ja, die ligt op een vertrouwde plek, oude. Ja, toch?25

(…)

[C] : Ja, inderdaad. Dus ik begrijp gewoon niet hoe ze bij haar zijn gekomen. Maar ik denk... Ik weet niet hoe, maar ik euh, maar ik denk dat het iets te maken heeft met, met dat jij op Opsporing verzocht was, want dat, dat was toen je had geschoten op een huis in Almere.

(…)

[verdachte] : Kijk, luister... Kijk, laten we zeggen, laten we zeggen bijvoorbeeld ik ben de hoofdtarget toch van deze hele torie toch?

[C] : Ja. Ja.

[verdachte] : Al krijg ik tien jaar, zwijgrecht.26

(…)

[verdachte] : Waarom pakken ze haar? Ze moeten mij hebben. Ik weet. Begrijp je?27

Bewijsoverwegingen

De rechtbank ziet zich gesteld voor de volgende vragen, waarop zij hieronder nader zal ingaan:

  • -

    Is er op genoemde datum op de woning aan de [adres] te [woonplaats] geschoten met een vuurwapen? (toedracht)

  • -

    Zo ja, was verdachte hier als (mede)pleger bij betrokken? (daderschap)

  • -

    Levert dat een poging doodslag op? (kwalificatie)

Toedracht

Op grond van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 31 maart 2018 een schietpartij heeft plaatsgevonden bij de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Hierbij is eenmaal op het raam van de eerste verdieping en tweemaal op de voordeur van de woning geschoten. . Rond 18.45 uur heeft [slachtoffer 1] de woning aan de [adres] verlaten en heeft hij vlak bij de woning twee jongens op een scooter gezien die naar hem keken en vervolgens wegreden. Hij vertrouwde de situatie niet en is terug de woning in gegaan. Hij heeft uit het keukenraam aan de voorzijde van de woning gekeken en zag de jongens op de scooter weer voor de woning staan. Nadat hij zijn vader, [slachtoffer 2] , heeft geroepen zijn zij samen naar de voordeur gelopen om te kijken wat er aan de hand was. Toen zij zich vervolgens in de hal achter de voordeur bevonden, hebben zij drie harde knallen gehoord. Op datzelfde moment stonden moeder [slachtoffer 3] en zoon [slachtoffer 4] op de eerste verdieping uit het raam te kijken naar wat er beneden gebeurde. Moeder heeft gezien dat een van de jongens haar aankeek en met een vuurwapen in hun richting schoot. Zij is weggedoken en heeft nog twee schoten gehoord.

Daderschap

De rechtbank staat vervolgens voor beantwoording van de vraag of verdachte als pleger of medepleger betrokken is geweest bij het beschieten van de woning. Op grond van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte als bijrijder op de scooter heeft gezeten. Zijn uiterlijke kenmerken komen overeen met die van de bijrijder zoals te zien is op camerabeelden van vlak voor de beschieting van de woning. Dat geldt ook voor de gebruikte scooter, waarvan de beelden rond de beschieting naar uiterlijke kenmerken overeenkomen met de scooter op de foto van 31 maart 2018 te 17:09 uur in de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon. Voorts is op de telefoon van verdachte een filmpje aangetroffen van 31 maart 2018 om 19:22 uur, waarop te zien is dat vanaf de passagierszitting wordt gefilmd. De verklaring van verdachte dat hij zijn telefoon een aantal uur voor de schietpartij onder dwang aan iemand – die met dezelfde mensen als hij omgaat – heeft moeten afgeven, dat hij deze enige tijd na de schietpartij weer terug heeft gekregen en uit angst voor represailles van de dader niet wil aangeven wie hem zijn telefoon afhandig heeft gemaakt, waar dit is gebeurd en hoe laat dit precies was, vindt de rechtbank, bij gebreke aan enige onderbouwing, volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring kunnen geven over het gebruik van zijn telefoon en voor het bellen naar zijn voicemailbox – in de periode dat hij deze zou hebben afgestaan. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte ook op 31 maart 2018 tussen 17.41 uur en 20.28 uur zelf de gebruiker van zijn telefoon is geweest.

Dat verdachte betrokken was bij de schietpartij, volgt ook uit het gegeven dat verdachte op zijn telefoon een aantal uren na de schietpartij heeft gezocht naar nieuwsberichten over de schietpartij en deze met verschillende mensen heeft gedeeld. Uit de verschillende telefoon- en WhatsAppgesprekken die verdachte heeft gevoerd blijkt dat hij over daderkennis beschikt. Zo heeft hij het over het type scooter dat is gebruikt bij de schietpartij (een Piaggio Zip) en spreekt over ‘shells’ (kogelhulzen) die de politie na de schietpartij heeft gevonden. Tijdens het telefoongesprek met ene [C] op de dag na de uitzending van Opsporing Verzocht, waarin beelden van de schietpartij werden getoond, spreekt verdachte haar niet tegen als zij zegt dat hij heeft geschoten op een huis in Almere. Dat verdachte dit enkel zei om stoer te doen en dat hij dit had verzonnen, acht de rechtbank – in het licht van de bij verdachte aanwezige daderkennis – niet aannemelijk.

Op grond van deze gegevens stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die achter op de scooter zat en het vuurwapen heeft gehanteerd en op de woning heeft geschoten. Verdachte heeft gehandeld in een nauwe en bewuste samenwerking met de bestuurder van de scooter, die hem naar de plaats delict heeft gereden, op het moment van schieten op korte afstand van hem stond en zich niet van hem heeft gedistantieerd, maar hem juist een vluchtmogelijkheid heeft verschaft waardoor een aanhouding op heterdaad werd voorkomen. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een vorm van medeplegen.

Kwalificatie

Ten slotte dient de rechtbank de vraag te beantwoorden hoe verdachtes handelingen juridisch moeten worden gekwalificeerd. Om tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag te komen, dient te worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het van het leven beroven van de aangevers. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval sprake is en overweegt daartoe als volgt.

De gedraging van verdachte, namelijk het met een vuurwapen schieten in de richting van het raam op de eerste verdieping waarachter zich, zichtbaar voor verdachte, twee personen bevonden, namelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , kan de rechtbank niet anders interpreteren dan dat verdachte (vol) opzet heeft gehad op de dood van deze twee personen.

Wat betreft de andere twee in de woning aanwezige personen, namelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , overweegt de rechtbank het volgende.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het onderhavige gevolg zou intreden en hij die kans willens en wetens heeft aanvaard. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van verdachte geen inzicht geven over wat er tijdens de gedraging in hem is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Dat houdt in dit geval in dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op het ten laste gelegde, sprake moet zijn van een aanmerkelijke kans op de dood van de in de woning aanwezige personen en de bewuste aanvaarding van die kans door verdachte.

Door te schieten op de voordeur van de woning, terwijl er op dat moment meerdere mensen in die woning aanwezig waren, heeft verdachte de aanmerkelijke kans doen ontstaan dat één of meer van hen geraakt zou worden door de afgevuurde kogels en als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Verdachte wist op het moment dat hij schoot dat er meerdere personen in de woning waren. Hij heeft [slachtoffer 1] immers de woning in zien gaan. De kans is reëel dat [slachtoffer 1] de andere in de woning aanwezige personen zou waarschuwen en dat deze naar buiten zouden kijken om te zien wat er aan de hand was. Voorts moest verdachte er, gelet op dag en tijdstip van het incident, van uitgaan dat zich in de woning, daaronder begrepen de hal achter de voordeur, één of meerdere personen zouden bevinden. Door desondanks meermalen met een vuurwapen op de voordeur te schieten, heeft verdachte deze aanmerkelijke kans ook willens en wetens aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het primair tenlastegelegde, te weten de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 31 maart 2018 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen één kogel heeft afgevuurd naar een raam van de woning waar die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich duidelijk zichtbaar achter bevonden en kogels heeft afgevuurd naar een deur van de woning waar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich achter bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Uit de Pro Justitia-rapportage van drs. D.W.M. Kragt, GZ-psycholoog, volgt niet dat de bewezen geachte feiten aan verdachte in het geheel niet kunnen worden toegerekend. Er is ook overigens niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie voor de duur van 301 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

 meewerkt aan de module Topzorg voor jongeren van de Waag;

 naar school/stage gaat volgens rooster;

 meewerkt aan elektronische controle tot 1 september 2019 of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht (afhankelijk van de datum dat verdachtes schooljaar begint) met bijbehorende avondklok en weekschema’s;

 meewerkt aan Intensieve Forensische Aanpak (IFA);

waarbij de reclassering door middel van de ‘jovo-methodiek’ toezicht houdt en verdachte begeleidt;

- een werkstraf van 120 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen jeugddetentie.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening zal houden met het feit dat verdachte een first offender is, dat de straf een pedagogisch karakter moet hebben en dat het feit hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Dit alles betekent dat moet worden volstaan met een vrijheidsstraf, waarvan de duur gelijk is aan die van het voorarrest. Indien aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden zal worden opgelegd heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte hulp (via de Waag) niet noodzakelijk acht. Verdachte heeft zich wel bereid verklaard om zich aan die voorwaarden te houden. De raadsvrouw heeft verzocht om niet Reclassering Nederland op te dragen toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, maar om het toezicht op de naleving van de voorwaarden bij de jeugdreclassering neer te leggen. Ten slotte heeft zij verzocht de voorwaarde van elektronische controle niet aan verdachte op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Meer in het bijzonder geldt het volgende.

De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft met een vuurwapen geschoten op een raam en de voordeur van een woning. Verdachte wist dat in die woning op dat moment meerdere personen aanwezig waren. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een viertal personen. Hij heeft het leven van de in de woning aanwezige personen op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dat geen van de aanwezigen is gedood of zelfs maar gewond is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan het handelen van verdachte is te danken.

Met zijn handelen heeft verdachte aangetoond geen enkel respect te hebben voor andermans leven. Een dergelijk gewelddadig feit veroorzaakt niet alleen doodsangsten bij de betreffende slachtoffers, maar vergroot ook onrust en het algemene gevoel van onveiligheid in de samenleving.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van:

- een uittreksel Justitiële documentatie van 25 maart 2019;

- een evaluatie van Jeugdbescherming van 4 juli 2019, uitgebracht door gezinsmanager W. Kelmanutu;

- een psychologisch rapport van 25 juni 2019, uitgebracht door drs. D.W.M. Kragt, GZ-psycholoog;

- een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 5 juli 2019, uitgebracht door Raadsonderzoeker/zittingsvertegenwoordiger A. Metselaar.

Uit de hiervoor benoemde Pro Justitia rapportage blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel ten gunste van het verbale begrip en dat sprake is van een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische en antisociale trekken. Hieraan ten grondslag ligt een onveilige hechting als gevolg van een ongunstige thuissituatie. Uit onderzoek blijkt dat er sprake is van een scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling. Negatieve gevoelens gaat hij uit de weg en problemen worden ontkend dan wel geëxternaliseerd. Hieruit voortvloeiend is er sprake van een lacunaire gewetensontwikkeling. Het ontbreekt verdachte aan schaamtegevoelens, relaties met anderen zijn afstandelijk, hij is opportunistisch en heeft een beperkt invoelingsvermogen. Ook trekt verdachte zich weinig aan van andermans problemen, heeft hij een egocentrische /egoïstische houding en is hij niet goed in staat tot innerlijke conflictbeleving. Dit was ten tijde van het tenlastegelegde eveneens het geval en heeft zijn gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. De deskundige adviseert de rechtbank dan ook het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt dit advies over en concludeert dat het bewezen verklaarde misdrijf aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Zowel de Jeugdbescherming als de Raad voor de Kinderbescherming herkennen het door de psycholoog geschetste beeld en sluiten zich hierbij aan. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert in haar rapport tot het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waaraan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden verbonden dienen te worden. Dit advies is in de kern ingegeven door het als hoog ingeschatte gevaar voor herhaling, als verdachte geen externe sturing krijgt.

De straf

Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank wil met bestraffing dan ook bereiken dat de ernst van het feit tot verdachte doordringt. Anderzijds wil zij verdachte met de op te leggen straf ervan weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. De rechtbank zal gelet op de aard en ernst van het feit verdachte veroordelen tot een jeugddetentie, met dien verstande dat het na te noemen deel daarvan vooralsnog niet behoeft te worden tenuitvoergelegd. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een werkstraf op. De rechtbank zal in het spoor van de door de psycholoog en de Raad voor de Kinderbescherming gegeven adviezen bijzondere voorwaarden formuleren, zoals hierna te melden. De rechtbank acht het, met de Raad voor de Kinderbescherming en de psycholoog, gelet op de leeftijd en de persoonlijkheidsstructuur van verdachte, aangewezen dat hij begeleid gaat worden door Reclassering Nederland middels de jovo-methodiek.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 301 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf van 120 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen jeugddetentie, passend en geboden is.

Als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* meewerkt aan de module Topzorg voor jongeren van de Waag;

* naar school/stage gaat volgens rooster;

* meewerkt aan elektronische controle tot 1 september 2019 of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht (afhankelijk van de datum waarop verdachtes schooljaar begint)

* zich houdt aan de avondklok, inhoudende dat verdachte tussen 19.00 uur en 07.00 uur zal verblijven op [woonplaats] , [adres] , waarbij Reclassering Nederland – voor zover nodig geacht – de tijden kan aanpassen en/of nader bepalen;

* meewerkt aan IFA (Intensieve Forensische Aanpak);

waarbij aan Reclassering Nederland, middels de ‘jovo-methodiek’ opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelet op de inhoud van de in dit vonnis besproken rapporten en adviezen van de psycholoog en de Raad voor de Kinderbescherming, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal zij bevelen dat voornoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] hebben zich, ieder afzonderlijk, als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderen een bedrag van € 2.300,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.


Ook [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.700,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de gevorderde schade door alle vier de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen, omdat de vorderingen een onevenredige belasting opleveren voor het strafproces. Verdachte heeft zich in het licht van artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onvoldoende kunnen verdedigen tegen de vordering. De vordering is de dag voor de zitting om 17.00 uur aan het digitale procesdossier toegevoegd, waardoor de raadsvrouw de vorderingen niet met verdachte heeft kunnen bespreken. Bovendien is de raadsvrouw van de benadeelde partijen niet ter terechtzitting verschenen om de vordering toe te lichten. De verdediging heeft hierdoor geen vragen aan haar kunnen stellen. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst de raadsvrouw naar een arrest van de Hoge Raad van 15 september 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV2654).

De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de eisen voor het toekennen van immateriële schadevergoeding als omschreven in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ervan uitgaande dat de grondslag van de vorderingen ligt in ‘de aantasting in de persoon’ als omschreven in lid 1 onder b van artikel 6:106 BW, zijn de vorderingen met onvoldoende concrete gegevens onderbouwd om te kunnen vaststellen dat sprake is van óf (i) een aantasting van de geestelijke gezondheid (geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) óf (ii) andersoortige schending van een persoonlijkheidsrecht. Voorts blijkt uit de vordering van [slachtoffer 1] dat hij ook zou kampen met andere problemen die in causaal verband zouden kunnen staan met de problematiek die is geschetst in de vordering.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van hetgeen uit de vorderingen is gebleken kan de rechtbank niet beoordelen of aan de criteria voor het toekennen van immateriële schade is voldaan. Met name de vraag of bij benadeelde partijen sprake is van óf (i) een aantasting van de geestelijke gezondheid (geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) óf (ii) andersoortige schending van een persoonlijkheidsrecht is onvoldoende duidelijk geworden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om de benadeelde partijen nader te kunnen ondervragen over de ingediende vorderingen. De vorderingen zijn immers de dag voor de zitting om 17:00 aan het digitale procesdossier toegevoegd en de raadsvrouw van benadeelde partijen is niet ter terechtzitting verschenen om de vordering nader toe te lichten. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging in de gelegenheid moet kunnen worden gesteld de benadeelde partijen nader te ondervragen over de vordering. Nu deze mogelijkheid ter terechtzitting illusoir is gebleken levert de verdere beoordeling een onevenredige belasting van dit strafgeding op. De vorderingen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 77a, 77aa, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 301 dagen

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 200 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* meewerkt aan de module Topzorg voor jongeren van de Waag;

* naar school/stage gaat volgens rooster;

* meewerkt aan elektronische controle tot 1 september 2019 of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht (afhankelijk van de datum waarop verdachtes schooljaar begint);

* zich houdt aan de avondklok, inhoudende dat verdachte tussen 19.00 uur en 07.00 uur zal verblijven op [woonplaats] , [adres] , waarbij Reclassering Nederland – voor zover nodig geacht – de tijden kan aanpassen en/of nader bepalen;

* meewerkt aan Intensieve Forensische Aanpak (IFA);

waarbij aan Reclassering Nederland, door middel van de ‘jovo-methodiek’ opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden.

- beveelt dat al deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen jeugddetentie;

Benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

  • -

    verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. D.S. Terporten-Hop en H. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Carbo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juli 2019.

Mrs. H. Bakker en R. Carbo zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven,

- een (vuur)wapen heeft gericht naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , die zich achter een raam en/of een deur in/van een woning gelegen aan de [adres] bevond(en) en/of

- met een (vuur)wapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , die zich in voornoemde woning achter een raam en/of deur bevonden en/of

- met een (vuur)wapen één of meer kogel(s) heeft afgevuurd naar en/of in de richting van een deur en/of raam van de woning waar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich (duidelijk zichtbaar)achter bevonden, althans naar en/of in de richting van voornoemde woning waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door

- een tvuur)wapen te richten naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] die zich achter een raam en/of deur van/in een woning gelegen aan de [adres] bevond(en) en/of

- met een (vuur)wapen één of meer kogel(s) af te vuren naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , die zich in voornoemde woning achter een deur en/of raam bevond(en) en/of

- met een (vuur)wapen één of meer kogel(s) af te vuren naar en/of in de richting van een deur en/of raam van de woning waar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich (duidelijk zichtbaar)achter bevond(en), althans naar en/of in de richting van voornoemde woning waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich bevond(en), in elk geval dreigend met een (vuur)wapen in de nabijheid/omgeving van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] een of meer kogel(s) af te vuren;

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 22 januari 2019, genummerd 2018089672, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 100 tot en met pagina 1373. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 1033.

3 Pagina 1034.

4 Pagina 1023.

5 Pagina 1024.

6 Verklaring van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

7 Verklaring van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

8 Pagina 1060.

9 Pagina 1061.

10 Pagina 1071.

11 Pagina 1072.

12 Pagina 1207.

13 Pagina 1222.

14 Pagina 1228.

15 Pagina 1229.

16 Pagina 1321.

17 Pagina 1322.

18 Pagina 1324.

19 Pagina 1326.

20 Pagina 1328.

21 Pagina 1329.

22 Pagina 1330.

23 Pagina 1331.

24 Pagina 1332.

25 Pagina 1243.

26 Pagina 1244.

27 Pagina 1240.