Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4075

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
17/341 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoeker niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris.

Overwegingen ten overvloede over het voeren van een onderneming tijdens de schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: 17/341 R

Beschikking van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2019

Deze beschikking wordt gegeven naar aanleiding van het beroepschrift ex artikel 315 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) ingediend door:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen [verzoeker] ,

advocaat: mr. R.G. van der Laan.

1 Het verloop van de procedure

1.1

[verzoeker] heeft op 5 april 2018 bij beroepschrift als voorzien in artikel 315 lid 1 Fw hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris van

26 maart 2018 in de onderhavige schuldsaneringsregeling.

1.2

De rechter-commissaris gaf op 28 januari 2019 zijn schriftelijke advies.

1.3.

De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op
31 januari 2019. Verschenen zijn: [verzoeker] , zijn advocaat en de bewindvoerder mevrouw [A] .

1.4.

De rechtbank heeft [verzoeker] tot 28 februari 2019 in de gelegenheid gesteld om nadere stukken ten behoeve van de beslissing in te dienen. [verzoeker] heeft verzocht om uitstel. Er is uitstel verleend tot 14 maart 2019. Op 14 maart 2019 ontving de rechtbank een advies van de bewindvoerder en de advocaat van [verzoeker] , een concept-jaarrekening over 2018, een jaarrekening over 2017, een aantal e-mails van opdrachtgevers van [verzoeker] , gericht aan de bewindvoerder, en telefoonnotities van de bewindvoerder over telefoongesprekken met opdrachtgevers van [verzoeker] .

2 De feiten

2.1

Bij vonnis van deze rechtbank van 24 mei 2017 is de wettelijke schuldsaneringsregeling op [verzoeker] van toepassing verklaard, met benoeming van mr. P.J. Neijt tot rechter-commissaris en mevrouw [B] tot bewindvoerder. Sinds 2 november 2018 is mevrouw [A] bewindvoerder.

2.2.

[verzoeker] is sinds datum toelating als zelfstandige werkzaam. Hij drijft de eenmanszaak ‘ [naam eenmanszaak] ’: een klusbedrijf.

2.3.

Na toelating heeft [verzoeker] een akkoord aan zijn schuldeisers aangeboden. Op

7 september 2017 vond de verificatievergadering en de behandeling van het akkoord plaats. De homologatie van het akkoord is geweigerd bij beschikking van 27 oktober 2017. Het hof heeft op 14 december 2017 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

2.4.

De schuldsaneringsregeling van [verzoeker] is bij vonnis van 28 juni 2018 tussentijds beëindigd. Het hof heeft op 24 september 2018 dit vonnis vernietigd en de schuldsaneringsregeling verlengd voor de duur van twaalf maanden.

3 De beoordeling van het beroepschrift

3.1.

De beroepstermijn van vijf dagen neemt aanvang op de dag na die waarop de rechter-commissaris zijn beschikking heeft gegeven. Vanwege het paasweekeinde eindigde de termijn later; op 3 april 2018. [verzoeker] heeft zijn beroepschrift niet tijdig ingediend. Een uitzondering op de beroepstermijn kan gerechtvaardigd zijn als degene die hoger beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter-commissaris een beschikking had gegeven. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake. De bewindvoerder heeft [verzoeker] bij brief van

27 maart 2018 op de hoogte gesteld van de beschikking. [verzoeker] stelt deze brief pas op 30 maart 2018 te hebben ontvangen. Dit is binnen de beroepstermijn. Het was daarom voor [verzoeker] mogelijk om het beroepschrift, eventueel eerst zonder gronden, tijdig in te dienen. [verzoeker] zal daarom in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.2.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het beroep van [verzoeker] , als het ontvankelijk was geweest, niet had kunnen leiden tot vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft in zijn beschikking van 26 maart 2018 de bewindvoerder toestemming gegeven om de onderneming van [verzoeker] : ‘ [naam eenmanszaak] ’ op te heffen. Het beroep van [verzoeker] stelt aan de orde of de rechter-commissaris terecht heeft geoordeeld dat hij moet stoppen met zijn onderneming.

3.4.

[verzoeker] heeft aan zijn beroep ten grondslag gelegd dat de onderneming steeds winstgevend is geweest en naar verwachting ook zal blijven. [verzoeker] heeft een grote portefeuille aan opdrachtgevers. Het is niet aannemelijk dat [verzoeker] op korte termijn een baan zal vinden en meer kan verdienen dan hij nu doet. Zijn leeftijd

(35 jaar), het feit dat hij geen diploma’s bezit en een eenzijdig cv heeft, verkleinen zijn kans op een baan.

3.5.

De rechter-commissaris heeft in zijn advies van 28 januari 2019 de rechtbank geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren. In zijn advies licht de rechter-commissaris toe dat hij een voorlopige voortzetting van de onderneming aanvankelijk heeft toegestaan vanwege de procedures die mogelijk zouden leiden tot een einde van de schuldsaneringsregeling. In dat geval zou het [verzoeker] vrij hebben gestaan zijn onderneming buiten de schuldsaneringsregeling voort te zetten. Een afweging van het belang van [verzoeker] bij voortzetting van zijn onderneming, tegen het belang van de gezamenlijke schuldeisers is daarom eerder in het belang van [verzoeker] uitgevallen.

Gedurende de tijdelijke voortzetting van de onderneming heeft [verzoeker] niet regelmatig boedelafdrachten gedaan. Er is sprake van een boedelachterstand.

Sinds november 2018 is het inkomen lager dan het vrij te laten bedrag, waardoor er niet meer gespaard wordt voor de schuldeisers. De gezamenlijke schuldeisers dragen bij voortzetting van de onderneming wel het risico aansprakelijk te worden gehouden voor de kosten daarvan, terwijl er geen opbrengsten ten behoeve van de boedel worden gerealiseerd. Daar komt bij dat [verzoeker] voorafgaand aan en gedurende de schuldsaneringsregeling regelmatig te veel geld aan zijn onderneming heeft onttrokken. Op basis daarvan vindt de rechter-commissaris het risico van een voortzetting voor de boedel, mede gelet op de beperkte inkomsten, te groot.

3.6.

De bewindvoerder adviseert voortzetting van de onderneming. [verzoeker] kan maandelijks € 1.500 onttrekken aan zijn onderneming: dat bedrag is naar verwachting niet hoger dan een inkomen uit een reguliere baan, maar in ieder geval ook niet lager. Het is volgens de bewindvoerder ook de vraag of [verzoeker] wel een baan kan vinden. De onderneming lijkt op basis van de cijfers toekomstbestendig en het maandelijkse inkomen van € 1.500 kan voortduren. Hoewel er diverse opdrachtgevers en onderaannemers hebben geklaagd, zijn er nog geen daadwerkelijke nieuwe schulden ontstaan. Er kan daarom niet met zekerheid gezegd worden dat door het ondernemen nieuwe schulden ontstaan.

3.7.

Op grond van artikel 311 Fw kan de rechter-commissaris bepalen dat de schuldenaar gedurende een (beperkte) periode bevoegd is ten behoeve van de boedel de uitoefening van zijn zelfstandig bedrijf of beroep voort te zetten. Een dergelijke beschikking heeft tot gevolg dat de schuldenaar bevoegd is alle handelingen te verrichten, waartoe de bewindvoerder toestemming heeft gegeven en die voor de normale uitoefening van het beroep of bedrijf nodig zijn. Vorderingen die voortvloeien uit een voortzetting van de uitoefening van het beroep of bedrijf waartoe de schuldenaar op grond van artikel 311 Fw bevoegd is, voor zover aan de voortzetting toe te rekenen, zijn boedelschulden. In de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen van januari 2018 is opgenomen dat de eigen onderneming van een schuldenaar gedurende de looptijd wordt beëindigd.

3.8.

Het voortzetten van een onderneming tijdens de schuldsaneringsregeling is, volgens de huidige wet en richtlijnen, in beginsel dus steeds van beperkte duur. De schuldsaneringsregeling is ook niet bestemd om een ondernemer faciliteiten te bieden voor een sanering van zijn onderneming en vervolgens voortzetting van dat bedrijf en het maken van een doorstart (zie ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

19 mei 2008 ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6249). Het voortzetten van een onderneming gebeurt weliswaar ten behoeve van de boedel, zodat alle goederen die door de voortzetting worden verkregen ten goede aan de boedel komen, maar brengt ook een aanzienlijk risico met zich mee: de vorderingen die voortvloeien uit de voortzetting, zijn schulden van de boedel, voor zover de daaraan ten grondslag liggende handeling bevoegd door de schuldenaar is verricht. Adequate en tijdige financiële verslaglegging, het reserveren van gelden voor boedelschulden en adequate informatievoorziening aan de bewindvoerder zijn minimaal noodzakelijk om de onderneming verantwoord (tijdelijk) voort te zetten tijdens de schuldsaneringsregeling. Daarnaast stelt het voortzetten van een onderneming ook nadere eisen aan de wijze waarop de bewindvoerder zijn of haar taak uitoefent.

De bewindvoerder dient het belang van de boedel steeds te bewaken en zal daarom moeten toezien op en betrokken worden bij het voeren van de onderneming.

3.9.

Het voortzetten van de onderneming moet onder de in 3.6. genoemde omstandigheden en voorwaarden bovendien steeds leiden tot afdrachtcapaciteit ten behoeve van de schuldeisers. Immers, anders wegen de risico’s en extra inspanningen voor een goed en verantwoord verloop van de schuldsaneringsregeling, niet op tegen de opbrengst.

3.10.

[verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voortzetten van zijn onderneming financieel gezien in het belang is van zijn schuldeisers. De voortzetting leidt niet tot (aanzienlijke) afdracht aan de boedel.

[verzoeker] hanteert een maximaal bedrag van € 1.500 per maand als inkomen uit zijn onderneming. Zijn vrij te laten bedrag is sinds november 2018 hoger dan zijn inkomen, waardoor er niet wordt afgedragen aan de boedel. In de periode daarvoor woonde hij nog samen met zijn echtgenote en was er sprake van een afdrachtverplichting door de twee inkomens samen.
Hoewel [verzoeker] op basis van de jaarlijkse nettowinst in 2017 en 2018 meer dan

€ 1.500 aan zichzelf kan uitkeren, wordt dit door de boekhouder afgeraden in verband met de crediteuren. Het is niet duidelijk welk bedrag van de winst nog gereserveerd moet worden voor de crediteuren, als er reeds in de berekening van de nettowinst rekening is gehouden met de crediteuren.
[verzoeker] heeft bovendien herhaaldelijk aangevoerd dat hij aan het einde van elk jaar het meerdere afdraagt, maar [verzoeker] heeft niet inzichtelijk gemaakt welk bedrag van de winst hij in 2017 en 2018 heeft gereserveerd ten behoeve van de schuldeisers, bovenop het bedrag van € 1.500 dat hij maandelijks aan zichzelf uitkeert. De bewindvoerder heeft evenmin inzichtelijk gemaakt welk bedrag er daadwerkelijk gespaard is en kan worden voor de schuldeisers.

3.11.

Het voortzetten van de onderneming levert daarom weinig tot niets op ten behoeve van de schuldeisers. Naast de reguliere risico’s die het verantwoord voortzetten van een onderneming met zich mee kan brengen, treft de rechtbank in het onderhavige dossier daarbij diverse aanwijzingen aan die, mede gelet op de beperkte inkomsten, het risico voor de boedel vergroten. De rechtbank is op basis van die aanwijzingen er niet van overtuigd dat de onderneming verantwoord wordt voortgezet en de bewindvoerder voldoende zicht heeft op en betrokken wordt bij de voortzetting.

3.12.

Een van die aanwijzingen is de boedelachterstand, die is berekend op basis van het minimale inkomen van € 1.500 per maand. [verzoeker] heeft niet met regelmaat en voldoende afgedragen aan de boedel, toen er voor hem nog een afdrachtplicht gold.

Ook hebben zich diverse opdrachtgevers gemeld bij de bewindvoerder. Hoewel er nog geen officiële aansprakelijkstelling is ingediend, baren deze meldingen de rechtbank zorgen. Klachten van opdrachtgevers kunnen immers leiden tot nieuwe schulden, waarvoor de boedel aansprakelijk is indien [verzoeker] de daaraan ten grondslag liggende handelingen bevoegd heeft verricht.

3.13.

Ook de inhoud van de overgelegde jaarrekeningen roept vragen op over de wijze waarop [verzoeker] zijn onderneming voert en de bewindvoerder daarop toeziet.
Zo blijkt uit de jaarrekeningen dat de winst in de afgelopen jaren is toegenomen, maar de toegenomen winst heeft feitelijk niet geleid tot een toename in de afdrachtcapaciteit ten gunste van de schuldeisers.

In 2018 is een aantal kostenposten aanzienlijk gestegen: onder andere de relatiegeschenken van € 544 naar € 1.930, de bekeuringen van € 102 naar € 654, de kantoorbenodigdheden van € 565 naar € 1.454 en de werkkleding van € 449 naar

€ 3.714. Uit het overzicht van de materiële vaste activa maakt de rechtbank op dat [verzoeker] binnen één jaar twee computers (‘HP Paviljon’ en ‘Asus Notebook’) en twee mobiele telefoons (‘Apple Iphone’ en ‘Samsung Galaxy S9’) heeft aangeschaft ten behoeve van zijn onderneming.

De stijging van de kostenposten en de aanschaf van activa, waarvan de noodzakelijkheid niet is gebleken of bevestigd door de bewindvoerder, drukken het resultaat over 2018. Ook laat [verzoeker] in 2018 meer crediteuren onbetaald; de post is van € 26.140 toegenomen tot € 34.968.

3.14.

Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat de voortzetting van de onderneming financieel gezien weinig tot niets oplevert voor de schuldeisers. Bovendien zijn de risico’s aanzienlijk en is niet aannemelijk gemaakt dat de onderneming op verantwoorde wijze en onder toeziend oog van de bewindvoerder wordt gedreven.
Opheffing van de onderneming heeft tot gevolg dat [verzoeker] zich moet inspannen om een baan in loondienst te vinden. [verzoeker] en de bewindvoerder hebben aangevoerd dat het onzeker is of [verzoeker] een baan vindt, die ook nog eens meer oplevert dan de onderneming. Die onzekerheid weegt in het onderhavige geval minder zwaar dan de risico’s van het ondernemen. Te meer nu het ondernemen feitelijk niets voor de boedel oplevert en er derhalve geen zeker financieel belang tegenover de onzekerheid over een baan in loondienst kan worden gesteld. Ook de kosten, die niet nader zijn gespecificeerd door [verzoeker] , die opheffing van de onderneming met zich meebrengt, zouden geen zijn aanleiding om het voortzetten van de onderneming alsnog toe te staan.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op

1 mei 2019.