Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4074

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 74
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning. Uitleg van de planregels. De betreffende bepaling moet worden uitgelegd als een overgangsrechtelijke bepaling. Geen strijd met het bestemmingsplan.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/74

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. S.C.M. Suijkerbuijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, verweerder

(gemachtigden: mr. J. van Dodewaard en N. Roelofs).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning bouwen verleend voor het realiseren van een uitbreiding van de woning aan de [adres] in [woonplaats] .

Bij besluit van 19 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019. Eiseres [eiseres] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen, vergezeld van zijn partner [A] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Derde-partij heeft op 13 april 2018 een aanvraag ingediend voor het bouwen van een verdieping op de aanbouw aan de achterzijde van zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] (het perceel). Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

Eisers wonen naast derde-partij aan de [adres] in [woonplaats] . Het bestemmingsplan [woonplaats] is van toepassing op het perceel.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat de overige weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zich ook niet voordoen. Het gaat om een gebonden beschikking en verweerder is gehouden de gevraagde vergunning te verlenen.

3. Partijen zijn het erover eens dat dat het bouwplan moet worden aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw.

4. Eisers hebben op de zitting hun gronden over overschrijding van het bouwvlak en over het bestaan van privaatrechtelijke belemmeringen ingetrokken, zodat de rechtbank aan een bespreking van die gronden niet toekomt. Ter voorlichting van eisers wijst de rechtbank nog op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 september 2018 (ABRvS, ECLI:NL:RVS:2018:3067, rechtsoverweging 107.1). Hieruit blijkt dat als geen van de weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo zich voordoet, de omgevingsvergunning moet worden verleend. Uit dit stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om omgevingsvergunningen voor alleen het bouwen op andere gronden, zoals het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering, te weigeren.

5. Eisers voeren aan dat het bouwplan de volgens de planregels toegestane maximale goothoogte overschrijdt.

6.1.

Artikel 15.2 van de planregels luidt:

“Op de tot ‘Wonen’ bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

15.2.1

Hoofdgebouwen

voor hoofdgebouwen de volgende regels gelden:

c. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mogen niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ aangegeven hoogte bedragen;

f. in afwijking van het bepaalde onder artikel 15 lid 2.1 sub c tot en met artikel 15 lid 2.1 sub e geldt dat afwijkingen in de genoemde maten, zoals die bestonden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, gelden als minimale dan wel maximale maat.”

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 15.2.1 onder c van de planregels in samenhang met wat op de verbeelding van het bestemmingsplan is aangegeven een maximale goothoogte geldt van 6 meter. Het bouwplan blijft daarbinnen. Artikel 15.2.1 onder f is niet van toepassing. Artikel 15.2.1 onder f is een overgangsrechtelijke bepaling voor bouwwerken die al bestonden ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan die afwijken van de nieuw toegestane goot- en bouwhoogte. Volgens verweerder is het gebruikelijk dat een dergelijke bepaling in het voordeel van de eigenaar van het bouwwerk wordt uitgelegd. Een goot- of bouwhoogte die al hoger was dan de nieuwe planregels toelaten, geldt dan als maximale maat. Als de bestaande goothoogte minder is dan de nieuw toegestane hoogte, geldt de bestaande hoogte als minimale maat.

6.3.

Eisers stellen dat artikel 15.2.1 onder f van toepassing is, omdat de te verbouwen woning al bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het bestemmingsplan. De bestaande goothoogte geldt daarom als minimale of maximale maat. Omdat de bestaande goothoogte met het bouwplan wordt overschreden, had verweerder de vergunning moeten weigeren.

6.4.

De rechtbank overweegt dat de maatvoering op de verbeelding in beginsel bepalend is.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat artikel 15.2.1 onder f van de planregels moet worden gezien als een overgangsrechtelijke bepaling die hier niet van toepassing is.

De rechtbank stelt vast dat de tekst van artikel 15.2.1 onder f niet uitblinkt in helderheid, maar volgt de uitleg die verweerder daaraan geeft. Voor de uitleg van een planregel die niet (geheel) duidelijk is, mag volgens vaste rechtspraak van de ABRvS aansluiting worden gezocht bij de bedoeling van de planregel, zoals deze uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt. Uit de toelichting op het bestemmingsplan [woonplaats] leidt de rechtbank ook af dat niet bedoeld is om met onderdeel f de uitgangspunten zoals neergelegd in de verbeelding en artikel 15.2.1 onder c van de planregels in bestaande situaties geheel ter zijde te schuiven. De keuze voor de maximale goot- en bouwhoogten zoals die op de verbeelding zijn aangegeven, is in de toelichting gemotiveerd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om de stelling van eisers dat het bestemmingsplan puur conserverend is en dat daarom onderdeel f moet worden toegepast, te volgen.

6.5.

Gelet op het vorenstaande geldt voor de woning de maximale goothoogte van 6 meter zoals aangegeven op de verbeelding. Niet in geschil is dat de goothoogte van het bouwplan lager is. De goothoogte is dus niet in strijd met het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eisers voeren nog aan dat het welstandsadvies onvoldoende is gemotiveerd.

8.1.

Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS hoeft het overnemen van een welstandsadvies in de regel niet nader gemotiveerd te worden, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies heeft overgelegd van een andere deskundige. Dit is anders als het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

8.2.

Op de zitting hebben eisers verklaard dat zij het advies van de welstandscommissie begrijpen als de goothoogte van het bouwplan is toegestaan. Zoals hiervoor is overwogen is de goothoogte toegestaan volgens het bestemmingsplan. Eisers hebben verder ook geen tegenrapport van een deskundige overgelegd. De rechtbank acht het advies van de welstandscommissie voldoende begrijpelijk en inzichtelijk gemotiveerd. Verweerder heeft het bestreden besluit in redelijkheid op dit advies kunnen baseren. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.A. Bultena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.