Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4059

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
28-02-2020
Zaaknummer
482401/FL RK 19-1081
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verbod verhuizing, vrouw wil samen met haar moeder en zus samenwonen terwijl partijen in traject ouderschapsbemiddeling zitten om de omgang uit te breiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/482401 / FL RK 19-1081

Beschikking van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,,

advocaat mr. M.M. van Maanen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. I.M.G. Maste.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De vrouw heeft op 11 juni 2018 een schriftelijk verzoek tot geschillenbeslechting ex artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend.

1.2.

De man heeft op 25 juni 2019 een verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingediend.

1.3.

De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

1.4.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- een brief met bijlagen d.d. 1 juli 2019 van de vrouw.

1.5.

De verzoeken zijn besproken op de zitting van 4 juli 2019.

Op die zitting waren aanwezig:

  • -

    partijen met hun advocaten;

  • -

    mevrouw L.M. Roelofs, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2 Vaststaande feiten

2.1.

De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Hun minderjarige kind is:

- [minderjarige], geboren op [2011] te [geboorteplaats] (hierna [minderjarige] ).

2.3.

De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.4.

Bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 31 januari 2019 is een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vastgesteld inhoudende dat [minderjarige] eenmaal per veertien dagen, telkens van vrijdagmiddag uit school tot maandagmiddag na school bij de man verblijft. Voorts is partijen verzocht om de rechtbank binnen zes maanden na datum van de beschikking te informeren over de resultaten van de ouderschapsbemiddeling en de gewenste voortgang van de procedure.

3 Verzoeken en verweren

3.1.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om samen met [minderjarige] in augustus 2019 te verhuizen naar [woonplaats] en haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de [basisschool] .

Ter onderbouwing van haar verzoeken heeft de vrouw aangevoerd dat zij na het verbreken van de relatie samen met [minderjarige] bij haar moeder (hierna: oma) is gaan wonen. Zij stelt dat het voor haar, gezien haar lage inkomen, geen optie was om alternatieve woonruimte in [woonplaats] te zoeken. Bijkomend voordeel is dat oma op [minderjarige] kan passen. Oma is een belangrijke hechtingsfiguur voor [minderjarige] , aldus de vrouw. Oma heeft onlangs besloten om te verhuizen. Zij heeft haar woning verkocht en , samen met de zus van de vrouw, een woonboerderij in [woonplaats] gekocht. Oma heeft altijd de wens gehad om in het oosten van het land te gaan wonen. Zij heeft daar in het verleden gewoond en haar familie woont in [woonplaats] . De vrouw wil zich samen met oma, haar zus en [minderjarige] vestigen in [woonplaats] omdat zij sociaal en economisch afhankelijk is van oma. Zij heeft onvoldoende inkomen om een woning te kopen of te huren in de buurt waar zij nu woont. De zorgregeling tussen de man en [minderjarige] wordt volgens de vrouw niet verminderd of belemmerd. Buiten de weekendregeling is er geen omgang tussen de man en [minderjarige] . De weekendregeling moet wel worden verkort van maandagochtend naar zondagavond maar de vrouw is bereid om de man te compenseren in zoverre dat als [minderjarige] op maandag een vrije dag heeft, de vrouw [minderjarige] op maandagavond zal komen ophalen. Voorts is de vrouw bereid om het halen en brengen voor haar rekening te nemen. De vrouw heeft intussen geschikte scholen voor [minderjarige] gevonden in de nabijheid van de nieuwe woning. De man geeft echter geen toestemming voor de verhuizing. Volgens de vrouw is voldaan aan de in de rechtspraak geformuleerde criteria voor een verhuizing waaraan getoetst moet worden. Zij is dan ook van mening dat haar verzoeken moeten worden toegewezen.

3.2.

De man verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken van de vrouw. In de beschikking van de rechtbank van 31 januari 2019 is overwogen dat partijen in ouderschapsbemiddeling zullen proberen om de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] uit te breiden. Mochten de vrouw en [minderjarige] naar [woonplaats] verhuizen, dan is uitbreiding van de zorgregeling niet meer mogelijk. Zelfs de huidige zorgregeling kan niet meer uitgevoerd worden. Bovendien gaat de reistijd ten koste van de omgang. Verder voorziet de man dat, als [minderjarige] ouder wordt en eigen sociale activiteiten ontplooit, de zorgregeling nog verder wordt ingeperkt. De man betwist dat het voor de vrouw noodzakelijk is dat zij gaat verhuizen naar [woonplaats] . De vrouw, oma en zus wonen al heel lang in [woonplaats] zodat oma ook een andere woning in [woonplaats] had kunnen kopen. Verder heeft de man twijfels over de locatie van de woonboerderij in [woonplaats] omdat deze erg afgelegen ligt. De man is van mening dat de vrouw onvoldoende aantoont dat zij zich inzet om een woning in [woonplaats] en een beter betaalde baan in [woonplaats] te verkrijgen. De vrouw toont ook niet aan dat zij geprobeerd heeft om een urgentie te krijgen. Ook betwist de man dat oma een opvoedende rol heeft. De man heeft er moeite mee dat hij door de vrouw voor een voldongen feit is gesteld en de vrouw tijdens de zitting in de bodemprocedure niet heeft gemeld dat zij van plan was om te verhuizen. De door de vrouw uitgekozen scholen vindt de man niet geschikt voor [minderjarige] . Het zijn namelijk erg kleine scholen waarin veel leeftijdsverschillen zijn. De man is van mening dat de vrouw de verhuizing niet goed heeft voorbereid en onvoldoende heeft doordacht en de belangen van haar familie heeft laten prevaleren boven die van [minderjarige] . De man concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw. Bij wege van zelfstandige verzoeken heeft de man verzocht, voor het geval de vrouw gaat verhuizen naar [woonplaats] , om primair de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen. Subsidiair verzoekt de man, voor het geval het verzoek van de vrouw wordt toegewezen, om de volgende zorgregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen:

  • -

    gedurende drie opeenvolgende weekenden per maand van vrijdag 16:00 uur tot zondagavond 19:00 uur;

  • -

    de helft van de schoolvakanties aaneengesloten en wel de eerste helft in de oneven jaren en de tweede helft in de even jaren, met dien verstande dat [minderjarige] de gehele voorjaarsvakantie bij de man is in de even jaren en de herfstvakantie in de oneven jaren;

  • -

    Vaderdag;

waarbij de vrouw [minderjarige] brengt en haalt;

  • -

    te bepalen dat de vrouw aan de man per keer dat hij naar [woonplaats] komt voor ouderavonden, sportwedstrijden etc. een brandstofvergoeding betaalt van € 0,28 per gereden kilometer;

  • -

    te bepalen dat de man en [minderjarige] dagelijks om 19:00 uur via Skype, Facetime of anderszins via beeld (naar keuze van de man) contact hebben gedurende ten minste 15 minuten.

3.3.

De Raad is van mening dat sprake is van een complexe situatie. Voor [minderjarige] zou het fijn zijn als ouders samen tot een oplossing komen. Er moet gekeken worden naar het belang van [minderjarige] . Mocht de vrouw gaan verhuizen dan wordt [minderjarige] uit zijn vertrouwde omgeving gehaald, raakt hij zijn vriendjes kwijt en woont hij op grote afstand van zijn vader. De Raad biedt aan om onderzoek te doen of een verhuizing in het belang van [minderjarige] is maar merkt daarbij op dat een onderzoek veel tijd in beslag zal nemen.

4 Beoordeling van de verzoeken

4.1.

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat zij voor de verhuizing van een minderjarige toestemming van de andere ouder nodig hebben. Indien partijen het hierover niet eens worden, zal de rechter hierover desgevraagd een beslissing nemen. De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen en zal geen gebruik maken van het aanbod van de Raad om onderzoek te doen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat partijen behoefte hebben aan duidelijkheid op een korte termijn terwijl een onderzoek door de Raad, gezien de wachtlijsten, langere tijd zal gaan duren.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als hier voorligt niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen, waaronder:

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan de verhuizingen;

  • -

    de extra kosten van de omgang na de verhuizing.

4.3.

Het uitgangspunt is dat de ouder waarbij de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, in beginsel vervangende toestemming kan krijgen om te verhuizen indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging, zoals hierboven vermeld, een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Na een scheiding moet een ouder de mogelijkheid hebben zelfstandig een eigen leven op te bouwen waarbij de minderjarige in het algemeen de ouder volgt bij wie hij in hoofdzaak verblijft. De belangen van de moeder, de vader en de minderjarige zullen daarbij niet altijd parallel lopen. Toch moet de verzorgende ouder geacht worden bij tegengestelde belangen een zekere beslissingsvrijheid in deze te hebben. De rechtbank overweegt dat daarbij het recht van de niet-verzorgende ouder om contact met zijn kind te behouden zeer zorgvuldig dient te worden meegewogen.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de noodzaak om te verhuizen onvoldoende heeft aangetoond. De relatie tussen partijen is al enkele jaren geleden verbroken en de vrouw is destijds samen met [minderjarige] bij oma ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat het voor de vrouw onmogelijk is om nu een woning in [woonplaats] te verkrijgen. Gelet op het inkomen van de vrouw ligt het voor de hand dat zij is aangewezen op een sociale huurwoning. De vrouw staat kennelijk al enige tijd ingeschreven voor een woning in [woonplaats] en niet valt in te zien waarom zij niet in aanmerking zou kunnen komen voor een urgentie. De vrouw beschikt immers, in verband met de verkoop van de woning van oma en de aankoop van de woonboerderij in [woonplaats] , binnenkort niet meer over woonruimte in [woonplaats] terwijl zij de zorg voor een kind heeft. De rechtbank constateert dat de vrouw geen urgentie heeft aangevraagd. De enkele stelling van de vrouw dat zij de urgentiewijzer [woonplaats] heeft ingevuld en waarschijnlijk geen urgentie verkrijgt, acht de rechtbank in dat verband onvoldoende.

Voorts is niet vast komen te staan dat de vrouw financieel afhankelijk is van oma. Zij heeft zelf gesteld dat zij een inkomen genereert van € 1.825,00 netto per maand, exclusief vakantietoeslag. Daarnaast kan de vrouw nog aanspraak maken op inkomensafhankelijke toeslagen (kindgebonden budget, alleenstaande ouderkop, inkomensafhankelijke combinatiekorting, zorgtoeslag en eventueel huurtoeslag). Het inkomen van de vrouw ligt dus ruim boven bijstandsniveau en de vrouw moet in staat worden geacht om zichzelf en [minderjarige] te bedruipen. Bovendien is onzeker of de vrouw in de omgeving van [woonplaats] een baan kan vinden die wat uren en salaris betreft vergelijkbaar is met haar huidige baan. De vrouw moet haar huidige baan nog opzeggen en heeft nog geen nieuwe baan in [woonplaats] of omgeving.

Wat betreft de opvang(kosten) overweegt de rechtbank dat het voor de vrouw, die zelf werkzaam is in de kinderopvang, mogelijk moet zijn om buitenschoolse opvang voor [minderjarige] te regelen. Bovendien kan de vrouw aanspraak maken op kinderopvangtoeslag. Ook de man heeft zich bereid getoond om mee te denken in de opvang van [minderjarige] .

4.5.

De rechtbank is verder van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de vrouw de verhuizing onvoldoende heeft doordacht en voorbereid. Oma heeft een huis gekocht in [woonplaats] en de vrouw heeft besloten om samen met [minderjarige] mee te verhuizen zonder de man in deze keuze te betrekken. De vrouw heeft hem niet geïnformeerd over de voorgenomen verhuizing en heeft hem ook niet geconsulteerd. Zij heeft de man voor een voldongen feit gesteld. Dit terwijl partijen op dat moment een traject ouderschapsbemiddeling volgden met als doel om in overleg tot uitbreiding van de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te komen. De rechtbank deelt het standpunt van de vrouw niet dat de verhuizing geen gevolgen heeft voor de zorgregeling. De huidige voorlopig vastgestelde weekendregeling wordt ingeperkt van de maandag naar de zondagavond terwijl de door de vrouw geboden compensatie weinig concreet is. Bovendien negeert de vrouw dat partijen zouden toewerken naar een uitbreiding van de zorgregeling, ook wat betreft het delen van de vakanties en feestdagen. Een verhuizing naar [woonplaats] staat een verdere uitbreiding van de zorgregeling in de weg. De vrouw ontneemt op deze wijze de kans van de man op gelijkwaardig ouderschap en de mogelijkheid om de zorg voor [minderjarige] zoveel mogelijk te delen. De vrouw heeft door haar besluit een conflict tussen partijen gecreëerd met als resultaat dat de ouderschapsbemiddeling intussen is stopgezet en in de bodemprocedure is verzocht om een nieuwe zitting te bepalen. De rechtbank acht het door de vrouw gekozen tijdstip om te verhuizen, kort na de zitting in de bodemprocedure en het starten van het ouderschapsbemiddelingstraject, zeer ongelukkig.

De hiervoor geschetste gang van zaken heeft begrijpelijkerwijs geen positief effect gehad op de communicatie tussen partijen, welke al moeizaam verliep. De rechtbank verwacht dan ook dat de verhuizing naar [woonplaats] de communicatie tussen partijen nog verder doet verslechteren.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de man en de minderjarige bij uitbreiding van hun contact zwaarder wegen dan het belang van de vrouw om samen met de minderjarige bij haar moeder en zus in [woonplaats] te gaan wonen. Daarom zal haar verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing worden afgewezen.

Omdat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de verzoeken van de man. Deze zullen eveneens worden afgewezen.

De kosten van deze procedure

4.6.

De kinderrechter zal beslissen dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt, omdat dat gebruikelijk is in het familierecht.

5 Beslissing

De kinderrechter:

5.1.

wijst de verzoeken van de vrouw en de man af;

5.2.

bepaalt dat de man en de vrouw hun eigen proceskosten betalen;

Deze beschikking is gegeven door mr. P.K. Nihot (voorzitter), mr. P.R. Tjallema, mr. M.M. Janssen, (kinder)rechters, in aanwezigheid van F. Arbeider als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Hoger beroep

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.