Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:403

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
7114824 UE VERZ 18-297
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (186 Rv) afgewezen. Geen belang bij verzoek gericht tegen verweerders, fishing expedition. Horen van getuigen draagt niet bij aan het verkrijgen bewijs.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2019:402)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7114824 UE VERZ 18-297 M/30364

Beschikking van 6 februari 2019

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] BV, ook handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.H. Even,

tegen:

1 [verweerder sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [verweerder sub 2],

wonende te [woonplaats]

3. [verweerder sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

verweerders,

gemachtigde: mr. W.M. van Dijk.

Partijen zullen hierna [handelsnaam] , [verweerder sub 3] , [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] worden genoemd. [verweerder sub 3] , [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] worden hierna gezamenlijk ook verweerders genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

[handelsnaam] heeft een verzoekschrift, op 1 augustus 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen, ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen.

1.2.

De griffier van deze rechtbank heeft partijen opgeroepen tegen de terechtzitting van 28 november 2018.

1.3.

Verweerders hebben een verweerschrift, op 21 november 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen, ingediend.

1.4.

Ter zitting zijn verschenen:

- mr. Even, advocaat voornoemd;

- mevrouw mr. Poutsma, kantoorgenoot van mr. Even;

- de heer [A] , directeur bij [handelsnaam] ;

- de heer [B] , medewerker HR bij [handelsnaam] ;

- mevrouw mr. Van Dijk, advocaat voornoemd;

- mr. Maurik, kantoorgenoot van mevrouw mr. Van Dijk;

- de heer [verweerder sub 1] , in persoon;

- de heer [verweerder sub 2] , in persoon;

- de heer [verweerder sub 3] , in persoon.

1.5.

Ten slotte is de uitspraak nader bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

[handelsnaam] behoort tot de […] groep (hierna: [afkorting] ). [handelsnaam] is vanuit Nederland in de Benelux actief op het gebied van distributie van fitnessapparatuur en het inrichten van onder andere fitnesscentra en sportscholen. [handelsnaam] verkoopt haar fitnessapparatuur aan ondernemingen (Business to Business) en overheidsinstellingen.

2.2.

Verweerders zijn oud-werknemers van [handelsnaam] en zijn in (de loop van) 2018 allen in dienst getreden bij [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ).

2.3.

In hun arbeidsovereenkomsten met [handelsnaam] hadden verweerders allen verschillende post-contractuele bedingen, waaronder een non-concurrentiebeding, relatiebeding en anti-ronselbeding.

2.4.

Bij brieven van 18 april 2018 heeft [handelsnaam] verweerders geschreven dat zij verschillende post-contractuele bedingen hebben overtreden. Verweerders worden gesommeerd de overtreding(en) te staken en de reeds verbeurde boetes aan [handelsnaam] te betalen. Verweerders hebben allen betwist dat zij de post-contractuele bedingen hebben overtreden.

2.5.

[handelsnaam] heeft verweerders vervolgens gedagvaard, staking van de overtredingen en boetes gevorderd. Bij vonnis van (eveneens) 30 januari 2019 zijn de vorderingen van [handelsnaam] afgewezen.

3 Verzoek

3.1.

Het verzoek strekt ertoe dat de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal bevelen.

3.2.

[handelsnaam] wenst in de gelegenheid te worden gesteld getuigen te (doen) horen opdat door haar (nader) bewijs vergaard wordt aangaande haar stelling dat:

  1. [bedrijfsnaam] een concurrent is van [handelsnaam] die zich op de Benelux-markt richt;

  2. verweerders ten behoeve van [bedrijfsnaam] actief zijn op de Benelux-markt;

  3. [verweerder sub 1] [verweerder sub 2] heeft geronseld voor [bedrijfsnaam] ;

  4. [verweerder sub 3] geen ontheffing van zijn non-concurrentiebeding heeft gekregen;

  5. verweerders door [bedrijfsnaam] worden gevrijwaard voor de overtreding van het concurrentie-, relatie- en anti-ronselbeding in de relatie met [handelsnaam] ;

  6. verweerders ten minste een faciliterende rol hebben gespeeld bij het benaderen van relaties van [handelsnaam] in de Benelux.

3.3.

[handelsnaam] wenst daartoe verweerders als getuigen te horen.

3.4.

Verweerders verzetten zich tegen het verzoek en vragen het verzoek af te wijzen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat [handelsnaam] geen belang heeft bij haar verzoek, zij niet-relevante vragen heeft geformuleerd, het verzoek onvoldoende onderbouwd is, zij misbruik maakt van de mogelijkheid tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, er sprake is van een fishing expedition en tot slot dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde.

4 Beoordeling van het verzoek

4.1.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de kantonrechter het volgende voorop. De doelstelling van een voorlopig getuigenverhoor is (onder meer) een partij de mogelijkheid te verschaffen om aan de hand van een voorlopig getuigenverhoor zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van een geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten. Voorts geldt dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in beginsel moet worden toegewezen.

4.2.

Op voornoemd uitgangspunt heeft de Hoge Raad uitzonderingen aanvaard (vgl. Hoge Raad 21 november 2008, LJN:BF3938):

  • -

    als het verzoek in strijd is met de eisen van een goede procesorde;

  • -

    als van de bevoegdheid tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor misbruik wordt gemaakt, bijvoorbeeld indien de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten;

  • -

    als verzoeker daarbij geen belang heeft als bedoeld in artikel 3:303 BW;

  • -

    als het verzoek afstuit op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

4.3.

Voor zover van belang, zal hierna op de standpunten van partijen worden ingegaan.

4.4.

[handelsnaam] heeft aan haar verzoek tot het horen van verweerders een aantal redenen, zoals beschreven in rechtsoverweging 3.2., ten grondslag gelegd. [handelsnaam] heeft aangevoerd dat zij wil weten of [bedrijfsnaam] een concurrent is van [handelsnaam] , [bedrijfsnaam] zich (mede) richt op de Benelux markt, [bedrijfsnaam] verweerders vrijwaart voor overtreding(en) van de post-contractuele bedingen en of verweerders een faciliterende rol hebben gespeeld bij benadering van relaties van [handelsnaam] door [bedrijfsnaam] . Ten aanzien van deze, alle op de activiteiten van [bedrijfsnaam] en niet verweerders gerichte, redenen heeft [handelsnaam] naar het oordeel van de kantonrechter geen belang bij haar verzoek. Ook worden deze redenen aangemerkt als fishing expedition ingesteld tegen verweerders maar gericht op [bedrijfsnaam] , teneinde inzicht te verkrijgen in de activiteiten, bedrijfsinformatie en/of strategieën van concurrent [bedrijfsnaam] op de Benelux markt. Daarvoor is het voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld. Indien [handelsnaam] van oordeel is dat [bedrijfsnaam] haar (met behulp van verweerders) op onrechtmatige wijze beconcurreert, had zij haar verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dienen te richten tegen [bedrijfsnaam] en niet tegen verweerders.

4.5.

De overige redenen die [handelsnaam] aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd zien op overtreding van post-contractuele bedingen door verweerders. Weliswaar hebben deze redenen betrekking op de verhouding tussen haar en verweerders, tot toewijzing van het gevraagde getuigenverhoor kan het niet leiden. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

4.6.

Onderhavig verzoek van [handelsnaam] is op 1 augustus 2018 ter griffie ontvangen. Op 17 juli 2018 heeft [handelsnaam] aan verweerders de dagvaarding voor de bodemprocedure laten betekenen. In deze dagvaarding heeft [handelsnaam] gemotiveerd uiteengezet dat verweerders de post-contractuele bedingen hebben overtreden. Onderhavig verzoek kan zodoende niet worden aangemerkt als grondslag voor een tegen verweerders te voeren bodemprocedure. Die procedure was op het moment van indienen van dit verzoek immers al aangevangen.

4.7.

Gelijktijdig met de uitspraak in onderhavig verzoek, wordt ook vonnis gewezen in voornoemde bodemprocedures. Daarin is, kort samengevat, geoordeeld dat verweerders de voorgelegde postcontractuele bedingen niet hebben overtreden. [handelsnaam] heeft onvoldoende gesteld en onvoldoende onderbouwd welk belang zij nog heeft bij het horen van verweerders omtrent vermeende schending van de postcontractuele bedingen. Van een gerechtvaardigd belang aan de zijde van [handelsnaam] , om nog te worden toegelaten tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, is derhalve geen sprake. Dat geldt te meer nu verweerders in het verweerschrift en ter zitting uitvoerig uiteengezet hebben op welke wijze zij bij [bedrijfsnaam] in dienst zijn getreden en op welke wijze zij voor [bedrijfsnaam] werkzaam zijn. Het horen van getuigen hierover kan niet bijdragen tot het verkrijgen van (nader) bewijs voor de stellingen van [handelsnaam] . Daarbij neemt de kantonrechter in ogenschouw de in de bodemprocedure door de kantonrechter gegeven uitleg aan het concurrentiebeding en het anti-ronselbeding.

4.8.

[handelsnaam] heeft onvoldoende gesteld en onvoldoende onderbouwd welke feiten en omstandigheden (nog) onduidelijk zijn en in welke zin het houden van een voorlopig getuigenverhoor zal kunnen bijdragen aan het verkrijgen van (nog meer) duidelijkheid voor de beoordeling van haar bewijs- en rechtspositie ten opzichte van verweerders. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

4.9.

[handelsnaam] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van verweerders wordt begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 200,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

veroordeelt [handelsnaam] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verweerders begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.