Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4020

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
7803125 UA EXPL 19-930
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verschuldigdheid van achterstallige zorgpremies bij dakloze gedaagde en beëindiging van de verzekeringsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7803125 UA EXPL 19-930 NS/20854

Vonnis van 4 september 2019

inzake

de naamloze vennootschap

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Zilveren Kruis,

eisende partij,

gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2019, waarmee een zitting is bepaald;

  • -

    de schriftelijke reactie van Zilveren Kruis op het verweer;

  • -

    de zitting van 21 augustus 2019, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden en waar aanwezig was de heer B. Boos, gemachtigde van Zilveren Kruis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Zilveren Kruis vordert - kort gezegd - betaling door [gedaagde] van:

I. € 1.006,02 aan openstaande premie voor de maanden september 2014 t/m augustus 2015 en de premie correcties voor de maanden augustus 2014 en september 2014;

II. € 88,10 aan wettelijke rente berekend tot 12 april 2019;

III. € 182,59 aan buitengerechtelijke incassokosten;

IV. de proceskosten.

2.2.

[gedaagde] betwist de vordering. [gedaagde] voert aan dat hij vanaf 2009 tot juli 2014 via het Leger des Heils in een [..] heeft gewoond. Hij is toen opnieuw dakloos geworden. [gedaagde] voert aan dat hij toen contact heeft opgenomen met Zilveren Kruis en heeft doorgegeven dat hij niet langer verzekerd kon zijn. Zijn zorgtoeslag en huurtoeslag zijn met ingang van juli 2014 ook stopgezet. Hieruit kan je volgens [gedaagde] afleiden dat de vordering na juli 2014 niet terecht is.

2.3.

Zilveren Kruis betwist dat er door [gedaagde] is opgezegd.

Wel bevestigt Zilveren Kruis dat zij er in juli 2015 achter kwam dat [gedaagde] tussen 19 januari 2015 en 13 januari 2017 niet meer stond in geschreven in de Basisregistratie personen (hierna BPR). Zilveren Kruis heeft ter zitting aangevoerd dat zij weliswaar personen met terugwerkende kracht kan uitschrijven, maar dat zij deze verplichting niet heeft.

3 De beoordeling

3.1.

Zilveren Kruis heeft voorafgaand aan de zitting een financieel overzicht opgestuurd. Daaruit blijkt dat aan hoofdsom € 1.006,02 open staat. Dit bedrag is berekend tot en met de premie van augustus 2015.

3.2.

Op grond van artikel 6 lid 4 Zorgverzekeringswet (hierna Zvw) moet de verzekerde de zorgverzekeraar zelf op de hoogte stellen van alle feiten die kunnen leiden tot het einde van zijn verzekeringsplicht. Dat [gedaagde] dat hier heeft gedaan, is door Zilveren Kruis betwist en is niet komen vast te staan. In de Zvw is echter ook bepaald dat de zorgverzekering van rechtswege eindigt als de verzekeringsplicht vervalt. De verzekeringsplicht voor de Zvw is gekoppeld aan de kring van verzekerden ingevolge de Wet langdurige zorg (hierna Wlz). Indien iemand niet Wlz-verzekerd is, is er ook geen verzekeringsplicht voor de Zvw. Wlz-verzekerd zijn – kort gezegd – mensen die in NL wonen óf werken. De inschrijving in de BRP is daarbij een belangrijke aanwijzing voor het ingezetenschap.

3.3.

Nadat Zilveren Kruis ontdekte dat [gedaagde] was uitgeschreven uit de BRP, heeft zij uit eigen beweging de verzekering beëindigd. Dat deed zij kennelijk omdat zij aannam dat de verzekeringsplicht van [gedaagde] was geëindigd. Daar van uit gaande, is het onbegrijpelijk dat de verzekering niet met terugwerkende kracht is beëindigd met ingang van de dag nadat [gedaagde] niet meer beschikte over een BRP adres. Immers eindigt de zorgverzekering van rechtswege als de verzekeringsplicht vervalt. Om die reden is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] geen premie’s verschuldigd is in de periode 20 januari 2015 tot en met 13 januari 2017. De kantonrechter zal daarom slechts de premies tot en met 19 januari 2015 van in totaal € 648,49 toewijzen.

3.4.

Omdat [gedaagde] de premies niet op tijd heeft betaald is hij wettelijke rente verschuldigd aan Zilveren Kruis. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen zoals hierna vermeld.

3.5.

Zilveren Kruis heeft € 182,59 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Zilveren Kruis heeft op 22 maart 2019 aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW en het gevorderde bedrag komt overeen met de in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief, zodat deze vordering ook wordt toegewezen.

3.6.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter ziet echter wel aanleiding om het salaris van de gemachtigde te verlagen naar 1 punt. Zilveren Kruis heeft namelijk in de dagvaarding geen uitleg gegeven over het stoppen van de verzekering toen [gedaagde] niet meer verzekeringsplichtig was, terwijl het wel op de weg van Zilveren Kruis lag om dit nader te onderbouwen. Zilveren Kruis heeft hierdoor niet voldaan aan haar substantieringplicht. De kosten aan de zijde van Zilveren Kruis worden begroot op:

- dagvaarding € 103,06

- griffierecht € 486,00

- salaris gemachtigde € 180,00 (1 punten x tarief € 180,00)

Totaal € 769,06

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Zilveren Kruis tegen bewijs van kwijting te betalen €831,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop elk bedrag verschuldigd was tot de dag waarop alles is betaald, waarbij rekening wordt gehouden met tussentijdse betalingen;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Zilveren Kruis, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 769,06, waarin begrepen € 180,00 aan salaris gemachtigde;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 september 2019.