Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:402

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
7089491 UC EXPL 18-8304, 7089546 UC EXPL 18-8305, 7089561 UC EXPL 18-8306
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen overtreding van het non-concurrentiebeding en het anti-ronselbeding (aftroggelbeding). Anti-ronselbeding in strijd met grondrechten: het recht op vrijheid van verplaatsing, het recht op privacy en het recht op vrije meningsuiting.

(ZEI OOK: ECLI:NL:RBMNE:2019:403)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0192
JAR 2019/81
Prg. 2019/113
RAR 2019/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7089491 UC EXPL 18-8304 M/30364 (hoofdzaak)

7089546 UC EXPL 18-8305 M/30364 (hoofdzaak)

7089561 UC EXPL 18-8306 M/30364 (provisionele vordering)

Vonnis van 6 februari 2019

inzake ( [partij II] (7089491 UC EXPL 18-8304)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[partij I] BV, ook handelend onder de naam [handelsnaam 1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. J.H. Even,

tegen:

[partij II] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. W.M. van Dijk .

en inzake ( [partij III] en [partij IV] (7089546 UC EXPL 18-8305)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[partij I] BV, ook handelend onder de naam [handelsnaam 1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. A.J.H. Rutten,

tegen:

1 [partij III] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [partij IV] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. W.M. van Dijk .

en inzake ( [partij IV] (7089561 UC EXPL 18-8306) (incident))

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[partij I] BV, ook handelend onder de naam [handelsnaam 1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J.H. Rutten,

tegen:

[partij IV] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W.M. van Dijk .

Partijen zullen hierna [handelsnaam 1] , [partij II] , [partij III] en [partij IV] worden genoemd.

1 De procedure

Inzake [partij II] (7089491 UC EXPL 18-8304)

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het vonnis van 17 oktober 2018;

- de mondelinge behandeling op 28 november 2018;

- de brief van mr. Even van 23 november 2018 met een aanvullende productie;

- de brieven van mr. Even van 11 en 18 december 2018;

- de brief van mr. Van Dijk van 18 december 2018.

Inzake [partij III] en [partij IV] (7089546 UC EXPL 18-8305)

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het vonnis van 17 oktober 2018;

- de mondelinge behandeling op 28 november 2018;

- de brief van mr. Even van 11 december 2018;

- de brief van mr. Rutten van 18 december 2018;

- de brief van mr. Van Dijk van 18 december 2018.

Inzake [partij IV] (7089561 UC EXPL 18-8306) (incident)

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- het vonnis van 17 oktober 2018;

- de mondelinge behandeling op 28 november 2018;

- de brief van mr. Even van 11 december 2018;

- de brief van mr. Rutten van 18 december 2018;

- de brief van mr. Van Dijk van 18 december 2018.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[handelsnaam 1] behoort tot de [......] groep (hierna: [afkorting] ). [handelsnaam 1] is vanuit Nederland in de Benelux actief op het gebied van distributie van fitnessapparatuur en het inrichten van onder andere fitnesscentra en sportscholen. [handelsnaam 1] verkoopt haar fitnessapparatuur aan ondernemingen (Business to Business) en overheidsinstellingen.

Inzake [partij II] (7089491 UC EXPL 18-8304)

2.2.

[partij II] is op 10 april 2012 in dienst getreden bij [handelsnaam 1] in de functie van [functie 1 van partij II] (Middle East, Central and Nothern Europe and Africa). [partij II] werkte onder andere vanuit de (hoofd)vestiging van [handelsnaam 1] in [vestigingsplaats] .

2.3.

In artikel 12 van de arbeidsovereenkomst van [partij II] zijn verschillende post-contractuele bedingen, waaronder een non-concurrentiebeding (12.1), relatiebeding (12.2) en anti-ronselbeding (12.3), opgenomen. Artikel 12 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

12.1 Het is de Werknemer, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de [partij I] , verboden om gedurende één jaar na het einde van de Overeenkomst, direct of indirect, voor zichzelf of voor andere, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of (financieel) belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die zich geheel of gedeeltelijk richten op de Benelux markt, die soortgelijk, aanverwant of concurrerend zijn met die van de [partij I] .

12.2

Het is de Werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de [partij I] verboden om gedurende twee jaar na het einde van de Overeenkomst bij of voor relaties, klanten, en opdrachtgevers van de Werkgever tegen vergoeding of om niet, direct of indirect op basis van een arbeidsovereenkomst of anderszins werkzaamheden te verrichten en/of indirect, met hen contacten te onderhouden of contacten te leggen, en/of voormelde relaties, klanten en opdrachtgevers, te benaderen of weg te lokken, alles in de meest ruime zin des woords.

12.3

Daarnaast is het de Werknemer zowel tijdens als na het einde van de Overeenkomst verboden werknemers van de Werkgever en/of personen die op enig moment in een periode van twee jaar direct voorafgaande aan het einde van de Overeenkomst in dienst waren van de werkgever te benaderen en/of weg te lokken van de Werkgever en is het de Werknemer zowel tijdens als na het einde van de Overeenkomst eveneens verboden voormelde werknemers/personen aan te zetten om in dienst te treden bij derden of bij de Werknemer zelf, een door de Werknemer op te richten onderneming daaronder begrepen.

12.4

In dit artikel wordt [partij I] geacht mede te omvatten de met haar gelieerde ondernemingen.

12.5

De in dit artikel bedoelde restricties gelden voor activiteiten van de Werknemer op het gehele grondgebied Midden-Oosten, Centraal en Noord Europa en Afrika.

2.4.

In artikel 16 van de arbeidsovereenkomst is een boetebeding opgenomen waardoor [partij II] per overtreding, van onder andere de bedingen in artikel 12, een boete verbeurt van € 25.000,00, alsmede van € 500,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt.

2.5.

[partij II] heeft zijn arbeidsovereenkomst met [handelsnaam 1] bij brief van 28 april 2017 opgezegd tegen 1 juni 2017. In voornoemde brief heeft [partij II] geschreven dat hij bij [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) in dienst wenst te treden. [bedrijfsnaam 1] is, net als [afkorting] en [handelsnaam 1] , actief in de branche van de fitnessapparatuur.

2.6.

Bij e-mail van 7 mei 2017 heeft [afkorting] [partij II] medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de indiensttreding van [partij II] bij [bedrijfsnaam 1] met ingang van 1 juni 2017.

2.7.

Per 8 januari 2018 is [partij II] in dienst getreden bij [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) in de functie van [functie 2 van partij II] . [bedrijfsnaam 2] is, net als [handelsnaam 1] en [bedrijfsnaam 1] , actief in de branche van de fitnessapparatuur.

2.8.

Begin januari 2018 heeft [partij II] telefonisch contact gehad met de heer [A] (hierna: [A] ), [functie van A] van [handelsnaam 1] . [partij II] heeft [A] geïnformeerd over zijn overstap van [bedrijfsnaam 1] naar [bedrijfsnaam 2] .

2.9.

Bij brief van 18 april 2018 heeft [handelsnaam 1] [partij II] geschreven dat hij het non-concurrentiebeding (artikel 12.1) heeft overtreden, wordt [partij II] gesommeerd de overtreding(en) te staken en de reeds verbeurde boetes aan [handelsnaam 1] te betalen. [partij II] heeft bij e-mail van 23 april 2018 en bij brief van 24 april 2018 [handelsnaam 1] bericht dat hij het non-concurrentiebeding niet heeft overtreden.

Inzake [partij III] (7089546 UC EXPL 18-8305)

2.10.

[partij III] is per 1 april 2013 in dienst getreden bij [handelsnaam 1] in de functie van [functie 1 van partij III] .

2.11.

In artikel 13 van de arbeidsovereenkomst van [partij III] zijn verschillende post-contractuele bedingen, waaronder een non-concurrentiebeding (13.1), relatiebeding (13.2) en anti-ronselbeding (13.3), opgenomen. Artikel 13 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

13.1 Het is de Werknemer, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de [partij I] , verboden om gedurende één jaar na het einde van de Overeenkomst, direct of indirect, voor zichzelf of voor andere, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of (financieel) belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die zich geheel of gedeeltelijk richten op de Benelux markt, die soortgelijk, aanverwant of concurrerend zijn met die van de [partij I] .

13.2

Het is de Werknemer, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de [partij I] , verboden om gedurende twee jaar na het einde van de Overeenkomst bij of voor relaties, klanten en opdrachtgevers van de Werkgever, tegen vergoeding of om niet, direct of indirect, op basis van een arbeidsovereenkomst of anderszins, werkzaamheden te verrichten, en/of, direct of indirect, met hen contacten te onderhouden of contacten te leggen, en/of voormelde relaties, klanten en opdrachtgevers te benaderen of weg te lokken, alles in de meest ruime zin des woords.

13.3

Daarnaast is het de Werknemer zowel tijdens als na het einde van de Overeenkomst verboden werknemers van de Werkgever en/of personen die op enig moment in een periode van twee jaar direct voorafgaande aan het einde van de Overeenkomst in dienst waren van de Werkgever te benaderen en/of weg te lokken van de Werkgever en is het de Werknemer zowel tijdens als na het einde van de Overeenkomst eveneens verboden voormelde werknemers/personen aan te zetten om in dienst te treden bij derden of bij de Werknemer zelf, een door de Werknemer op te richten onderneming daaronder begrepen.

13.4

In dit artikel wordt [partij I] geacht mede te omvatten de met haar gelieerde ondernemingen.

13.5

De in dit artikel bedoelde restricties gelden voor activiteiten van de Werknemer op het gehele grondgebied van de Benelux.

2.12.

In artikel 17 van de arbeidsovereenkomst is een boetebeding opgenomen waardoor [partij III] per overtreding, van onder andere de bedingen in artikel 13, een boete verbeurt van € 25.000,00, alsmede van € 500,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt.

2.13.

[partij III] heeft zijn arbeidsovereenkomst met [handelsnaam 1] op 30 november 2017 opgezegd tegen 1 januari 2018. In deze brief heeft [partij III] [handelsnaam 1] bericht zich niet met salesmanagement op de markt van de Benelux bezig te gaan houden en zijn officiële standplaats [standplaats] zal zijn. Bij brief van 5 december 2017 heeft [handelsnaam 1] [partij III] onder meer geschreven: ‘We wensen je alle goeds voor de toekomst en natuurlijk veel succes en werkplezier in je nieuwe baan.’. [partij III] is vervolgens per 1 januari 2018 in dienst getreden van [bedrijfsnaam 2] in de functie van [functie 2 van partij III] .

2.14.

Bij brief van 18 april 2018 heeft [handelsnaam 1] [partij III] geschreven dat hij het non-concurrentie- (13.1), relatie- (13.2) en het anti-ronselbeding (13.3) heeft overtreden, wordt [partij III] gesommeerd de overtreding(en) te staken en de reeds verbeurde boetes aan [handelsnaam 1] te betalen. [partij III] heeft [handelsnaam 1] bericht dat hij voornoemde bedingen niet heeft overtreden.

Inzake [partij IV] (7089546 UC EXPL 18-8305 en 7089561 UC EXPL 18-8306)

2.15.

[partij IV] is per 1 november 2002 in dienst getreden bij [handelsnaam 1] , laatstelijk was [partij IV] werkzaam in de functie van [functie 1 van partij IV] . In verband met het aanvaarden van laatstgenoemde functie heeft [partij IV] een aanvulling op zijn arbeidsovereenkomst getekend, waaronder artikel 13 waarin verschillende post-contractuele bedingen, waaronder een non-concurrentiebeding (13.1), relatiebeding (13.2) en anti-ronselbeding (13.3), zijn opgenomen. Artikel 13 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

13.1 Het is de Werknemer, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de [partij I] , verboden om gedurende één jaar na het einde van de Overeenkomst, direct of indirect, voor zichzelf of voor andere, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of (financieel) belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die (soort)gelijk, aanverwant of concurrerend zijn met die van de [partij I] en die gevestigd zijn in het grondgebied van of zich richten op het handelsgebied in de Benelux. Het betreft in deze in ieder geval maar niet limitatief de volgende concurrenten bekent onder de handelsnaam; [handelsnaam 2] , [handelsnaam 3] , [handelsnaam 4] , [handelsnaam 5] ( [...] ), [handelsnaam 6] , [handelsnaam 7] en [handelsnaam 8] .

13.2

Het is de Werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Werkgever verboden om gedurende een jaar na het einde van de Overeenkomst bij of voor relaties, klanten en opdrachtgevers van de Werkgever, tegen vergoeding of om niet, direct of indirect, op basis van een arbeidsovereenkomst of anderszins, werkzaamheden te verrichten, en/of, - direct of indirect - met hen contacten te onderhouden of contacten te leggen, en/of voormelde relaties, klanten en opdrachtgevers te benaderen of weg te lokken, alles in de meest ruime zin des woords.

13.3

Daarnaast is het de Werknemer zowel tijdens als na het einde van de Overeenkomst verboden werknemers van de Werkgever en/of personen die op enig moment in een periode van een jaar direct voorafgaande aan het einde van de Overeenkomst in dienst waren van de Werkgever te benaderen en/of weg te lokken van de Werkgever en is het de Werknemer zowel tijdens als na het einde van de Overeenkomst eveneens verboden voormelde werknemers/personen aan te zetten om in dienst te treden bij derden of bij de Werknemer zelf, een door de Werknemer op te richten onderneming daaronder begrepen.

13.4

In dit artikel wordt [partij I] geacht mede te omvatten de met haar gelieerde ondernemingen.

13.5

De in dit artikel bedoelde restricties gelden voor activiteiten van de Werknemer op het gehele grondgebied van de Benelux.”

2.16.

[partij IV] heeft zijn arbeidsovereenkomst met [handelsnaam 1] opgezegd tegen 1 mei 2018. Per 7 mei 2018 is [partij IV] in dienst getreden van [bedrijfsnaam 2] in de functie van [functie 2 van partij IV] .

2.17.

[handelsnaam 1] heeft [partij IV] medegedeeld dat zij [partij IV] aan zijn non-concurrentiebeding houdt. [partij IV] heeft [handelsnaam 1] bericht dit beding niet te overtreden nu zijn standplaats [standplaats] zal zijn en hij niet actief zal zijn binnen de Benelux.

2.18.

Bij brief van 18 april 2018 heeft [handelsnaam 1] [partij IV] geschreven dat hij, indien hij per 1 mei 2018 in dienst zal treden van [bedrijfsnaam 2] , het non-concurrentiebeding (13.1) zal overtreden. [partij IV] wordt verzocht niet bij [bedrijfsnaam 2] in dienst te treden. [partij IV] heeft [handelsnaam 1] bericht dat hij voornoemd beding niet heeft overtreden.

3 Het geschil

3.1.

Partijen hebben de kantonrechter bericht dat zij hun geschil omtrent het relatiebeding hebben geregeld en op de vorderingen daaromtrent geen beslissing wensen. [handelsnaam 1] heeft haar eis in conventie gewijzigd. [partij II] , [partij III] en [partij IV] hebben hun reconventionele eis gewijzigd.

Inzake [partij II] (7089491 UC EXPL 18-8304)

conventie

3.2.

[handelsnaam 1] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [partij II] :

I. om aan [handelsnaam 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen in verband met de overtreding van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst € 25.000,00 en 151 x 500,00 aan verbeurde boetes berekend tot en met 31 mei 2018, althans bedragen door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen, te verhogen met wettelijke rente vanaf het moment dat elk onderdeel van de boetes is verbeurd tot het moment dat deze boetes zijn voldaan;

II. om gedurende een periode van vijf maanden na het betekenen van het in deze te wijzen vonnis het bepaalde in artikel 12.1 van de arbeidsovereenkomst na te leven, op straffe van verbeurte van de in artikel 16 van de arbeidsovereenkomst bepaalde boetes;

III. in de proceskosten, een bedrag aan salaris gemachtigde daaronder begrepen.

3.3.

[partij II] voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en met veroordeling van [handelsnaam 1] in de kosten van deze procedure.

reconventie

3.4.

[partij II] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. gedeeltelijke vernietiging, dan wel matiging van het anti-ronselbeding, opgenomen in artikel 12.3 in de arbeidsovereenkomst van [partij II] met [handelsnaam 1] , in die zin dat het [partij II] is verboden om gedurende een periode van twee jaar na einde van het dienstverband bij [handelsnaam 1] , werknemers van [handelsnaam 1] en/of personen die in een periode van twee jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst tussen [partij II] en [handelsnaam 1] in dienst waren van [handelsnaam 1] , zonder een voorafgaand eerder signaal van voornoemde werknemers en/of personen dat deze werknemers en/of personen willen vertrekken bij [handelsnaam 1] , te benaderen, teneinde deze werknemers en/of personen weg te lokken van [handelsnaam 1] ;

subsidiair

II. te verklaren voor recht dat in plaats van de tekst in artikel 12.3 van de arbeidsovereenkomst tussen [handelsnaam 1] en [partij II] de navolgende bepaling geldt:

“Het is de werknemer verboden om gedurende een periode van twee jaar na einde van de Overeenkomst om werknemers van [handelsnaam 1] en/of personen die in een periode van twee jaar voorafgaand aan het einde van de Overeenkomst in dienst waren van Werkgever, zonder een voorafgaand eerder signaal van voornoemde werknemers en/of personen dat deze werknemers en/of personen willen vertrekken bij Werkgever, te benaderen, teneinde deze werknemers en/of personen weg te lokken van Werkgever”;

primair en subsidiair

III. veroordeling van [handelsnaam 1] in de kosten van het geding, een bedrag aan salaris gemachtigde daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis voldoening van de proceskosten heeft plaatsgevonden.

3.5.

[handelsnaam 1] voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en met veroordeling van [partij II] in de kosten van deze procedure.

Inzake [partij III] en [partij IV] (7089546 UC EXPL 18-8305)

conventie

3.6.

[handelsnaam 1] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [partij III] :

I. om gedurende een jaar na dit vonnis, althans een jaar na 1 januari 2018, alle werkzaamheden, zowel direct als indirect, voor [bedrijfsnaam 2] te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding en € 2.500,00 per dag(deel) dat hij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen althans bedragen door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen;

II. om werknemers van [handelsnaam 1] en/of personen die op enig moment in een periode van [handelsnaam 1] , dus vanaf 1 januari 2018, in dienst waren van [handelsnaam 1] te benaderen en/of weg te lokken van [handelsnaam 1] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag en € 500,00 per dag dat de overtreding voortduurt;

III. om aan [handelsnaam 1] te voldoen in verband met de overtreding van artikel 13.1 van de arbeidsovereenkomst € 25.000,00 en 150 x € 500,00 berekend tot en met 31 mei 2018 en € 500,00 per dag vanaf 1 juni 2018 totdat de overtreding gestaakt zal worden althans tot 1 januari 2019, althans bedragen door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen;

IV. om aan [handelsnaam 1] te voldoen drie maal € 25.000,00 ter zake de overtredingen van artikel 13.3 althans bedragen door de rechter in goede justitie vast te stellen;

V. [partij III] te veroordelen in de proceskosten, een bedrag aan salaris gemachtigde daaronder begrepen.

3.7.

[handelsnaam 1] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [partij IV] :

VI. om gedurende een jaar na dit vonnis, althans een jaar na 1 mei 2018, alle werkzaamheden, zowel direct als indirect, voor [bedrijfsnaam 2] te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding en € 2.500,00 per dag(deel) dat hij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen althans bedragen door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen;

VII. [partij IV] te veroordelen in de proceskosten, een bedrag aan salaris gemachtigde daaronder begrepen.

3.8.

[partij III] en [partij IV] voeren verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en met veroordeling van [handelsnaam 1] in de kosten van deze procedure.

reconventie

3.9.

[partij III] en [partij IV] vorderen, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [handelsnaam 1] :

primair

I. gedeeltelijke vernietiging, dan wel matiging van het anti-ronselbeding, opgenomen in artikel 13.3 in de arbeidsovereenkomst van [partij III] en [partij IV] met [handelsnaam 1] , in die zin dat het [partij III] en [partij IV] is verboden om gedurende een periode van twee jaar na einde van het dienstverband bij [handelsnaam 1] , werknemers van [handelsnaam 1] en/of personen die in een periode van twee jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst tussen [partij III] en [handelsnaam 1] respectievelijk [partij IV] en [handelsnaam 1] in dienst waren van [handelsnaam 1] , zonder een voorafgaand eerder signaal van voornoemde werknemers en/of personen dat deze werknemers en/of personen willen vertrekken bij [handelsnaam 1] , te benaderen, teneinde deze werknemers en/of personen weg te lokken van [handelsnaam 1] ;

subsidiair

II. te verklaren voor recht dat in plaats van de tekst in artikel 13.3 van de arbeidsovereenkomst tussen [partij III] en [handelsnaam 1] en [partij IV] en [handelsnaam 1] de navolgende bepaling geldt:

“Het is de werknemer verboden om gedurende een periode van twee jaar na einde van de Overeenkomst om werknemers van [handelsnaam 1] en/of personen die in een periode van twee jaar voorafgaand aan het einde van de Overeenkomst in dienst waren van Werkgever, zonder een voorafgaand eerder signaal van voornoemde werknemers en/of personen dat deze werknemers en/of personen willen vertrekken bij Werkgever, te benaderen, teneinde deze werknemers en/of personen weg te lokken van Werkgever”;

primair en subsidiair

III. veroordeling van [handelsnaam 1] in de kosten van het geding, een bedrag aan salaris gemachtigde daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis voldoening van de proceskosten heeft plaatsgevonden.

3.10.

[handelsnaam 1] voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en met veroordeling van [partij III] en [partij IV] in de kosten van deze procedure.

Inzake [partij IV] (7089561 UC EXPL 18-8306) (incident)

3.11.

[handelsnaam 1] vordert bij provisioneel vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [partij IV] om voor de duur van de procedure, alle werkzaamheden, zowel direct als indirect, voor [bedrijfsnaam 2] te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding en € 2.500,00 per dag(deel) dat [partij IV] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen althans bedragen door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen en [partij IV] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.12.

[partij IV] voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en met veroordeling van [handelsnaam 1] in de kosten van deze procedure.

In alle zaken

3.13.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inzake [partij II] , [partij III] en [partij IV] (de hoofdzaken)

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.

Non-concurrentiebeding

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:653 lid 1 BW dient het bij een beding tussen werkgever en werknemer waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, te gaan om werkzaamheid. De kantonrechter legt “werkzaam” uit als werkend zijn/in dienst zijn. Onderhavig(e) concurrentiebeding(en) vallen onder de werking van artikel 7:653 lid 1 BW.

4.3.

De werking van het non-concurrentiebeding dient specifiek gericht te zijn op bescherming van het bedrijfsdebiet van de werkgever. De werkgever mag zijn bedrijfsdebiet beschermen door met een werknemer een non-concurrentiebeding overeen te komen. Deze bescherming ziet alleen op de kennis en vaardigheden die de werknemer aan bedrijfsgebonden knowhow bij de werkgever heeft opgedaan. De bescherming ziet dus niet op hetgeen de werknemer persoonlijk bij zijn werkgever aan kennis en vaardigheden heeft ingebracht. De werknemer heeft daarnaast recht op persoonlijke ontplooiing van zijn vaardigheden en bekwaamheden. Dit recht mag door (de wijze van formulering van) het non-concurrentiebeding niet worden aangetast. De werknemer heeft ook een grondwettelijk gewaarborgd recht op vrije arbeidskeuze.

4.4.

Een beroep van de werkgever op (overtreding van) het non-concurrentiebeding is slechts gerechtvaardigd als de gerede vrees bestaat dat de werknemer in zijn nieuwe functie bij zijn nieuwe werkgever zijn ex-werkgever oneerlijke concurrentie aandoet doordat de werknemer opgedane kennis van bedrijfsgeheimen en opgebouwde klantcontacten ten behoeve van zijn nieuwe werkgever aanwendt en dit leidt tot een concurrentievoordeel dat de nieuwe werkgever anders niet zou hebben gehad.

4.5.

De kantonrechter kan het beding geheel of gedeeltelijk vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer onbillijk wordt benadeeld ten opzichte van dat belang.

Inzake [partij II]

4.6.

[handelsnaam 1] en [partij II] zijn in artikel 12.1 van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst een non-concurrentiebeding overeengekomen. Op grond van dat beding is het [partij II] zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [handelsnaam 1] verboden om: “gedurende één jaar na het einde van de Overeenkomst, direct of indirect, voor zichzelf of voor andere, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of (financieel) belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die zich geheel of gedeeltelijk richten op de Benelux markt, die soortgelijk, aanverwant of concurrerend zijn met die van de [partij I] .”

Artikel 12.5 bepaalt nog dat de in artikel 12 opgenomen restricties gelden voor activiteiten van [partij II] op het gehele grondgebied Midden-Oosten, Centraal en Noord Europa en Afrika.

4.7.

[handelsnaam 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat [partij II] het non-concurrentiebeding heeft overtreden omdat:

  • -

    hij in dienst is getreden bij [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 2] op het gebied van de distributie van fitnessapparatuur actief is op de Nederlandse en Belgische markt (onder de naam [naam] ) en [bedrijfsnaam 2] dus een concurrent van [handelsnaam 1] is;

  • -

    hij (in ieder geval) naar Europa is afgereisd, terwijl [partij II] heeft aangegeven dat hij voor [bedrijfsnaam 2] niet naar het Midden-Oosten, Europa en Afrika zou afreizen. [partij II] is in april 2018 afgereisd naar Duitsland om in Keulen de FIBO-beurs – het grootste fitness event ter wereld – te bezoeken en naar Nederland omdat hij daar is blijven wonen en van daaruit werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 2] verricht. [partij II] is dus afgereisd naar (het voor hem verboden) Europa;

  • -

    uit zijn functiebeschrijving blijkt dat hij wereldwijd (global) actief is en daaronder dus ook het Midden-Oosten, Centraal en Noord Europa en Afrika vallen;

  • -

    hij, door het non-concurrentiebeding te overtreden, [bedrijfsnaam 2] op onrechtmatige wijze een commerciële voorsprong heeft kunnen geven.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat [partij II] het non-concurrentiebeding niet heeft overtreden en overweegt daartoe als volgt.

4.9.

Het enkele feit dat [partij II] bij een (kennelijke) concurrent van [handelsnaam 1] in dienst is getreden, leidt, anders dan [handelsnaam 1] stelt, niet zonder meer tot concurrentie. Uit het in dienst treden van [partij II] bij [bedrijfsnaam 2] volgt namelijk niet dat [partij II] op zekere wijze werkzaam of betrokken is of het duurzaam bedrijfsdebiet van [handelsnaam 1] (ten voordele van [bedrijfsnaam 2] ) afbreekt of heeft afgebroken doordat hij, het concurrentiebeding overtredend, [bedrijfsnaam 2] onrechtmatig bevoordeelt. Niet is in dat verband gebleken dat [partij II] , met behulp van de kennis die hij van of bij [handelsnaam 1] heeft verkregen, enige relatie of enig personeelslid van [handelsnaam 1] (actief in het Midden-Oosten, Europa of Afrika) heeft afgenomen en/of hij [bedrijfsnaam 2] een commerciële voorsprong heeft gegeven. [handelsnaam 1] heeft daartoe niets gesteld.

4.10.

Indien en voor zover [handelsnaam 1] heeft bedoeld dat [partij II] hiertoe is overgegaan doordat hij aanwezig was op de FIBO-beurs, leidt dit niet tot een ander oordeel. Immers, de FIBO-beurs is, zo stelt [handelsnaam 1] zelf, het grootste fitness event ter wereld. Het is logisch dat [partij II] deze beurs namens [bedrijfsnaam 2] bezoekt. Op deze beurs zullen immers ook potentiële klanten, relaties en/of werknemers voor [bedrijfsnaam 2] aanwezig zijn die geen relatie van [handelsnaam 1] zijn en/of die niet binnen de restrictie Midden-Oosten, Europa en Afrika vallen.

4.11.

Indien en voor zover [handelsnaam 1] heeft willen betogen dat [partij II] het concurrentiebeding heeft overtreden vanwege het feit dat hij voor [bedrijfsnaam 2] in het voor hem ’verboden’ Europa is geweest, omdat hij in Nederland woont en hij in Duitsland (op de FIBO-beurs) is geweest, kan [handelsnaam 1] hierin niet worden gevolgd. Aanvaarding van deze stellingen zou namelijk leiden tot overtreding van artikel 2 lid 1 van het Vierde Protocol bij het EVRM (Europees Verdrag van de Rechten van de Mens). Daaruit volgt dat iedere persoon die op het grondgebied van een Staat (die partij is bij het EVRM) verblijft, het recht heeft zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het onderhavige concurrentiebeding kan niet onder deze genoemde beperkingen worden geschaard.

4.12.

Gelet op het voorgaande is er geen sprake van overtreding van het non-concurrentiebeding door [partij II] en zullen de vorderingen van [handelsnaam 1] worden afgewezen.

Inzake [partij III]

4.13.

[handelsnaam 1] en [partij III] zijn in artikel 13.1 van de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst een non-concurrentiebeding overeengekomen. Op grond van dat beding is het [partij III] zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [handelsnaam 1] verboden om: “gedurende één jaar na het einde van de Overeenkomst, direct of indirect, voor zichzelf of voor andere, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of (financieel) belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die zich geheel of gedeeltelijk richten op de Benelux markt, die soortgelijk, aanverwant of concurrerend zijn met die van de [partij I] .

Artikel 13.5 bepaalt dat de in artikel 13 opgenomen restricties gelden voor activiteiten van [partij III] binnen de Benelux.

4.14.

[handelsnaam 1] heeft gesteld dat [partij III] het non-concurrentiebeding heeft overtreden omdat:

  • -

    hij in dienst is getreden bij [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 2] op het gebied van de distributie van fitnessapparatuur actief is op de Nederlandse en Belgische markt (onder de naam [naam] ) en [bedrijfsnaam 2] dus een concurrent van [handelsnaam 1] is;

  • -

    hij in [woonplaats] woont, van daaruit werkzaam is voor [bedrijfsnaam 2] onder meer door voor [bedrijfsnaam 2] afspraken te maken in [woonplaats] ;

  • -

    hij in april 2018 in Keulen de FIBO-beurs – het grootste fitness event ter wereld – heeft bezocht en daar relaties van [handelsnaam 1] commercieel heeft benaderd;

  • -

    uit zijn functiebeschrijving blijkt dat hij wereldwijd (global) actief is en daaronder dus ook de Benelux valt.

4.15.

De kantonrechter is van oordeel dat ook [partij III] het non-concurrentiebeding niet heeft overtreden en overweegt daartoe als volgt.

4.16.

De verwijten van [handelsnaam 1] aan het adres van [partij III] zijn niet te scharen onder de in rechtsoverweging 4.2. tot en met 4.5. opgenomen criteria voor schending van een concurrentiebeding of een onrechtmatig handelen door het beding te schenden. Net zoals hiervoor ten aanzien van [partij II] is overwogen, geldt ook voor [partij III] dat het in dienst treden bij [bedrijfsnaam 2] , een (kennelijke) concurrent van [handelsnaam 1] , niet zonder meer leidt tot overtreding van het non-concurrentiebeding. Niet is gebleken dat [partij III] daardoor een substantieel deel van het duurzame bedrijfsdebiet van [handelsnaam 1] afbreekt of heeft afgebroken.

4.17.

Ook de stellingen van [handelsnaam 1] dat [partij III] het concurrentiebeding schendt omdat hij in [woonplaats] woont en vanuit huis werkzaam is voor [bedrijfsnaam 2] (onder meer door het maken van afspraken) en hij de FIBO-beurs heeft bezocht, leidt niet tot het oordeel dat [partij III] het concurrentiebeding heeft overtreden. Net zoals dat voor [partij II] gold, geldt ook voor [partij III] dat het logisch is dat hij deze beurs namens [bedrijfsnaam 2] heeft bezocht. Op deze beurs zijn potentiële klanten, relaties en/of werknemers – die geen relatie van [handelsnaam 1] zijn en/of die niet binnen de restrictie Benelux vallen – voor [bedrijfsnaam 2] aanwezig. Dat [partij III] woont in [woonplaats] en vanuit huis zijn werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 2] verricht, levert ook geen schending van het concurrentiebeding op. Overigens is het voor [partij III] goed mogelijk om vanuit [woonplaats] zijn werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 2] te verrichten zonder dat hij daarbij actief is op de markt van de Benelux.

4.18.

Tot slot volgt uit de functiebenaming, waaruit volgt dat [partij III] wereldwijd (global) actief is voor [bedrijfsnaam 2] , niet dat hij ook daadwerkelijk actief is op de markt van de Benelux.

4.19.

Indien en voor zover [handelsnaam 1] heeft willen aanvoeren dat [partij III] het non-concurrentiebeding heeft overtreden, omdat hij [partij IV] van [handelsnaam 1] heeft afgetroggeld en hij op de FIBO-beurs [B] en [C] , verbonden aan [bedrijfsnaam 3] (een in Nederland gevestigde fitnessclub en een relatie van [handelsnaam 1] ), commercieel heeft benaderd, is er naar het oordeel van de kantonrechter (in ieder geval) geen sprake van een schending van het concurrentiebeding. Niet is gebleken dat [partij III] , met behulp van de kennis die hij van of bij [handelsnaam 1] heeft verkregen, [partij IV] en relaties van [handelsnaam 1] heeft afgenomen en [partij III] op zekere wijze werkzaam is geweest of betrokkenheid heeft getoond. Overigens gaat de kantonrechter ervan uit dat [handelsnaam 1] de stelling heeft willen innemen dat [partij III] , doordat [partij IV] in dienst is getreden van [bedrijfsnaam 2] , het anti-ronselbeding heeft overtreden. Of daarvan sprake is, zal hierna bij de behandeling van het anti-ronselbeding worden besproken.

4.20.

Ten aanzien van de situatie met [B] en [C] gaat de kantonrechter ervan uit dat [handelsnaam 1] zich op het standpunt heeft willen stellen dat [partij III] hierdoor het relatiebeding heeft overtreden. Aangezien partijen de kantonrechter hebben bericht dat zij hun geschil ten aanzien van de (gestelde) overtreding van het relatiebeding hebben geregeld, zal de kantonrechter hier niet verder op ingaan.

4.21.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [handelsnaam 1] met betrekking tot overtreding van het concurrentiebeding door [partij III] worden afgewezen.

Inzake [partij IV]

4.22.

[handelsnaam 1] en [partij IV] zijn een non-concurrentiebeding overeengekomen. Op grond van dat beding is het [partij IV] zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [handelsnaam 1] verboden om: “gedurende één jaar na het einde van de Overeenkomst, direct of indirect, voor zichzelf of voor andere, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of (financieel) belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die (soort)gelijk, aanverwant of concurrerend zijn met die van de [partij I] en die gevestigd zijn in het grondgebied van of zich richten op het handelsgebied in de Benelux. Het betreft in deze in ieder geval maar niet limitatief de volgende concurrenten bekent onder de handelsnaam; [handelsnaam 2] , [handelsnaam 3] , [handelsnaam 4] , [handelsnaam 5] ( [...] ), [handelsnaam 6] , [handelsnaam 7] en [handelsnaam 8] .”.

4.23.

[handelsnaam 1] heeft gesteld dat [partij IV] het non-concurrentiebeding overtreedt indien hij bij [bedrijfsnaam 2] in dienst treedt. [partij IV] heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

4.24.

De kantonrechter is van oordeel dat ook [partij IV] het non-concurrentiebeding niet heeft overtreden enkel en alleen omdat hij bij [bedrijfsnaam 2] in dienst is getreden. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden vereist en die omstandigheden doen zich ook hier niet voor. Niet is aangetoond dat [partij IV] werkzaam is in concurrerende activiteiten of betrokken is of financieel belang heeft en relaties of personeelsleden van [handelsnaam 1] afneemt met behulp van speciale kennis of vertrouwelijke informatie die [partij IV] van of bij [handelsnaam 1] heeft verkregen.

4.25.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [handelsnaam 1] met betrekking tot overtreding van het concurrentiebeding door [partij IV] worden afgewezen.

Anti-ronselbeding

4.26.

In de arbeidsovereenkomst tussen [handelsnaam 1] en [partij II] (in artikel 12.3) en [handelsnaam 1] en [partij III] (in artikel 13.3) is een anti-ronselbeding (ook wel een anti-aftroggelbeding genaamd) opgenomen. Dit anti-ronselbeding luidt als volgt:

"Daarnaast is het de Werknemer zowel tijdens als na het einde van de Overeenkomst verboden werknemers van de Werkgever en/of personen die op enig moment in een periode van twee jaar direct voorafgaande aan het einde van de Overeenkomst in dienst waren van de werkgever te benaderen en/of weg te lokken van de Werkgever en is het de Werknemer zowel tijdens als na het einde van de overeenkomst eveneens verboden voormelde werknemers/personen aan te zetten om in dienst te treden bij derden of bij de Werknemer zelf, een door de Werknemer op te richten onderneming daaronder begrepen.”.

In artikel 13.3 in de arbeidsovereenkomst van [partij IV] is een anti-ronselbeding met gelijkluidende tekst, maar voor een periode van één jaar, opgenomen.

4.27.

In rechtsoverweging 4.2. is reeds opgemerkt dat de kantonrechter de term “werkzaam”, zoals genoemd in artikel 7:653 lid 1 BW, uitlegt als werkend zijn/in dienst zijn. Daaronder valt niet de bepaling in een beding dat de werknemer zich op geen enkele wijze mag verstaan met een (oud-)collega van zijn vorige werkgever. Zo’n kort of wat langer contact valt niet onder werkzaamheid. Een anti-ronselbeding als het onderhavige valt derhalve niet onder de werking van artikel 7:653 BW, maar dient te worden beoordeeld met behulp van de normen van goed-werkgeverschap en goed-werknemerschap, in samenhang met de toepasselijke regels uit Boek 3 en 6 BW. De kantonrechter ziet echter, alvorens te komen tot deze beoordeling, aanleiding het anti-ronselbeding te toetsen aan een aantal grondrechten.

4.28.

De kantonrechter is namelijk van oordeel dat het in onderhavig anti-ronselbeding gaat om de rechten en vrijheden van de ex-werkgever om een ex-werknemer op te dragen om werknemers die bij die werkgever in dienst zijn niet te benaderen. Uit het anti-ronselbeding, zoals dat door [handelsnaam 1] in dit geval aan de kantonrechter is voorgelegd, volgt dat het de (ex-)werknemer verboden is werknemers of ex-werknemers te benaderen. Daar waar het gaat om benaderen en/of (daarmee samenhangend) contacten onderhouden en contacten leggen, is naar het oordeel van de kantonrechter onderhavig anti-ronselbeding in strijd met het recht op vrijheid van verplaatsing, het recht op privacy en het recht op vrije meningsuiting. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

4.29.

In rechtsoverweging 4.11. is reeds besproken dat iedere persoon die verblijft op het grondgebied van een Staat (die partij is bij het EVRM), het recht heeft zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen. Die vrijheid mag slechts beperkt worden in de in lid 2 en 3 van artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM genoemde gevallen. Het verbod om (ex-)werknemers te benaderen perkt de bewegingsvrijheid van de ex-werknemer op onrechtmatige wijze in. Op grond van onderhavig anti-ronselbeding wordt het de ex-werknemer onmogelijk gemaakt te gaan naar plaatsen waar ook oud-collega’s aanwezig zijn. In dat geval ligt het namelijk voor de hand dat beiden elkaar groeten en spreken. Die gedragingen zijn op grond van onderhavig beding verboden en de ex-werknemer loopt het risico hiervoor te worden beboet. Door het opleggen en handhaven van een beding als onderhavige wordt het recht op vrijheid van verplaatsing op onrechtmatige wijze beperkt.

4.30.

Verder is onderhavig anti-ronselbeding in strijd met het recht op privacy (artikel 8 EVRM). Privacy is een rechtsgoed waaraan men ook deel heeft als men de ruimtelijke beslotenheid van huis, tuin of erf verlaat. Het door de woorden 'persoonlijke levenssfeer' te beschermen rechtsgoed, is het grondrecht om in vrijheid te handelen onder het genot van een veilige private levenssfeer. Ter invulling van het begrip persoonlijke levenssfeer wordt gewezen op het Niemietzarrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, van 6 december 1992, NJ 1993, 400. In dit arrest heeft het Hof beslist dat het begrip 'privacy' een transcendent begrip is dat onttrokken is aan stoffelijke beperkingen. Het strekt zich uit naar ruimtelijkheden die niet gefixeerd zijn naar tijd of plaats (vergelijkbaar met het begrip 'home'). Artikel 8 EVRM strekt zich ook uit tot de verhouding werkgever-werknemer.

4.31.

Bij de beoordeling of er sprake is van strijd met artikel 8 EVRM, dient te worden beoordeeld of:

a. a) de gewraakte handeling een legitiem doel dient en zij een geschikt middel is om dat doel te bereiken (het zgn. noodzakelijkheidscriterium);

( b) de inbreuk op het beschermde recht (in dit geval: de persoonlijke levenssfeer van de werknemer) evenredig is in verhouding tot het belang van de werkgever bij het bereiken van het beoogde doel (het zgn. proportionaliteitscriterium);

( c) voor de werkgeefster redelijkerwijs een ander, voor de werknemer minder belastend middel beschikbaar was om dit doel te bereiken (het zgn. subsidiariteitscriterium).

4.32.

Het anti-ronselbeding strekt primair tot bescherming en behoud van het personeelsbestand van de werkgever (het legitieme doel), al kan in de tekst van onderhavig anti-ronselbeding – dat het de ex-werknemer ook verboden is andere (recente) ex-werknemers te benaderen – ook een non-concurrentiebepaling worden gelezen. Op zichzelf genomen is het anti-ronselbeding een geschikt middel om het personeelsbestand van de werkgever te beschermen en te behouden. Onderhavig anti-ronselbeding vormt echter een disproportionele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de (ex-)werknemers, nu zij geen contacten kunnen onderhouden met oud-collega’s zonder daarbij het risico te lopen dat zij op grond van het anti-ronselbeding worden beboet. De inbreuk van onderhavig anti-ronselbeding is dan ook onevenredig in verhouding tot het belang van de werkgever bij het bereiken van het beoogde doel (bescherming van zijn personeelsbestand). Werkgever kan het door hem beoogde doel overigens ook bereiken op een voor (ex-)werknemers minder belastende manier, zodat ook niet is voldaan aan het subsidiariteitscriterium. Werkgever kan immers met werknemers overeenkomen dat ex-werknemers geen oud-collega’s benaderen teneinde hen actief te bewegen de werkgever te verlaten.

4.33.

Bovendien kan de ex-werknemer tegenover zijn voormalige werkgever recht doen gelden op vrije meningsuiting (artikel 10 EVRM). Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Ook bij het geldend maken van dit recht moet er rekening mee worden gehouden dat de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengen. Zij kan worden “onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.” Uit deze tekst blijkt allereerst dat het rechtstreeks werkende artikel 10 EVRM aanzienlijk ruimer en veelomvattender is dan artikel 7 van de Grondwet, en dat de belangen van derden, waaronder [handelsnaam 1] , niet in de reeks van beperkingen voorkomt. Onderhavig anti-ronselbeding beperkt de vrijheid van de ex-werknemer om zijn mening te uiten nu het beding de ex-werknemer verbiedt contact te hebben met, en dus verbiedt zijn mening te uiten aan, (ex-)werknemers van [handelsnaam 1] . Overigens wijst de kantonrechter erop dat het goed-werknemerschap hier een zeer beperkte, zo niet geen rol speelt omdat de arbeidsverhouding is geëindigd. Daarentegen worden de belangen van de werkgever (in de regel) door de aanwezigheid van een geheimhoudingsbeding al beschermd.

4.34.

Op grond van voornoemde drie fundamentele grondrechten (en hun geoorloofde beperkingen) kan er geen sprake zijn van overtreding van onderhavig anti-ronselbeding door [partij II] en/of [partij III] . Ook kan [handelsnaam 1] , gelet op voornoemde grondrechten, niet worden gevolgd in haar standpunt – dat overigens ruimer is dan de formulering van het anti-ronselbeding – dat het de werknemers slechts vrij staat om algemene beleefdheden over gezondheid en weersomstandigheden uit te wisselen en zich verder te onthouden van enig contact gericht op enige vorm van zakelijkheid indien de werknemer een ex-collega/werknemer van de voormalige werkgever tegenkomt.

4.35.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [handelsnaam 1] met betrekking tot overtreding van het anti-ronselbeding door [partij II] en [partij III] worden afgewezen.

4.36.

In reconventie hebben [partij II] , [partij III] en [partij IV] gedeeltelijke vernietiging, althans matiging van het anti-ronselbeding gevorderd. Ook deze vorderingen zullen worden afgewezen.

4.37.

Op grond van artikel 7:653 lid 1 BW heeft de kantonrechter de bevoegdheid om een beding (gedeeltelijk) te vernietigen. Hiervoor is reeds geoordeeld dat het anti-ronselbeding niet onder de strekking van artikel 7:653 lid 1 BW valt. De gevorderde (gedeeltelijke) vernietiging van het anti-ronselbeding is daarom niet toewijsbaar. Het anti-ronselbeding wordt beheerst door de normen van artikel 7:611 BW in samenhang met de toepasselijke regels uit Boek 3 en 6 BW. Daaruit volgt ten aanzien van onderhavig anti-ronselbeding geen grond voor (gedeeltelijke) vernietiging.

4.38.

Voor matiging van het anti-ronselbeding is naar het oordeel van de kantonrechter geen plaats. Hiervoor is immers, ten aanzien van de gestelde overtreding van het anti-ronselbeding, geoordeeld dat dit beding in strijd is met verschillende grondrechten. Het belang van [partij II] , [partij III] en [partij IV] bij matiging van een beding waarvan de overtreding principieel is afgewezen, ontbreekt.

Inzake [partij IV] (incident)

4.39.

Artikel 223 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Het incident kan worden gekarakteriseerd als een kort geding binnen het kader van een aanhangige bodemprocedure. Het incident maakt daarmee onderdeel uit van de bodemprocedure.

4.40.

Gelet op hetgeen hiervoor in de hoofdzaak is overwogen, zal de vordering in het incident niet (afzonderlijk) worden beoordeeld en ook zal daarop geen (afzonderlijke) beslissing worden genomen. Een beslissing in het incident zou immers slechts gelden voor de duur van het geding. In dit vonnis zal een beslissing worden genomen op de vorderingen in de hoofdzaak, zodat daarmee het geding ten einde zal zijn. Een beslissing op de vorderingen in het incident is daarom niet nodig.

Proceskosten

In conventie en reconventie

4.41.

[handelsnaam 1] zal als de meest in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [partij II] , [partij III] en [partij IV] . De kosten (inzake [partij II] (7089491 UC EXPL 18-8304)) aan de zijde van [partij II] worden begroot op € 1.922,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 961,00).

De kosten (inzake [partij III] en [partij IV] (7089546 UC EXPL 18-8305)) aan de zijde van [partij III] en [partij IV] worden begroot op € 1.922,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 961,00).

In het incident

4.42.

Voor een proceskostenveroordeling in het incident ziet de kantonrechter geen aanleiding.

5 De beslissing

De kantonrechter:

inzake [partij II] (7089491 UC EXPL 18-8304)

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

in reconventie

5.2.

wijst de vorderingen af;

in conventie en reconventie

5.3.

veroordeelt [handelsnaam 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [partij II] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.922,00 aan salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

inzake [partij III] en [partij IV] (7089546 UC EXPL 18-8305)

in conventie

5.5.

wijst de vorderingen af;

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af;

in conventie en reconventie

5.7.

veroordeelt [handelsnaam 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [partij III] en [partij IV] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.922,00 aan salarisgemachtigde;

5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

inzake [partij IV] (7089561 UC EXPL 18-8306) (incident)

5.9.

verstaat dat deze vordering, gelet op de beslissing op de vordering in de hoofdzaak, geen beoordeling behoeft.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.