Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3985

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
16/-251878-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk.

Verdachte heeft zich binnen een tijdsbestek van 2 maanden tot driemaal toe schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, te weten tweemaal een diefstal uit een auto en daarnaast een diefstal met geweld.

Verdachte heeft zich de afgelopen jaren veelvuldig schuldig gemaakt aan vermogensdelicten. De rechtbank rekent verdachte met name de diefstal met geweld ernstig aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/-251878-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 augustus 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1978] te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 mei 2019 en 14 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Grijns en van hetgeen verdachte en mr. K. Cras, advocaat te Amsterdam, alsmede de benadeelde partij [benadeelde 1] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1
op 9 december 2018 te Hilversum twee tassen van [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] uit een auto heeft gestolen door middel van inklimming;

feit 2
op 28 januari 2019 te Hilversum een portemonnee van [benadeelde 4] heeft gestolen en daarbij geweld heeft gebruikt;

feit 3
primair
op 5 februari 2019 te Hilversum uit een auto een postpakket van [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] heeft gestolen;

subsidiair
op 5 februari 2019 te Hilversum een postpakket van [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] heeft vernield;

feit 4
op 27 januari 2019 te Hilversum een geldbedrag van [benadeelde 1] heeft gestolen en daarbij geweld heeft gebruikt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK – FEIT 4

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat aangeefster [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij een gewelddadige confrontatie heeft gehad met verdachte waarbij zij van haar geld is beroofd. Verdachte ontkent dat hij aangeefster heeft beroofd en geweld heeft gebruikt. De vraag is of de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

Ten eerste zijn er in het dossier geen verklaringen van getuigen die de gewelddadige confrontatie hebben gezien. Uit de verklaring van de verbalisant die de aangifte heeft opgenomen volgt dat er zich ook geen enkele getuige heeft gemeld.

In de tweede plaats is op de camerabeelden in het procesdossier te zien dat aangeefster alleen loopt. Verdachte is niet te zien.

Verder sluit de verklaring van getuige [getuige 1] , die verdachte en aangeefster na het vermeende incident in zijn restaurant aantreft, niet aan bij de verklaring van aangeefster. Hij verklaart dat aangeefster hem vertelde dat ‘de man haar had achtervolgd vanaf het station en dat hij in haar portemonnee had gekeken’. Dit komt niet overeen met wat aangeefster in haar aangifte heeft verklaard. Tot slot, het letsel dat wij aangeefster enkele dagen na het vermeende incident aan de politie heeft getoond is ook als zodanig niet redengevend voor het bewijs dat zij door deze verdachte met geweld beroofd is.

Uit het voorgaande volgt dat zich in het procesdossier geen bewijsmiddelen bevinden die de verklaring van aangeefster ondersteunen dat zij door verdachte zou zijn geschopt, aan haar haren zou zijn getrokken en dat verdachte geld van haar zou hebben gestolen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1

Bewijsmiddelen

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 augustus 2019;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 9 december 2018, genummerd PL0900-2018353535-1, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent politie Eenheid Midden-Nederland, inhoudende de aangifte van [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 50 en 51 van het procesdossier.

Het portier van de auto geopend was. Uit jurisprudentie volgt dat in dat geval niet kan worden gesproken van inklimming. Verdachte zal van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

feit 2

Bewijsmiddelen 1

[benadeelde 4] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld.2 Op 28 januari 2019 deed zij boodschappen bij de Albert Heijn in Hilversum. Zij werd daar aangesproken door een man. Op de Eemnesserweg voelde zij een harde duw van achter. Zij zag dat de man die haar duwde dezelfde man was die haar aangesproken had voor de Albert Heijn. Zij zag vervolgens dat haar portemonnee weg was. In de portemonnee zat een SNS bankpas, ID kaart op naam, 2 briefjes van 20 euro, 1 briefje van 5 euro, kleingeld en diverse winkelpasjes.3

Op de camerabeelden van de Albert Heijn is om 14.22 uur een man in beeld met een licht getinte huidskleur welke een witkleurige jas droeg. De man had in zijn linkerhand een wit-kleurige plastic tas. Te zien is dat een vrouw naar buiten liep, waarna de man ook naar buiten liep en de vrouw benaderde. 4 De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen herkent op de beelden de vrouw als de aangeefster.5 De man wordt herkend als verdachte. 6

Op de camerabeelden van Van Loenen IJzerwaren B.V. is om 14.30 uur te zien dat aangeefster komt aanlopen vanuit de richting van de Albert Heijn en gaande in de richting van de Eemnesserweg.Enkele meters achter haar loopt een man, slank postuur, gekleed in een witte jas en donkere broek en op zijn hoofd draagt hij een zwarte capuchon. De man draagt in zijn linkerhand een witte tas. De aangeefster slaat linksaf de hoek om de Eemnesserweg op. De man stopt kort voordat de vrouw afslaat en stapt de nis in bij de aldaar gelegen makelaar. Als de aangeefster enkele seconden uit beeld is stapt de man de nis uit en slaat ook linksaf de Eemnesserweg op.7

Op de camerabeelden van de woning aan de [adres] is om 14.48 uur te zien dat aangeefster in beeld komt vanaf de richting van de Jan van der Heijdenstraat.Op enkele meters achter haar loopt een man, slank postuur, gekleed in een witte jas, donkere broek en hij draagt een zwarte capuchon op zijn hoofd. In zijn linkerhand draagt hij een witte tas. Te zien is dat de man, wanneer hij de vrouw te dicht nadert, even inhoudt en kort stilstaat naast een auto. Hierop vervolgt de man zijn weg weer richting de vrouw. 8

Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij aangeefster heeft aangesproken bij de Albert Heijn en dat hij dezelfde kant op is gelopen als aangeefster.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De verklaring van aangeefster vindt steun in de andere bewijsmiddelen die hiervoor zijn opgenoemd. Daaruit volgt namelijk dat verdachte aangeefster inderdaad heeft aangesproken bij de Albert Heijn. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte aangeefster daarna bewust heeft gevolgd. Hij houdt namelijk in als hij te dichtbij komt en gaat daarna weer verder in dezelfde richting. Verder blijkt ook dat hij niet ver achter haar liep op de straat waar volgens de aangeefster diefstal met geweld heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat het verdachte is geweest die haar vervolgens geduwd heeft en haar portemonnee heeft weggenomen. Dat deze handelingen niet op camerabeelden staan of niet zijn waargenomen door getuigen doet daar niet aan af.

Het alternatieve scenario dat wordt geschetst, namelijk dat de portemonnee bij de duw op de grond is gevallen (omdat de rits van haar tas open stond), is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk geworden.

feit 3

Bewijsmiddelen

Getuige [getuige 2] zag op 5 februari 2019 om 03.20 uur een man de Siriusstraat (de rechtbank begrijpt: in Hilversum) in lopen. Hij zag dat de man vanuit de Larenseweg kwam lopen. Hij zag dat de man een rode plastic tas in zijn hand had. Hij zag dat de man bij diverse auto’s in de straat voelde of het portier geopend was. Hij zag dat de man vervolgens de rode plastic tas in een kliko deponeerde. De getuige gaf het volgende signalement van de man:

  • -

    licht getint

  • -

    180/190 cm lang

  • -

    Half lange donkere jas

  • -

    Opgeschoren donker haar

  • -

    30/35 jaar oud

  • -

    Snorretje.9

Agenten hebben de tas uit de container gehaald en zagen dat het een postpakket was dat was geadresseerd aan de bewoner van de [adres] in [woonplaats] . De zak was opengescheurd en er zat een skibroek in. De agenten liepen omstreeks 03.45 uur vanuit de Larenseweg de Siriusstraat in en zagen een man hun tegemoet lopen. Zij zagen dat dit de voor hen ambtshalve bekende verdachte was. Verdachte had de capuchon van zijn donkerkleurige jas over zijn hoofd.10

[benadeelde 6] heeft, mede namens [benadeelde 5] , aangifte gedaan van een inbraak in hun auto (kenteken [kenteken] ) op 5 februari 2019 aan de [straat] in [woonplaats] .11 [benadeelde 5] had kleding besteld, een skibroek. De tas met de broek lag in hun auto. Toen de politie aanbelde met de tas met de skibroek erin, herkende [benadeelde 5] de tas als de tas die in de auto lag.12

Bewijsoverwegingen

Verdachte ontkent dat hij iets met de diefstal van de in de kliko aangetroffen goederen te maken heeft. Bij de politie heeft verdachte niets willen verklaren. Op de terechtzitting heeft verdachte voor het eerst verklaard over deze verdenking en gezegd dat hij terugkwam van een feestje en dat hij op weg was naar familie op een adres in Hilversum noord. Voor zover verdachte hiermee een alternatief scenario heeft willen schetsen, kan de rechtbank hem hierin niet volgen. Daartoe dient het volgende.

Verdachte liep op 5 februari 2019 rond 03:45 uur op de Siriusstraat in Hilversum waar hij is aangehouden door verbalisanten. Ongeveer 20 minuten eerder heeft getuige [getuige 2] in die straat een man een rode tas in een kliko zien gooien. Die tas is eerder gestolen uit een auto op de [straat] . De man liep aan meerdere autoportieren te voelen of zij open waren. Dit duidt op gedrag van een persoon die bezig is te kijken of hij een auto open kan krijgen. Dit past ook bij het gedrag van verdachte zoals tenlastegelegd onder feit 1 en door hem is bekend, waarbij hij ook in een openstaande auto is gestapt en daar spullen heeft weggehaald. De rechtbank stelt verder vast dat het signalement dat getuige [getuige 2] geeft van de man overeenkomt met het signalement van verdachte (donkere jas, licht getint, snorretje en opgeschoren haar) en met de foto in het dossier ten tijde van zijn aanhouding.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verdachte is geweest die eerst de goederen uit de auto van aangever, die om de hoek stond, heeft gepakt en vervolgens in de kliko heeft gegooid. De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst, gelet op de voorgaande bewijsmiddelen en het feit dat zijn (late) verklaring pas is afgelegd op het moment dat het hele dossier beschikbaar was en bovendien niet controleerbaar is, niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal uit de auto.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1
op 9 december 2018 te Hilversum uit een personenauto (merk Opel, type Karl, kenteken [kenteken] -H) twee tassen met inhoud waaronder een broodtrommel en papieren en een bankpas, toebehoorde aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2
op 28 januari 2019 te Hilversum een portemonnee met inhoud, toebehoorde aan [benadeelde 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [benadeelde 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [benadeelde 4] met kracht te duwen;
feit 3
primair
op 5 februari 2019 te Hilversum uit een personenauto (kenteken [kenteken] ) een postpakket met inhoud, te weten een skibroek, toebehoorde aan [benadeelde 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

7 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1

diefstal

feit 2

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

feit 3

primair

diefstal

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 OPLEGGING VAN STRAF

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd bij rapport van 17 mei 2019.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht indien verdachte wordt veroordeeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen conform het voorarrest. Daarnaast kan een forse voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daarbij oplegging van de voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich binnen een tijdsbestek van 2 maanden tot driemaal toe schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, te weten tweemaal een diefstal uit een auto en daarnaast een diefstal met geweld. Het is niet de eerste keer dat verdachte in aanraking komt met politie en justitie voor dergelijke feiten. Verdachte heeft zich de afgelopen jaren veelvuldig schuldig gemaakt aan vermogensdelicten. De rechtbank rekent verdachte met name de diefstal met geweld ernstig aan. Het slachtoffer was een kwetsbare dame van 83 jaar. Uit het procesdossier maakt de rechtbank op dat de gevolgen van het toegepaste geweld door verdachte voor mevrouw [benadeelde 4] fysiek gelukkig beperkt zijn gebleven. Echter heeft mevrouw [benadeelde 4] wel psychische klachten overgehouden aan de diefstal, namelijk straatvrees. De rechtbank zal hier rekening mee houden in de oplegging van de straf.

Ten aanzien van de diefstallen uit de auto’s is verdachte kennelijk gericht op zoek gegaan naar auto’s waar hij makkelijk in kon komen en heeft hij daar andermans spullen weggenomen. Ondanks dat het niet verstandig is een auto niet op slot te doen, geeft dit verdachte geen enkel recht om deze niet afgesloten auto’s te doorzoeken en de aangetroffen spullen zich toe te eigenen.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft bij de beslissing rekening gehouden met:

  • -

    een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 18 april 2019 (21 pagina’s), waaruit volgt dat verdachte veelvuldig met politie en justitie in aanraking is geweest voor vermogensdelicten;

  • -

    een reclasseringsadvies van Fivoor van 17 mei 2019, opgesteld door reclasseringswerker M. Stoutenburg, waarin behandeling wordt geadviseerd ten aanzien van het middelengebruik, agressieregulatie en delictgeschiedenis.

De op te leggen straf

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals binnen de Rechtspraak vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Volgens deze oriëntatiepunten is voor diefstal uit een auto in geval van veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden passend. De oriëntatiepunten schrijven voor tasjesroof met een enkele duw in geval van veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor van 6 maanden.

Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De gevangenisstraf is lager dan door officier van justitie is geëist. Dit heeft te maken met het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie en het feit dat de rechtbank van oordeel is dat het zowel voor verdachte als de maatschappij van belang is dat hij op korte termijn zal worden behandeld voor de problematiek waar hij mee kampt.

De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de voorwaarden verbinden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 17 mei 2019.

10 BENADEELDE PARTIJ [benadeelde 4]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1045,--. Dit bedrag bestaat uit € 195,-- materiële schade en € 850,-- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een bedrag van €121,80 aan materiële schade en een bedrag van 400,-- aan immateriële schade voor toewijzing in aanmerking komt met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering en subsidiair de vordering dient te worden afgewezen nu deze onvoldoende is onderbouwd.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het bedrag van 195,-- aan materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt. De opgevoerde bedragen voor de portemonnee, het legitimatiebewijs en het weggenomen geld acht de rechtbank aannemelijk en redelijk. Voor wat betreft de immateriële schade stelt de rechtbank vast dat tegenover de benadeelde partij geweld is toepast. Gelet op het toegepaste geweld is nadere medische/psychiatrische onderbouwing van de immateriële schade niet noodzakelijk om deze voor toewijzing in aanmerking te laten komen. De rechtbank zal het bedrag voor de immateriële schade wel matigen tot een bedrag van €400,--.

11 BENADEELDE PARTIJ [benadeelde 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 846,03. Dit bedrag bestaat uit € 296,03 materiele schade en € 550,-- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde feit.

11.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een bedrag van €121,03 aan materiële schade en een bedrag van 550,-- aan immateriële schade voor toewijzing in aanmerking komt met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

11.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een veroordeling komt verzoekt de verdediging de vordering met betrekking tot de materiële schade af te wijzen. Ten aanzien van de vordering van de immateriële schade refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde feit. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de vordering van de benadeelde partij. De rechtbank zal haar daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 43a, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2 en 3 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2 en 3 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ reclassering Inforsa Utrecht zal melden en zich zal blijven melden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich onder behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, ten behoeve zich te laten behandelen voor zijn middelengebruik, agressie regulatie en delictgeschiedenis, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* bij terugval in middelengebruik of overmatig middelengebruik de reclassering een indicatiestelling kan aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

* zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, nader te bepalen door de reclassering, of een soortgelijke instelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf;

Benadeelde partij [benadeelde 4]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 4] toe tot een bedrag van € 595,--;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 4] ;

  • -

    verklaart [benadeelde 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [benadeelde 1]

  • -

    verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mrs. M. Ferschtman en N.P.J. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Salet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1 .
hij op of omstreeks 9 december 2018 te Hilversum uit/vanaf een (personen)auto (merk Opel, type Karl, kenteken [kenteken] -H) twee, althans een tassen met inhoud (waaronder een broodtrommel en/of papieren) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

2.
hij op of omstreeks 28 januari 2019 te Hilversum een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde 4] (met kracht) te duwen;

3.
primair
hij op of omstreeks 5 februari 2019 te Hilversum uit/vanaf een (personen)auto (kenteken [kenteken] ) een postpakket (met inhoud, te weten een skibroek, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair
hij op of omstreeks 5 februari 2019 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een postpakket (met inhoud, te weten een skibroek), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4.
hij op of omstreeks 27 januari 2019 te Hilversum enig(e) geldbedrag(en) van (in totaal) 75 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/ of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door meermalen, althans eenmaal
- aan de haren van die [benadeelde 1] te trekken en/ of
- (met kracht) aan de schoudertas van die [benadeelde 1] te trekken en/ of
- (met kracht) tegen het lichaam van die [benadeelde 1] te schoppen en/ of
- (daarbij) een notitieboekje met daarin 75 euro, althans enig geldbedrag (uit de schoudertas) van die [benadeelde 1] te pakken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 december 2018, genummerd PL0900-2018324861 en PL0900-2018353535 , opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 2 tot en met 78. Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 31

3 Pagina 32

4 Pagina 33

5 Pagina 34

6 Pagina 34

7 Pagina 76

8 Pagina 83

9 Pagina 105

10 Pagina 91

11 Pagina 98

12 Pagina 99