Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3948

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
C/16/478171 / FA RK 19-1854
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie opgelegd aan verzorgende ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0236
FJR 2020/7.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummers:

C/16/478171 / FA RK 19-1854 (vaststelling hoofdverblijfplaats)

C/16/481394 / FO RK 19-786 (vaststellen zorgregeling)

C/16/478167 / FA RK 19-1851 (vaststelling kinderalimentatie)

Beschikking van 28 augustus 2019

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P.L.J. Woesthoff,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M. van Meurs.

1 De procedure tot nu toe

1.1.

De vrouw heeft op 29 maart 2019 een verzoekschrift ingediend, met bijlagen 1 tot en met 8.

1.2.

De man heeft op 22 mei 2019 een verweerschrift ingediend, met zelfstandige verzoeken en bijlagen 1 tot en met 11.

1.3.

Verder heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen en gelezen:

  • -

    de brief van 24 mei 2019 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van de hierna te noemen minderjarige [voornaam van kind 1] van 10 juni 2019;

  • -

    het aanvullende verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 5 augustus 2019, met bijlagen 9 en 10.

1.4.

De hierna te noemen minderjarige [voornaam van kind 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is op 12 augustus 2019 door de rechter gehoord.

1.5.

De verzoeken van partijen zijn behandeld op de zitting van 13 augustus 2019.

Daarbij waren aanwezig partijen, bijgestaan door hun advocaten en mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Beide advocaten hebben op de zitting onder meer het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben van 2004 tot juli 2018 een relatie met elkaar gehad.

2.2.

Zij zijn de ouders van: [kind 1], geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] . De man heeft [voornaam van kind 1] erkend. Dat betekent dat hij ook voor de wet de vader van [voornaam van kind 1] is.

2.3.

Uit de aantekening in het gezagsregister blijkt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over [voornaam van kind 1] . Dat betekent dat zij belangrijke beslissingen over [voornaam van kind 1] samen moeten nemen.

2.4.

De vrouw is ook de moeder van: [kind 2], geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2] , Thailand.

3 De verzoeken

Geen ouderschapsplan

3.1.

De rechtbank overweegt als volgt. In de wet (artikel 1:247a van het Burgerlijk Wetboek (BW)) staat dat ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen verplicht zijn om een ouderschapsplan op te stellen. Uit de stukken blijkt echter dat partijen dat niet hebben gedaan. Partijen hebben verzoeken ingediend op grond van artikel 1:253a lid 2 BW. In lid 3 van dat artikel staat dat de rechtbank in dat geval verplicht is om te wachten met het nemen van een beslissing, totdat partijen alsnog een ouderschapsplan hebben gemaakt. De rechtbank hoeft niet te wachten met het nemen van een beslissing als dat in het belang van het kind nodig is. In dit geval vindt de rechtbank het in het belang van [voornaam van kind 1] dat er nu een beslissing wordt genomen. Partijen hebben namelijk geprobeerd om samen afspraken te maken, maar dat is niet gelukt. [voornaam van kind 1] heeft last van die situatie. Hij is vaak boos en heeft moeite met het contact met zijn moeder. Daarom zal hij binnenkort met een kinderpsycholoog gaan praten. De rechtbank zal dan ook een beslissing nemen op de verzoeken.

Hoofdverblijfplaats [voornaam van kind 1]

3.2.

De vrouw heeft haar verzoek, om de hoofdverblijfplaats van [voornaam van kind 1] bij haar te bepalen, ingetrokken. Zij is het ermee eens dat [voornaam van kind 1] bij de man zal wonen. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen en bepalen dat [voornaam van kind 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben.

Zorgregeling

3.3.

Partijen zijn het niet eens over de zorgregeling. De man heeft primair verzocht een zorgregeling vast te stellen, waarbij [voornaam van kind 1] telkens drie weekenden van vrijdag 16.00 uur tot en met zondag 13.00 uur bij de vrouw verblijft en daarna een heel weekend bij de man, tenzij de rechtbank een andere regeling in het belang van [voornaam van kind 1] vindt. Daarbij heeft hij aangevoerd dat [voornaam van kind 1] weerstand heeft tegen het contact met zijn moeder. Volgens de man komt dat met name omdat de vrouw geen Nederlands spreekt. Zij kan daardoor niet goed communiceren met [voornaam van kind 1] of aansluiten bij zijn leefwereld

3.4.

De vrouw heeft zelfstandig verzocht een zorgregeling vast te stellen, waarbij [voornaam van kind 1] telkens drie weekenden achtereen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur bij haar verblijft, en het vierde weekend bij de man. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij contact met [voornaam van kind 1] wil blijven houden en een goede moeder voor hem wil zijn.

3.5.

De Raad heeft op de zitting gezegd dat het belangrijk is dat [voornaam van kind 1] contact heeft met zijn moeder, maar dat hij ook steeds meer zijn eigen leven zal krijgen. De Raad vindt het daarom geen goed idee als [voornaam van kind 1] bijna ieder weekend bij zijn moeder is. Volgens de Raad is het ook belangrijk om het contact met de moeder niet te forceren als [voornaam van kind 1] echt niet wil. Daarom heeft de Raad voorgesteld om af te spreken dat [voornaam van kind 1] door de week bij zijn moeder langs kan gaan wanneer hij daar zelf behoefte aan heeft. De Raad heeft benadrukt dat het belangrijk is dat de vrouw de Nederlandse taal gaat leren, zodat zij beter kan communiceren met en aansluiten bij [voornaam van kind 1] .

3.6.

De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen waarbij [voornaam van kind 1] om de week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vrouw zal verblijven en daarnaast op doordeweekse dagen na school, als [voornaam van kind 1] daar zelf behoefte aan heeft. De rechtbank vindt die regeling in het belang van [voornaam van kind 1] omdat dat op dit moment het meest haalbare is. [voornaam van kind 1] heeft namelijk veel weerstand tegen het contact met zijn moeder, en de rechtbank is het met de Raad eens dat het niet goed is om het contact nu te forceren. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de wensen van [voornaam van kind 1] . Tijdens het gesprek met de rechter heeft [voornaam van kind 1] gezegd dat hij moeite heeft met het contact met zijn moeder, maar dat hij haar wel wil blijven zien. Daarnaast wil [voornaam van kind 1] graag tijd hebben om leuke dingen te doen met zijn vader en om samen huiswerk te maken. Deze regeling sluit daar goed bij aan. De rechtbank hoopt dat [voornaam van kind 1] door de hulp van de psycholoog zijn moeder weer vaker wil zien. [voornaam van kind 1] kan dan op doordeweekse dagen na school bij zijn moeder zijn en bijvoorbeeld bij haar eten. Dat kan ook goed, omdat de vrouw straks vlakbij de school van [voornaam van kind 1] gaat wonen. De rechtbank zal de hiervoor genoemde zorgregeling vaststellen in het dictum en de overige of andersluidende verzoeken afwijzen.

3.7.

Het subsidiaire verzoek over de zorgregeling tussen [voornaam van kind 1] en de man is niet meer aan de orde. De man heeft dat namelijk verzocht voor het geval de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [voornaam van kind 1] bij de vrouw vaststelt en dat verzoek heeft de vrouw ingetrokken.

Verdeling van de feest- en vakantiedagen

3.8.

Partijen zijn het erover eens dat [voornaam van kind 1] in de herfstvakantie van 2019 bij de moeder zal verblijven en dat de feest- en vakantiedagen vanaf 2020 in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld. Gelet op de overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank dit vastleggen. Partijen zijn het niet eens over de kerstvakantie 2019. De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat [voornaam van kind 1] dan bij haar zal zijn, maar de man is het daar niet mee eens, omdat in die vakantie ook feestdagen vallen. De rechtbank volgt de man in die stelling. Mede gelet op de weerstand van [voornaam van kind 1] vindt de rechtbank het in het belang van [voornaam van kind 1] dat hij gedurende de kerstvakantie en de daarin vallende feestdagen ook tijd met zijn vader door kan brengen. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen de kerstvakantie 2019 in onderling overleg bij helfte zullen verdelen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat partijen rekening houden met de weerstand van [voornaam van kind 1] , maar ook met zijn belang om een band op te bouwen met zijn moeder.

Kinderalimentatie

3.9.

De vrouw heeft – kortgezegd – (bij gewijzigd verzoek) verzocht de door de man te betalen kinderalimentatie voor [voornaam van kind 1] vast te stellen op een bedrag van € 166,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, subsidiair tot een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.10.

De man is het daar niet mee eens. Hij heeft zelfstandig verzocht om de door de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [voornaam van kind 1] vast te stellen op een bedrag van € 25,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de datum van zijn verweerschrift, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.11.

De rechtbank zal hierna – voor zover relevant – per onderwerp ingaan op de stellingen van partijen.

Behoefte

3.12.

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [voornaam van kind 1] € 473,- per maand bedraagt.

Draagkracht van de man

3.13.

Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de winst uit onderneming van € 39.220,-, zoals dat blijkt uit de jaarrekening 2018. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de stelling van de vrouw dat uit moet worden gegaan van een gemiddelde winst over de jaren 2016 tot en met 2018 van € 41.328,-. Dat gemiddelde vindt de rechtbank namelijk niet representatief voor de huidige draagkracht van de man, omdat het jaar 2016 een uitschieter is in verhouding tot de overige jaren. Op basis van het hiervoor genoemde inkomen heeft de man recht op een kindgebonden budget van € 4.104,- per jaar. Hier zal de rechtbank ook rekening mee houden omdat dit de draagkracht van de man verhoogt.

3.14.

Uitgaande van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 3.066,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% van [3.066 – (0,3 x 3.066 + 950)] = € 837,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

3.15.

Aan de zijde van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een minimale draagkracht van € 25,- per maand. Door de man is namelijk niet betwist dat de vrouw op dit moment een inkomen onder bijstandsniveau verdient, hetgeen wordt aangevuld tot de bijstandsnorm. Bovendien gaat de rechtbank voorbij aan de stellingen van de man dat de vrouw een hoger inkomen kan verdienen. Weliswaar heeft de man betwist dat de vrouw vanwege haar auto-immuun ziekte niet in staat is om fulltime te werken, maar hij heeft niet betwist dat de vrouw aan een auto-immuun ziekte lijdt. Ook heeft hij niet concreet gesteld welk inkomen de vrouw dan wel zou kunnen verdienen. Daarnaast vindt de rechtbank het, gelet op het feit dat de vrouw nauwelijks Nederlands spreekt en amper werkervaring heeft, onaannemelijk dat zij in staat is om een inkomen boven bijstandsniveau te genereren. Dat de vrouw een inkomen boven bijstandsniveau kan verdienen is ook niet door de man gesteld. De rechtbank gaat dus uit van een inkomen op of onder bijstandsniveau, en daar hoort bij een niet-verzorgende ouder een minimale draagkracht van € 25,- per maand bij.

Gezamenlijke draagkracht

3.16.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 862,- per maand (837+25). Dat is voldoende om volledig in de behoefte van [voornaam van kind 1] van € 473,- per maand te voorzien.

Bijdrage aan niet-verzorgende ouder

3.17.

De man heeft gesteld dat van hem niet verwacht kan worden dat hij als verzorgende ouder een bijdrage aan de vrouw betaalt voor [voornaam van kind 1] , maar aan die stelling gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.18.

Meestal wordt kinderalimentatie betaald aan de ouder bij wie het kind woont. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de niet-verzorgende ouder alleen de kosten betaalt als het kind bij hem of haar verblijft, en dat de verzorgende ouder alle andere kosten betaalt. De verzorgende ouder gebruikt daar ook de kinderalimentatie voor.

In dit geval is de moeder echter niet in staat om de zorgkosten (ook wel ‘zorgkorting’ genoemd) van [voornaam van kind 1] te betalen, terwijl de man juist een hele hoge draagkracht heeft. Dit vindt de rechtbank een reden om te bepalen dat de man een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, zodat de vrouw de zorgkosten kan betalen als [voornaam van kind 1] bij haar verblijft.

Zorgkorting

3.19.

De zorgkosten zijn een percentage van de behoefte van het kind. Aangezien [voornaam van kind 1] om het weekend twee dagen bij de vrouw verblijft plus de helft van de feest- en vakantiedagen en af en toe na school, vindt de rechtbank een zorgkorting van 15% van de behoefte (€ 473,- per maand )passend. De zorgkorting is dan € 71,- per maand.

Conclusie

3.20.

De vrouw heeft een draagkracht van € 25,- per maand. Dit betekent dat zij nog € 46,- per maand nodig heeft om voor [voornaam van kind 1] te kunnen zorgen. Dit is dan ook het bedrag aan kinderalimentatie dat de man aan de vrouw zal moeten betalen voor [voornaam van kind 1] . Gelet op de hoge draagkracht van de man is hij daar ook toe in staat.

3.21.

De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [voornaam van kind 1] vaststellen op een bedrag van € 46,- per maand, en de overige of andersluidende verzoeken afwijzen.

Ingangsdatum

3.22.

De rechtbank vindt het redelijk om de bijdrage in te laten gaan vanaf de beschikkingsdatum. Vanaf die datum geldt namelijk de hiervoor genoemde zorgregeling, en maakt de vrouw dus ook die zorgkosten.

Beperking duur kinderalimentatie

3.23.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat de kinderalimentatie slechts wordt vastgesteld voor een periode van twee jaar. In de wet staat namelijk geen bepaling die dat mogelijk maakt. Daarnaast is de vraag, of van de vrouw verwacht kan worden dat zij over twee jaar wel haar eigen zorgkosten voor [voornaam van kind 1] kan betalen, een toekomstige gebeurtenis. De rechtbank kan daar nu dus nog niks over zeggen. De rechtbank geeft de man mee dat het hem vrij staat om over twee jaar een wijzigingsverzoek in te dienen.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat [kind 1], geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] , zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;

4.2.

stelt de volgende zorgregeling vast:

[voornaam van kind 1] verblijft bij de vrouw:

  • -

    om de week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur; en

  • -

    op doordeweekse dagen na school, als [voornaam van kind 1] daar zelf behoefte aan heeft;

4.3.

verdeelt de feest- en vakantiedagen als volgt:

  • -

    herfstvakantie 2019: [voornaam van kind 1] verblijft bij de vrouw;

  • -

    de overige feest- en vakantiedagen worden in onderling overleg bij helfte tussen partijen gedeeld;

4.4.

stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van kind 1] vast op € 46,- per maand, met ingang van heden bij vooruitbetaling door de man aan de vrouw te voldoen;

4.5.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.G. de Beer, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Geerding als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2019.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.