Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3941

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-08-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3082
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een dakloos gezin uit Groot-Brittannië moet per direct onderdak krijgen van de gemeente Almere. Dat heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland vandaag beslist in een spoedprocedure.

Het Nederlands-Somalische gezin met vier jonge kinderen kwam eind juli terug naar Nederland om bij een vriendin in te trekken. Er zou sinds 2016 sprake zijn van geweldsdreiging nadat de vader van het gezin in Engeland getuige was geweest van een geweldsincident. Op het moment dat het gezin in Nederland aankwam is de vriendin van gedachten veranderd. Kort daarna vroegen zij opvang aan in Leiden en Alphen aan den Rijn. Die gemeenten weigerden om opvang te verlenen. Daarop deed het gezin een aanvraag bij de gemeente Almere. Vanaf 2 augustus werd het gezin opgevangen in een buurthuis in Almere en konden zij tijdelijk overnachten in de woning van een medewerker. Zij kon het gezin niet langer onderdak bieden.

De gemeente Almere vindt dat er geen sprake is van een spoedeisende situatie en zag geen aanleiding om een spoedmaatregel te treffen, omdat het gezin onvoorbereid uit Engeland is vertrokken en zelfredzaam zou zijn. Vandaag bleek tijdens de zitting dat de gemeente hier nog onderzoek naar doet. In afwachting daarvan is de rechter van oordeel dat de gemeente nu tijdelijk opvang moet bieden totdat het onderzoek is afgerond en op de aanvraag heeft beslist. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de belangen van de kinderen - het gaat om een gezin met vier zeer jonge en kwetsbare kinderen die een groot belang hebben bij onderdak - doorslaggevend geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3082

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 augustus 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster], mede namens hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , verzoekers,

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: mr. P.I. Algoe).

Procesverloop

Bij brief van 15 augustus 2019 heeft verweerder aan Defence for Children medegedeeld dat zij niet bereid zijn om verzoekers toe te laten tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015).

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 16 augustus 2019 heeft de gemachtigde van verzoekers, verweerder verzocht om opvang als bedoeld in de Wmo 2015 per direct en gevraagd om vóór maandag 19 augustus 2019 om 12.00 uur daarop te beslissen.

Na het verstrijken van voornoemde termijn hebben verzoekers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 16 augustus 2019.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, aldus dat:

  1. het besluit van 15 augustus 2019 wordt geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op het daartegen ingediende bezwaar;

  2. verweerder zorgdraagt voor toelating per direct van verzoekers en hun kinderen tot de maatschappelijke opvang;

  3. verweerder binnen een week na deze uitspraak een beslissing neemt op zowel het ingediende bezwaar als het verzoek om toelating tot maatschappelijke opvang;

  4. verweerder een in goede justitie vast te stellen dwangsom verbeurt per dag dat verweerder de in c. genoemde termijn overschrijdt;

  5. verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Ter zitting hebben verzoekers dit verzoek zoals vermeld onder c aangevuld en

verzocht te bepalen dat verweerder een beslissing op bezwaar neemt binnen twee dagen.

Voor zover nader onderzoek van verweerder nodig is om te kunnen beslissen is verzocht om

rekening te houden met de beslistermijn van verweerder voor de duur van dat onderzoek.

Verzoekster [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. T.A. Vetter, kantoorgenoot van

de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en

mevrouw [A] .

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening voorzover dit betrekking heeft op de brief van 15 augustus niet ontvankelijk;

- bepaalt dat verzoekers tezamen met hun in de aanhef genoemde kinderen per direct tot aan de beslissing op de aanvraag van 16 augustus 2019 toegang wordt verleend tot maatschappelijke opvang;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.024,-.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat de brief van 15 augustus 2019 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) omdat deze brief gezien de bewoordingen enkel een informatieve strekking heeft. Dit betekent dan ook dat er geen sprake is van een besluit van verweerder. Verzoekers kunnen dan ook niet worden ontvangen in hun verzoek om een voorlopige voorziening voorzover dat betrekking heeft op deze brief.

De voorzieningenrechter zal dan ook enkel beslissen op het verzoekschrift voorzover dit betrekking heeft op het niet tijdig beslissen door verweerder op de aanvraag van 16 augustus 2019.

3. Verzoekers voeren aan dat het uitblijven van opvang evident schadelijk zal zijn voor (de ontwikkeling van) hun kinderen, in leeftijd variërend van 0 tot 6 jaar. Bovendien kan een kind nimmer verantwoordelijk zijn voor of moet hij de gevolgen dragen van de daden van zijn ouders. Of verzoekers een verwijt kan worden gemaakt bij hun terugkeer vanuit Engeland naar Nederland, hetgeen zij overigens betwisten, is daarom niet relevant voor de vraag of, gegeven de kinderrechten die uit de internationale verdragen voortvloeien, aan de kinderen (en uit hoofde van het recht op gezinsleven dan ook aan verzoekers, allen met de Nederlandse nationaliteit) opvang moet worden geboden.

Daarbij komt dat er geen reden tot twijfel is aan de verklaring van verzoekers dat zij wegens geweldsdreiging sinds 2016 zijn teruggekeerd naar Nederland op 24 juli 2019 en dat van een ondoordachte terugkeer geen sprake is. In dit verband is aangevoerd dat een vriendin van verzoekers in juni 2019 onderdak aan verzoekers heeft aangeboden maar deze toezegging op 24 juli 2019 heeft ingetrokken. Niet alleen is het sociaal netwerk van verzoekers in Nederland uitgeput, duurzame opvang van een gezin van zes personen is bovendien niet aannemelijk. Ook alternatieven, zoals verblijf houden op een vakantieadres of terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk, zijn om verschillende redenen illusoir.

Hierom was verweerder niet bevoegd opvang te weigeren, althans is het besluit onvoldoende gemotiveerd.

4. Verweerder stelt dat op 28 augustus a.s een beslissing op de aanvraag van 16 augustus 2019 wordt genomen. Voorts heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat er geen aanleiding is om verzoekers (onverwijld) toegang te verlenen tot de maatschappelijke opvang. Verzoekers hadden voor hun vertrek uit Engeland een plan voor onderdak kunnen en moeten maken. De familie is zelfredzaam en dakloosheid brengt daarin geen verandering. In dit verband verwijst verweerder maar de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 waarin volgens verweerder wordt vermeld dat maatschappelijke opvang niet is bedoeld voor degenen die terugkeren naar Nederland (TK, 2013/2014, nr. 33841, MvT, p. 122). Kennelijk is er een netwerk en kunnen verzoekers zich nog steeds staande houden. Tevens stelt verweerder zich op het standpunt dat verzoekers hun aanvraag hadden moeten indienen bij de gemeente Alphen aan de Rijn.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat zij geen crisiswoning op dit moment vrij hebben. Wel bestaat de mogelijkheid voor opvang in een budgethotel of op een vakantiehuisje op een camping in Almere dan wel in de regio.

Toepasselijke regelgeving

5. In artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015, is bepaald dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 (de verordening), treft het college in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet (waaronder de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is), na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Spoedeisendheid

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers en hun kinderen, na de ingetrokken toezegging voor onderdak van hun vriendin, vanaf 2 augustus 2019 overdag werden opgevangen in het [buurthuis] te [woonplaats] en ’s nachts sliepen in de woning van een medewerker van de Stichting [stichting] .. Ter zitting is gebleken dat deze medewerker niet langer nachtelijk opvang kan bieden. De spoedeisendheid is daarmee gegeven.

De belangenafweging

7. Het standpunt van verweerder dat Alphen aan de Rijn de eerst verantwoordelijke gemeente is en verzoekers hun aanvraag bij deze gemeente hadden moeten indienen, volgt de voorzieningenrechter niet en verwijst daartoe naar artikel 5 van het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang. Ingevolge het derde lid van deze bepaling dient bij een verschil van mening over welke gemeente de opvang dient te bieden, het college van de gemeente waar de aanvraag tot maatschappelijke opvang in behandeling is, maatschappelijke opvang te bieden dan wel op andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de verantwoordelijkheid van de ouders zwaar weegt en dat zij deze verantwoordelijkheid niet bij verweerder kunnen leggen. De voorzieningenrechter volgt verweerder in het standpunt dat de eigen verantwoordelijkheid van de burger in de Wmo 2015 voorop staat. In het onderhavige geval is duidelijk geworden dat verweerder nog onderzoek doet naar de vraag of aan verzoekers kan worden tegengeworpen dat zij onvoldoende voorbereid uit Engeland zijn vertrokken en of zij hier in Nederland voldoende zelfredzaam zijn.

Ter zitting is gebleken dat verzoekers niet meer in staat zijn op eigen kracht of met hulp uit het sociale netwerk zich te handhaven in de samenleving als bedoeld in artikel 1.2.1., aanhef en onder c van de Wmo 2015.

Gevraagd wordt om opvang voor een groot gezin met minderjarige kinderen van zeer jonge leeftijd. De voorzieningenrechter kan gezien de huidige situatie van verzoekers niet anders dan voorbij gaan aan beantwoording van de vraag of ouders hun vertrek uit Engeland voldoende hebben voorbereid. Doorslaggevend is dat het verzoek betrekking heeft op de 4 zeer jonge minderjarige kinderen van verzoekers. Zij behoren tot de categorie van kwetsbare personen en hebben een groot belang bij onderdak.

De voorzieningenrechter weegt de belangen van de minderjarige kinderen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening onder verwijzing naar artikel 8 EVRM en 3 IVRK dan ook zwaarder dan de belangen van verweerder.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat aan verzoekers en hun minderjarige kinderen per direct tijdelijk toegang wordt verleend tot de maatschappelijke opvang tot het moment dat verweerder een beslissing heeft genomen op de aanvraag van 16 augustus 2019.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.D. Koteris, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.