Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:391

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
16/652681-18; 16/201737-17 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 16-jarige jongen uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor diefstal van zes AED’s. Ook heeft hij samen met een 15-jarige jongen uit Utrecht twee straatroven gepleegd. De rechtbank veroordeelt de 16-jarige jongen tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden en een taakstraf van 120 uur. De 15-jarige jongen krijgt een taakstraf van 80 uur opgelegd.

De 16-jarige jongen heeft in de maanden april en mei van vorig jaar op drie verschillende momenten AED’s gestolen op Utrecht Centraal en de Vredenburgpassage in Utrecht. De rechtbank rekent het hem zwaar aan dat het hier gaat om levensreddende apparaten. De apparaten zijn aangetroffen in de kelderbox van de woning van de jongen.

In september van vorig jaar hebben de twee jongens zich schuldig gemaakt aan twee straatroven in Utrecht. Zij hebben midden in de nacht twee willekeurige voorbijgangers in de Sijpesteijn- en de Daalsetunnel aan hun tas getrokken, uit één van de tassen hebben ze een Twix meegenomen. Van het andere slachtoffer hebben ze de tas meegenomen. De twee jongens hebben zich enkel laten leiden door hun impulsen, of zoals zij het verklaren: dat zij slechts lol, of chaos wilde trappen. Straatroven veroorzaken maatschappelijke onrust en brengen een gevoel van onveiligheid teweeg. Slachtoffers van een straatroof kunnen nog lang last hebben van de roof.

Beide jongens hebben een bekennende verklaring afgelegd. Bij het bepalen van de staf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen in vergelijkbare zaken. Uit onderzoek van deskundigen blijkt dat er bij de twee jongens sprake is van een stoornis. De rechtbank bepaalt daarom dat zij een verplichte behandeling moeten ondergaan. De straffen zijn gelijk aan de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/652681-18; 16/201737-17 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2004] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans verblijvende te Intermetzo Maarsbergen.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Goedegebuure en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. van Gemert, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 15 september 2018 te Utrecht in de nacht samen met een ander of anderen een Twix (verpakking) heeft gestolen van een onbekend gebleven persoon;

Feit 2:

op 15 september 2018 te Utrecht in de nacht samen met een ander of anderen een tas (met kleding) heeft gestolen van [slachtoffer] door middel van geweld en/of bedreiging met geweld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en heeft zich gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd en de bewijsmiddelen zoals deze zich in het dossier bevinden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor het ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Feiten 1 en 2:

De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 januari 20192;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2018, genummerd PL0900-2018266833-2, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland3;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van uitkijken camerabeelden van 15 september 2018, genummerd PL0900-2018266833, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland4;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 15 september 2018, genummerd PL0900-2018266840-1, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland5.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1:

op 15 september 2018 te Utrecht omstreeks 3:00 uur, op de openbare weg, te weten de Sijpesteijnkade, tezamen en in vereniging met anderen, een Twix(verpakking), die toebehoorde aan een tot op heden onbekend persoon, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 2:

op 15 september 2018 te Utrecht, omstreeks 02:30 uur, op de openbare weg, te weten de Daalsetunnel, tezamen en in vereniging met anderen, een tas (met kleding), die toebehoorde aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door:

- die [slachtoffer] als groep te benaderen en

- de tas van die [slachtoffer] vast te grijpen en

- te trekken/rukken aan de tas van die [slachtoffer].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

diefstal in vereniging; en

Feit 2:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een taakstraf van 80 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen jeugddetentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de geëiste taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, gelet op het huidige civielrechtelijke traject waarin verdachte loopt. De raadsvrouw benadrukt te waken voor overbelasting van verdachte. Verdachte verblijft momenteel met een machtiging uithuisplaatsing bij Intermetzo en volgt daar een intensief behandeltraject. Een onvoorwaardelijke taakstraf zal zijn gunstige ontwikkeling doorbreken.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in september 2018 in één nacht schuldig gemaakt aan een diefstal én een straatroof. Verdachte heeft midden in de nacht samen met andere jongens twee willekeurige voorbijgangers in zowel de Sijpesteijn- als de Daalsetunnel te Utrecht lastig gevallen door hen als groep te benaderen, vervolgens aan hun tassen te trekken en daarna een tas en (in het andere geval) een goed daaruit weg te nemen. Verdachte heeft zich hierbij enkel laten leiden door zijn eigen impulsen, of zoals hij zelf heeft verklaard, slechts ‘chaos heeft willen trappen’. Hij heeft er in het geheel niet bij stil gestaan dat slachtoffers van dit soort delicten enorm kunnen schrikken en nog lang last houden van hetgeen hen is aangedaan. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten maatschappelijke onrust en brengen ze een gevoel van onveiligheid teweeg. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 11 december 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Psychologisch onderzoek Pro Justitia van

4 december 2018, opgesteld door drs. A. Soetendaal, GZ-psycholoog. Aan dit onderzoek heeft verdachte niet mee willen of kunnen werken. Gesprekken lijkt verdachte als uitermate belastend te ervaren. De overbelasting lijkt zo sterk dat verdachte niet meer in staat lijkt te zijn om mee te werken. Uit eerder onderzoek is wel gebleken dat sprake is van ADHD en een oppositioneel opstandige gedragsstoornis. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het Advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 januari 2019 en het geactualiseerde advies van 22 januari 2019. Hieruit volgt dat verdachte op verschillende leefgebieden veel zorgen laat zien. Zo waren er forse gedragsproblemen zowel thuis als op school, waardoor verdachte momenteel uit huis is geplaatst in Intermetzo Maarsbergen.

Straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het strafadvies, gegeven door de Raad voor de Kinderbescherming van 17 januari 2019. De Raad acht behandeling in de vorm van jeugdreclasseringsbegeleiding noodzakelijk. Zo kan worden ingezet op het tegengaan van delictgedrag, maar kan ook in overleg tussen jeugdreclassering en de gezinsvoogd (die zich inzet op het gebied van veiligheid en gedrag) de complexe situatie van verdachte worden aangepakt. De Raad adviseert een (deels) voorwaardelijke werkstraf met daarbij de door de Raad geïndiceerde bijzondere voorwaarden op te leggen.

Voorts heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS in aanmerking genomen. Het oriëntatiepunt voor een diefstal is een taakstraf van 30 uren. Voor een diefstal met geweld geldt het oriëntatiepunt van een taakstraf vanaf 60 uren, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een diefstal en een diefstal met geweld en bedreiging met geweld.

De rechtbank is op grond van de persoon van verdachte en gelet op de ernst van de feiten van oordeel dat een taakstraf gerechtvaardigd is. Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank constateert dat het noodzakelijk is dat verdachte naast deze straf een hulpkader krijgt aangeboden om daarin voor zijn problematiek (verder) te worden behandeld. De rechtbank ziet echter geen ruimte meer, gelet op het bewezenverklaarde, om naast het onvoorwaardelijke deel, nog een voorwaardelijk strafdeel op te leggen en daaraan de door de Raad voor de Kinderbescherming geïndiceerde bijzondere voorwaarden te koppelen. Nu de rechtbank wel van oordeel is dat deze bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden bij de vordering tenuitvoerlegging wijzigen, zoals onder punt negen uiteen zal worden gezet.

9 VORDERING TENUITVOERLEGGING

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de proeftijd wordt verlengd met één jaar en dat de bijzondere voorwaarden opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 13 december 2017 worden gewijzigd, in die zin dat als voorwaarden worden toegevoegd dat verdachte:

- meewerkt aan behandeling bij Intermetzo of soortgelijke instelling;

- gedurende drie maanden in de nachtelijke uren van 22.00 uur tot 07.00 uur een huisarrest heeft, voor de dagen dat hij bij zijn moeder verblijft of in aanwezigheid is van zijn moeder;

- zich houdt aan de aanwijzingen gegeven door Samen Veilig Midden-Nederland, afdeling jeugdreclassering (Toezicht en Begeleiding);

- onderwijs blijft volgen via Intermetzo en aldaar verblijft binnen het kader van de lopende voorwaarden en ondertoezichtstelling;

waarbij aan de gecertificeerde instelling, te weten Samen Veilig Midden-Nederland te Nieuwegein, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige daarvan te begeleiden.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heef verzocht de proeftijd te verlengen met één jaar en alleen als bijzondere voorwaarden toe te voegen dat hij moet meewerken bij Intermetzo. De raadsvrouw benadrukt dat indien meerdere voorwaarden worden toegevoegd, verdachte wordt overvraagd en de verschillende disciplines door elkaar gaan lopen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van de kinderrechter van 13 december 2017 (parketnummer 16/201737-17) is verdachte een voorwaardelijk taakstraf van 60 uren opgelegd.

De rechtbank wijzigt de bij deze proeftijd behorende voorwaarden opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 13 december 2017 (parketnummer 16.201737-17) in dier voege dat de bijzondere voorwaarden thans als volgt komen te luiden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- meewerkt aan behandeling bij Intermetzo of soortgelijke instelling;

- gedurende drie maanden in de nachtelijke uren van 22.00 uur tot 07.00 uur een huisarrest heeft, voor de dagen dat hij bij zijn moeder verblijft of in aanwezigheid is van zijn moeder;

- zich houdt aan de aanwijzingen gegeven door Samen Veilig Midden-Nederland, afdeling jeugdreclassering (Toezicht en Begeleiding);

- onderwijs blijft volgen via Intermetzo en aldaar verblijft binnen het kader van de lopende voorwaarden en OTS;

waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig Midden-Nederland, te Nieuwegein opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige daarvan te begeleiden.

De rechtbank zal de eerder vastgestelde proeftijd met één jaar verlengen. Bij die beslissing is rekening gehouden met de persoon en omstandigheden van verdachte.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77aa, 77gg, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren per dag;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/201737-17

- verlengt de bij vonnis van de kinderrechter van 13 december 2017 (parketnummer 16/201737-17) aan de opgelegde voorwaardelijke taakstraf verbonden proeftijd met één jaar;

- wijzigt de bij deze proeftijd behorende voorwaarden als volgt:

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich houdt aan de aanwijzingen gegeven door Samen Veilig Midden-Nederland,

afdeling jeugdreclassering (Toezicht en Begeleiding);

* gedurende drie maanden na heden in de nachtelijke uren van 22.00 uur tot 07.00 uur huisarrest heeft voor de dagen dat hij bij zijn moeder verblijft of in aanwezigheid is van zijn moeder;

* meewerkt aan behandeling bij Intermetzo of soortgelijke instelling;

* onderwijs blijft volgen via Intermetzo en aldaar verblijft binnen het kader van de

lopende voorwaarden en ondertoezichtstelling;

waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig Midden-Nederland, te Nieuwegein opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige daarvan te begeleiden.

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Eversteijn, voorzitter, mrs. A.C. van den Boogaard en

E.J. van Rijssen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2019.

Mr. Eversteijn, voornoemd, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 15 september 2018 te Utrecht omstreeks 3:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op/aan de openbare weg, te weten de Sijpesteijnkade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Twix(verpakking), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan een tot op heden onbekend persoon, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 2:

hij op of omstreeks 15 september 2018 te Utrecht, omstreeks 02:30 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op/aan de openbare weg, te weten de Daalsetunnel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een tas (met kleding), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

door:

- die [slachtoffer] als groep te benaderen en/of

- de tas van die [slachtoffer] vast te grijpen en/of

- te trekken/rukken aan de tas van die [slachtoffer].

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 16 september 2018, genummerd PL0900-2018268055 Z, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 91. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2019, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

3 Pagina 6-8.

4 Pagina 19-22.

5 Pagina 26-27.