Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3901

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
NL18.19193
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming, schadevergoeding, overdracht van assurantieportefeuille

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.19193

Vonnis van 30 augustus 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in de [vestigingsplaats 1] ,
eiseres van de vordering,
verweerster op de tegenvordering,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. G.G.A.J.M. van Poppel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
verweerster op de vordering,
eiseres van de tegenvordering,
hierna te noemen: [verweerster] ,
procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
advocaat: mr. A.P. Macro.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding met producties 1 tot en met 23;

  • -

    het verweerschrift met een tegenvordering en producties 1 tot en met 15;

  • -

    het verweerschrift op de tegenvordering met producties 1 tot en met 11 (nieuw);

  • -

    aanvullende producties 1 tot en met 7 (nieuw) van [eiseres] ;
    - de spreekaantekeningen van [eiseres] ;

  • -

    de akte vermeerdering van eis van [eiseres] ;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling gehouden op 16 juli 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

In deze procedure gaat het om de afwikkeling van de aan-/verkoop van de assurantieportefeuille die [eiseres] van [verweerster] kocht. Partijen zijn het erover eens dat de assurantieportefeuille feitelijk (nog) niet geheel is overgegaan. Wat hen verdeeld houdt is de manier waarop deze zogenaamde ‘overvoering’ moet gebeuren en wie dit moet doen. Volgens [eiseres] moet [verweerster] de verzekeringsmaatschappijen verzoeken om mee te werken aan de overvoering, volgens [verweerster] moet [eiseres] dit doen. Zij verwijzen hiervoor naar de tussen hen gesloten koop- en leveringsovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) van 20 december 2016 en de samenwerkingsovereenkomst uit februari 2017 (hierna: de samenwerkingsovereenkomst).
Daarnaast stellen partijen over en weer geldvorderingen in. [eiseres] vordert van [verweerster] schadevergoeding voor de schade die zij lijdt doordat zij nog niet de hele assurantieportefeuille in haar bezit heeft. Zij stelt recht te hebben op terugbetaling van een deel van de koopprijs en op de provisies die [verweerster] nog ontving van verzekeringsmaatschappijen.
stelt een tegenvordering in. Hij vordert vergoeding van de kosten die hij moest maken doordat de assurantieportefeuille nog niet geheel is overgedragen. Volgens hem was de afspraak dat hij een deel van de verkochte portefeuille eerst in zijn beheer zou houden, omdat [eiseres] te weinig medewerkers had om de benodigde werkzaamheden uit te voeren.

de vordering

2.2.

De rechtbank zal hieronder de vorderingen van [eiseres] één voor één beoordelen.


Gedeeltelijke terugbetaling van de koopprijs op grond van wanprestatie? Nee

2.3.

Primair vordert [eiseres] , na eiswijziging, (terug)betaling door [verweerster] van € 206.438,85. Dit bedrag heeft [eiseres] volgens haar teveel betaald voor de assurantieportefeuille die zij geleverd heeft gekregen. De grondslag voor deze vordering is volgens [eiseres] schadevergoeding op grond van wanprestatie. De rechtbank wijst deze vordering af. De ingestelde vordering correspondeert namelijk niet met schade als gevolg van de wanprestatie die [eiseres] [verweerster] verwijt. Wat [eiseres] vordert is feitelijk de ongedaanmaking van een deel van de overeengekomen prestatie. Dat kan niet, omdat niet is gesteld of gebleken dat de koopovereenkomst voor dat bijbehorende deel teniet is gegaan, bijvoorbeeld door ontbinding of vernietiging. Een vordering tot restitutie van (een gedeelte van) de koopprijs kan daarom niet slagen. Om dezelfde reden zullen de vorderingen tot schadevergoeding ter hoogte van € 74.855,51 of € 45.256,32 worden afgewezen, door [eiseres] als subsidiaire en meer subsidiaire vordering onder de primaire vordering ingesteld. Zolang de koopovereenkomst tussen partijen nog bestaat, en dat is hier de situatie, kunnen partijen nakoming van elkaars verplichtingen uit de overeenkomst vorderen, en is de financiële tegenprestatie dus geen schade maar staat deze tegenover een vordering tot nakoming.

Nakoming van de overeenkomst? Ja

2.4.

De rechtbank zal [verweerster] dan ook, zoals [eiseres] subsidiair vordert, veroordelen tot het doen van een verzoek aan de bij de verkochte assurantieportefeuille betrokken verzekeraars en overige instanties tot medewerking aan de overvoering. Dit is in feite een veroordeling tot nakoming van de koopovereenkomst.

2.5.

In artikel 6.4 van de koopovereenkomst hebben partijen afgesproken dat [verweerster] zich verplicht “tot het verlenen van medewerking aan de introductie van [eiseres] […] bij de relaties behorend tot de portefeuille op een in onderling overleg vast te stellen wijze binnen een redelijke termijn na de overdracht van de portefeuille.” Aan deze verplichting is vervolgens voldaan door middel van de brief van 7 januari 2017 (stuk 0086 in het dossier). Deze brief is door [eiseres] opgesteld, en door beide partijen ondertekend. Maar om de koopovereenkomst na te komen, kon [verweerster] niet volstaan met (alleen) het ondertekenen van een door [eiseres] opgestelde brief. Op grond van artikel 4:103 lid 4 Wft moet de overdragende partij de verzekeraar namelijk schriftelijk verzoeken medewerking te verlenen aan de overboeking van de assurantieportefeuille. En dat heeft [verweerster] nog niet gedaan. In de brief van 7 januari 2017 staat namelijk geen verzoek tot overvoeren. In deze brief worden de verzekeraars juist verzocht om de tenaamstelling en de rekening couranten nog even te handhaven tot nader order.

2.6.

Kennelijk bestond voor [eiseres] aanleiding de feitelijke overgang nog niet te laten plaatsvinden. [eiseres] heeft niet uitgelegd op welk moment die situatie anders werd. Ook heeft zij niet aangetoond dat zij [verweerster] vervolgens tevergeefs heeft verzocht de schriftelijke verzoeken als bedoeld in artikel 4:103 lid 4 Wft alsnog te versturen. Dat betekent dat de rechtbank niet tot de conclusie komt dat [verweerster] kan worden verweten dat dit nog niet is gebeurd. [verweerster] moet dus nog actie ondernemen om de koopovereenkomst correct na te komen, maar heeft geen wanprestatie gepleegd door dit niet eerder te doen.

2.7.

De rechtbank zal [verweerster] veroordelen om de koopovereenkomst binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis na te komen, zoals [eiseres] heeft gevorderd. De daarbij gevorderde dwangsom zal de rechtbank afwijzen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat [verweerster] de veroordeling tot nakoming niet zal uitvoeren. In tegendeel: uit de stukken en uit de toelichting van partijen op zitting blijkt dat zij beiden wensen dat de overvoering zo spoedig mogelijk gebeurt. Nu de rechtbank bepaalt wie daarvoor welke actie moet ondernemen, verwacht zij geen verdere vertraging meer.

2.8.

De rechtbank zal [verweerster] ook veroordelen tot het overleggen van een verklaring over alle ontvangen bedragen door [verweerster] vanaf 1 januari 2017 met betrekking tot de assurantieportefeuille. Daarbij moet hij de datum van ontvangst van de gelden vermelden en de eventueel daarbij ontvangen berichten die over die betalingen gaan. Dit alles moet hij uitvoeren binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis. [eiseres] heeft dit namelijk gevorderd en [verweerster] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de gevorderde dwangsom echter afwijzen, om dezelfde reden als genoemd voor afwijzing van de dwangsom onder 2.7.

2.9.

De vordering om [verweerster] te veroordelen tot betaling van alle door [verweerster] al ontvangen bedragen en onmiddellijke doorbetaling van nog te ontvangen bedragen, vanaf 1 januari 2017 met betrekking tot de verkochte assurantieportefeuille, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, zal worden toegewezen. Partijen zijn dit namelijk overeengekomen en [verweerster] moet deze afspraak nakomen. De te betalen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst door [verweerster] tot algehele voldoening. De gevorderde wettelijke handelsrente zal niet worden toegewezen, omdat er geen handelstransactie is verricht als bedoeld in artikel 6:119a BW.

Schadevergoeding voor niet betalen provisie? Nee

2.10.

Na eisvermeerdering vordert [eiseres] nog een veroordeling tot betaling van een schadevergoeding, omdat [verweerster] nog niet alle provisie heeft betaald. Deze vordering zal de rechtbank afwijzen, omdat de vorderingen tot nakoming van de koopovereenkomst worden toegewezen. De bedragen die [eiseres] opvoert als schade, zijn in feite de bedragen die [verweerster] aan haar moet betalen op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Dat er ook als [verweerster] aan alle verplichtingen heeft voldaan nog schade is in verband met de provisies, heeft [eiseres] niet (voldoende) uitgelegd.

2.11.

Voor zover [eiseres] met deze vordering een beroep heeft willen doen op artikel 2.2 van de koopovereenkomst slaagt dit niet. De bepaling luidt, voor zover relevant:

“Uiterlijk op 1 april 2017 of zoveel eerder of later als partijen onderling overeenkomen zal de op 31 december 2016 te weinig of te veel geleverde doorlopende provisie, waaronder wordt verstaan het saldo van de doorlopende provisie ten gevolge van alle opzeggingen en toevoegingen die dateren van voor de overdrachtsdatum 31 december 2016 (de zogenaamde onder- of bovenmaat) opnieuw worden berekend.(…) Op het moment dat de op 31 december 2016 daadwerkelijk geleverde doorlopende omzet meer dan 5% (Positief of negatief) afwijkt van hetgeen in Artikel 2.1 is gesteld zullen partijen de hierdoor ontstane financiële consequenties onder ogen zien en met elkaar verrekenen.”

In dit artikel is een mechanisme afgesproken om de koopprijs aan te passen, als de daadwerkelijke provisie (ten opzichte van de geprognosticeerde bedragen) daarvoor aanleiding gaf. Uiterlijk op 1 april 2017 moest die berekening dan gemaakt zijn, en dat is niet gebeurd. [eiseres] heeft wel gesteld dat uit de gedragingen van partijen moet worden afgeleid dat zij ervan uitgingen dat die datum was uitgesteld, maar dat maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat ‘een andere datum tussen partijen was overeengekomen’ zoals deze bepaling vereist. En dat betekent dat de mogelijkheid tot koopprijsaanpassing – als de cijfers daar aanleiding voor hadden gegeven, wat dus in het midden kan blijven – ongebruikt is gebleven. Het gevolg daarvan is dat de koopprijs daarmee vast staat, en dat een eventueel verschil tussen de geprognosticeerde doorlopende provisie en de daadwerkelijk verkregen provisie geen grond oplevert voor schadevergoeding.

Verklaring voor recht van wanprestatie? Nee

2.12.

Als laatste inhoudelijke vordering vordert [eiseres] een verklaring voor recht dat [verweerster] wanprestatie heeft gepleegd. Gelet op het bovenstaande, waarin is geoordeeld dat [verweerster] geen wanprestatie heeft gepleegd, zal de rechtbank deze vordering afwijzen. [verweerster] is [eiseres] ook geen schadevergoeding op deze grond verschuldigd.

Proceskosten voor de vordering

2.13.

Omdat partijen over en weer in het gelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen kosten zullen dragen. In het verlengde daarvan zullen de door [eiseres] gevorderde nakosten worden afgewezen.

de tegenvordering

2.14.

[verweerster] heeft ook een tegenvordering ingesteld. Hij vordert [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 91.359,55 aan hem. Hij legt aan deze vordering primair nakoming, subsidiair schadevergoeding op grond van wanprestatie en meer subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad ten grondslag. De rechtbank zal de vordering op alle gronden afwijzen en zal dit hieronder motiveren.


Grondslag: nakoming? Nee

2.15.

[verweerster] heeft facturen voor werkzaamheden en andere kosten met een totaal van € 91.359,55 aan [eiseres] verzonden. Volgens [verweerster] moet [eiseres] deze facturen aan hem voldoen, omdat [eiseres] vanaf 1 januari 2017 medewerking aan overdracht van de assurantieportefeuille weigert en [verweerster] daardoor beheers- en advieswerkzaamheden moest verrichten. Dit moest hij doen op grond van de samenwerkingsovereenkomst, waarin partijen zouden hebben afgesproken dat [verweerster] zou blijven adviseren aan cliënten die behoorden tot de verkochte assurantieportefeuille. [verweerster] heeft niet onderbouwd waar in de samenwerkingsovereenkomst dit staat. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [verweerster] verklaard dat deze afspraak niet in één bepaald artikel van de samenwerkingsovereenkomst is neergelegd, maar dat de werkzaamheden zijn besproken met de heer [A] , eigenaar van [eiseres] . [eiseres] betwist dat partijen dit zijn overeengekomen. Omdat [verweerster] geen bewijsaanbod heeft gedaan van de mondelinge afspraken met [A] en [eiseres] deze stelling heeft betwist, zal de vordering op grond van nakoming worden afgewezen.

Grondslag: wanprestatie

2.16.

Bij de beoordeling van de vordering heeft de rechtbank al bepaald dat [verweerster] de overvoering van de assurantieportefeuille moet regelen. [eiseres] heeft dus geen wanprestatie gepleegd door de overvoering niet te regelen, zoals [verweerster] stelt. Daarmee kan de tegenvordering op grond van wanprestatie niet slagen.

Grondslag: onrechtmatige daad

2.17.

[verweerster] heeft onvoldoende gesteld voor een succesvolle vordering op grond van onrechtmatige daad. Het had op zijn weg gelegen te stellen wat het onrechtmatige doen of nalaten van [eiseres] was waardoor [verweerster] schade heeft geleden. De rechtbank kan het feitelijke verwijt dat [verweerster] maakt niet in zijn stellingen terugvinden. Voor het geval [verweerster] bedoelde dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door de assurantieportefeuille niet over te voeren, verwijst de rechtbank naar haar beoordeling van de vordering waarin zij heeft bepaald dat [verweerster] dit moet doen.

Proceskosten voor de tegenvordering

2.18.

[verweerster] krijgt geen gelijk en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de kant van [eiseres] in de procedure van de tegenvordering worden begroot op € 1.074,00 aan salaris van de advocaten (1 punt x tarief € 1.074).

3 De beslissing

De rechtbank

op de vordering

3.1.

veroordeelt [verweerster] tot het doen van een verzoek aan de bij de verkochte assurantieportefeuille betrokken verzekeraars en overige instanties tot medewerking aan het overboeken van (het resterende deel van) de assurantieportefeuille door [verweerster] aan [eiseres] , zoals bedoeld in artikel 4:103 lid 4 Wft en/of in de koopovereenkomst (alsmede [eiseres] per gelijke post te voorzien van afschriften van deze verzoeken), binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis,

3.2.

veroordeelt [verweerster] tot het overleggen van een verklaring ter zake van alle ontvangen bedragen door [verweerster] vanaf 1 januari 2017 met betrekking tot de verkochte assurantieportefeuille, met vermelding van de datum van ontvangst van de gelden van de betrokken verzekeraars en overige instanties alsmede vergezeld van eventuele berichten van betrokken verzekeraars en overige instanties omtrent die ontvangsten/betalingen, binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis,

3.3.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van alle door [verweerster] reeds ontvangen bedragen en onmiddellijke doorbetaling van nog te ontvangen bedragen, vanaf 1 januari 2017 met betrekking tot de verkochte assurantieportefeuille, binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst door [verweerster] tot aan de dag der algehele voldoening van [eiseres] ,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

op de tegenvordering

3.7.

wijst de vorderingen af,

3.8.

veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, aan de kant van [eiseres] begroot op € 1.074,00,

3.9.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2019.