Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:390

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
7336999 AC EXPL 18-3763
Rechtsgebieden
Europees civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Consumentenzaak, Contractuele rente (Algemene Voorwaarden) van 0,9% per maand wordt als oneerlijk beding aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7336999 AC EXPL 18-3763 AS/31467

Vonnis van 6 februari 2019

inzake

[eiser] , handelende onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: MediCas B.V.,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 19 december 2018, waarin de kantonrechter heeft besloten de zaak op zitting te bespreken.

1.2.

[eiser] heeft voorafgaand aan de zitting nog stukken overgelegd.

1.3.

De zitting heeft op 8 januari 2019 plaatsgevonden. Van hetgeen tijdens de zitting aan de orde is gekomen, is aantekening gehouden door de griffier. [gedaagde] is - zonder bericht van verhindering - niet verschenen.

1.4.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] drijft een tandartsenpraktijk.

2.2.

[gedaagde] heeft een of meerdere behandelingen ondergaan bij [eiser] , dan wel heeft [eiser] (medische) goederen aan [gedaagde] geleverd. Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] op 21 februari 2017 en 7 maart 2017 facturen aan [gedaagde] verstuurd. [gedaagde] heeft nagelaten deze facturen, ondanks sommaties, volledig te voldoen, waarna [eiser] haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan hem te voldoen € 3.217,07, bestaande uit € 2.332,76 aan hoofdsom, € 660,92 aan rente tot 5 november 2018 en € 423,39 aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw), waarop in mindering strekt een na sommatie voldaan bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 0,9% per maand, althans de wettelijke rente vanaf 5 november 2018 tot de dag van de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat [gedaagde] jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten door de facturen onbetaald te laten. [eiser] maakt aanspraak op de contractuele vertragingsrente van 0,9% (primair) of de wettelijke rente (subsidiair) en de buitengerechtelijke incassokosten nu [gedaagde] in verzuim is geraakt, respectievelijk [eiser] de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Kort samengevat, voert [gedaagde] aan dat zij een betalingsregeling van € 60,00 per maand heeft afgesproken met deurwaarder G.D. Catthenhage. Zij komt die regeling na, toch heeft de deurwaarder in oktober 2018 € 25,00, van de € 60,00 die zij had betaald, terugbetaald aan haar. Nu begrijpt [gedaagde] niet wat er aan de hand is. Zij kan de vordering niet ineens betalen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het hiervoor genoemde tussenvonnis ten spijt, is [gedaagde] noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen op de zitting.

4.2.

[gedaagde] erkent dat zij iets aan [eiser] moet betalen. Uit haar verweer maakt de kantonrechter echter op dat zij vindt dat [eiser] ten onrechte een dagvaarding heeft uitgebracht. Zij had immers een betalingsregeling die zij netjes nakwam. [gedaagde] heeft, door niet te verschijnen, aan de kantonrechter de mogelijkheid onthouden om van haar inlichtingen in te winnen met betrekking tot dit verweer. De gemachtigde van [eiser] is wél op zitting verschenen en heeft het verweer van [gedaagde] weerlegd. Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiser] immers gesteld dat die betalingsregeling (met de deurwaarder Catthenhage) betrekking heeft op een ander dossier van [eiser] . Dat dossier is met de laatste betaling door [gedaagde] inmiddels afgesloten, daarom kreeg [gedaagde] ook een deel van het bedrag wat zij betaalde terug. Voor dit dossier heeft [gedaagde] na 19 december 2017 geen betalingen meer verricht. Verder heeft de gemachtigde van [eiser] gesteld dat indien [gedaagde] opnieuw een betalingsregeling wenst af te spreken, zij met haar contact dient op te nemen.

4.3.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] [gedaagde] mocht dagvaarden. Zij betaalt al geruime tijd niet. Uit de stukken die zijn overgelegd blijkt niet dat de € 60,00 die [gedaagde] betaalde, ook op deze vordering in mindering moest worden gebracht. De gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen.

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van een consumentenovereenkomst. [eiser] handelt immers in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf en [gedaagde] een natuurlijk persoon en doet dat niet. [gedaagde] is dus aan te merken als consument. Dit heeft tot gevolg dat de, in het Nederlandse recht geïmplementeerde, regels inzake Europees consumentenrecht in beginsel van toepassing zijn.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest van 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, is de Nederlandse rechter ambtshalve, dat wil zeggen ook indien de consument daar zelf geen beroep op doet, gehouden te toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst waarover tussen partijen niet afzonderlijk is onderhandeld, zoals bedingen in algemene voorwaarden, als een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) moet worden aangemerkt. De rechter moet deze toets verrichten zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.

4.6.

In artikel 3 lid 1 van de Richtlijn is bepaald dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Artikel 4 van de Richtlijn bepaalt verder dat voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst (…) in aanmerking genomen worden, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

4.7.

De Richtlijn is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek ambtshalve te verrichten. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een beding in een overeenkomst tussen een professionele partij en een consument oneerlijk is, zonder meer verplicht dat beding voor de consument buiten toepassing te laten. Voor het Nederlandse recht betekent dit dat de rechter, indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn, gehouden is het beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen. De kantonrechter merkt daarbij op dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 14 juni 2012, nr. C-618/10 (ECLI:EU:C:2012:349) volgt dat de rechter een oneerlijk beding buiten toepassing dient te laten en niet de bevoegdheid heeft om de inhoud van een dergelijk beding te herzien. In aansluiting daarop heeft het Hof van Justitie van de EU in zijn arrest van 30 mei 2013, nr. C-488/11 (ECLI:EU:C:2013:341) beslist dat de nationale rechter, wanneer hij vaststelt dat een boetebeding in een consumentenovereenkomst oneerlijk is, de hoogte van de aan de consument in rekening gebrachte boete niet mag verlagen in plaats van voor de consument het betrokken beding geheel buiten toepassing te laten.

4.8.

[eiser] maakt op grond van artikel 6 van de door haar toegepaste algemene voorwaarde aanspraak op contractuele rente van 0,9% per maand. In dit artikel is het volgende bepaald:

“Bij niet-betaling binnen 15 dagen na dagtekening van de declaratie door de cliënt(e), is de cliënt(e) zonder nadere aankondiging of ingebrekestelling in verzuim. De door de cliënt(e) verschuldigde rente over de hoofdsom vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening bedraagt 0,9% per maand of een gedeelte daarvan.”

4.9.

Artikel 6 van de algemene voorwaarden betreft een boetebeding in de vorm van een contractuele vertragingsrente van 0,9% per maand, hetgeen neerkomt op een rente van 10,8% per jaar. Dit rentebeding is naar het oordeel van de kantonrechter oneerlijk in de zin van de Richtlijn, omdat het het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument ( [gedaagde] ) aanzienlijk verstoort. Het vervallen rentebedrag (€ 660,92) tot de dag van de dagvaarding bedraagt al meer dan een kwart van de hoofdsom. De contractuele rente van 10,8% per jaar is bovendien aanmerkelijk hoger dan de actuele wettelijke handelsrente van 8%. Dat is immers in beginsel het (maximale) percentage waartegen de professionele partijen zelf op de kapitaalmarkt een betalingskrediet kunnen aangaan indien een gedaagde niet tijdig betaalt. [eiser] heeft geen bijkomende omstandigheden gesteld die een dergelijke hoge rente rechtvaardigen. De kantonrechter zal het rentebeding buitentoepassing laten. Dit betekent dat de primair gevorderde rente niet toewijsbaar is.

4.10.

De subsidiair door [eiser] gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal, zoals gevorderd, vanaf de dag van de dagvaarding worden toegewezen. Vast staat immers dat [gedaagde] te laat is met de betaling van de betreffende facturen.

4.11.

[eiser] maakt ook aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiser] heeft aan [gedaagde] aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.12.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,89

- griffierecht € 226,00

- salaris gemachtigde € 420,00 (2 punten x tarief € 210,00)

Totaal € 747,89

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [eiser] € 2.556,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2018, tot de dag van de voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 747,89, waarin begrepen € 420,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.