Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3885

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
16/041545-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man uit Zeist is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 100 uur. De man legde twee keer een zelfgemaakte nepbom op de Amerikalaan in Utrecht, dichtbij een filiaal van de Rabobank.

De man plaatste de nepbommen op twee verschillende dagen. De eerste keer was op 5 februari van dit jaar. Twee weken later, op 18 februari, legde hij nóg een nepbom in de buurt van de Rabobank. Hij verklaart dat hij dit deed om onder een afspraak van de fraudespecialist van de Rabobank Utrecht uit te komen. De man heeft hiermee voor veel onrust en overlast gezorgd. Beide keren moesten de Rabobank, andere omliggende bedrijven én huizen ontruimd worden. Ook het verkeer moest worden stilgelegd. Daarnaast zijn de nepbommen ter plekke gecontroleerd door de politie en waren er veel hulpdiensten op de been.

Volgens de man was het achterlaten van de nepbommen een impulsieve actie. Maar volgens de rechtbank blijkt uit zijn handelen dat hij ook berekenend te werk is gegaan. Zo heeft hij na het achterlaten van de nepbommen zélf de politie gebeld. De eerste keer had hij daarvoor speciaal een telefoon zonder simkaart gekocht. De tweede keer schafte hij een losse simkaart aan. Uiteindelijk gooide hij de telefoon weg. Daarnaast verklaarde de man op zitting dat hij na de eerste keer wist wat de gevolgen van zijn actie waren. Toch heeft hij het daarna nog een keer gedaan.

Uit onderzoek door deskundigen blijkt dat de man zwakbegaafd is. Ook is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank vindt dat de verdachte daardoor verminderd toerekeningsvatbaar is. Dit is meegenomen bij het bepalen van de straf. Evenals het feit dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en inziet dat hij hulp nodig heeft. De rechtbank wil ook dat hij zich laat behandelen. Daarnaast moet hij zich melden bij de reclassering. De straf is gelijk aan de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/041545-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 augustus 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1987] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en mr. S. Arts, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

primair: op 5 februari 2019 te Utrecht een nepbom bij de Rabobank heeft achtergelaten, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht;

subsidiair: op 5 februari 2019 te Utrecht medewerkers en klanten van de Rabobank door bedreiging met geweld heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het pand te (laten) ontruimen en/of het pand te verlaten en/of de gebruikelijke werkzaamheden niet uit te kunnen voeren, door een nepbom bij de Rabobank te plaatsen;

Feit 2:

primair: op 18 februari 2019 te Utrecht een nepbom bij de Rabobank heeft achtergelaten, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht;

subsidiair: op 18 februari 2019 te Utrecht medewerkers en klanten van de Rabobank door bedreiging met geweld heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het pand te (laten) ontruimen en/of het pand te verlaten en/of de gebruikelijke werkzaamheden niet uit te kunnen voeren, door een nepbom bij de Rabobank te plaatsen;

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

T.a.v. feit 1, primair:

Verdachte heeft het onder 1, primair ten laste gelegde feit bekend. De rechtbank acht dit feit op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Rabobank Utrecht2;

- het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever]3;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 augustus 2019.

T.a.v. feit 2, primair:

Verdachte heeft het onder 2, primair ten laste gelegde feit bekend. De rechtbank acht ook dit feit op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Rabobank Utrecht4;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 augustus 2019.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1, primair:

op 5 februari 2019 te Utrecht een voorwerp, te weten een met tape omwikkeld pakket waarop een digitale klok was bevestigd van waaruit rode en zwarte draden staken, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op de Amerikalaan, bij of naast een filiaal van de Rabobank (gelegen aan de [adres] te Utrecht), heeft achtergelaten en/of geplaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht;

Feit 2, primair:

op 18 februari 2019 te Utrecht een voorwerp, te weten een koffertje (bruin/zwart met zilveren omlijsting) met daarin een met tape omwikkeld pakket waarop een digitale klok was bevestigd van waaruit rode en zwarte draden staken op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op de Amerikalaan, bij of naast een filiaal van de Rabobank (gelegen aan de [adres] te Utrecht), heeft achtergelaten en/of geplaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1, primair en feit 2, primair:

Telkens: een voorwerp op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaten of plaatsen met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 2 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling;

- een taakstraf van 100 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het volgende aangevoerd. In een soortgelijke zaak is door de rechtbank in Overijssel een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 200 uur opgelegd. Gelet op het feit dat verdachte in de onderhavige zaak verminderd toerekeningsvatbaar is, en gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, heeft de raadsman verzocht te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van 2 jaar.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft tweemaal een zelfgemaakte nepbom bij de Rabobank in Utrecht neergelegd. Hierdoor heeft verdachte veel onrust en overlast veroorzaakt doordat beide keren de Rabobank en andere omliggende bedrijven en woningen uit voorzorg ontruimd dienden te worden en het verkeer rondom de Rabobank (zoals de tram) moest worden stilgelegd. De nepbommen moesten worden onderzocht door een speciale politiemedewerker en er zijn veel hulpdiensten ingezet. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de nepbommen heeft achtergelaten om onder een afspraak bij de fraudespecialist van de Rabobank Utrecht uit te komen. Verdachte heeft verder verklaard dat het achterlaten van de nepbommen een impulsieve actie was, maar uit zijn handelen blijkt dat hij ook ten minste deels berekenend te werk is gegaan. Na het achterlaten van de nepbommen heeft hij namelijk de politie gebeld, waarbij hij voor de eerste keer speciaal een telefoon zonder simkaart had aangeschaft en de tweede keer een los simkaartje. Nadien heeft hij de telefoon en de losse simkaart weggegooid. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij na de eerste keer op de hoogte was geraakt van de (ernstige) gevolgen en toch heeft dat hem er niet van weerhouden om een tweede keer een nepbom bij de Rabobank neer te leggen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte (gedateerd 3 juli 2019), waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in het voordeel en ook niet in het nadeel van verdachte mee.

De rechtbank weegt bij strafoplegging in het voordeel van verdachte mee dat hij verantwoordelijkheid lijkt te nemen voor zijn daden en heeft ingezien dat hij hulp nodig heeft. Hij heeft zich vrijwillig aangemeld bij De Waag voor een ambulante behandeling.

Ook heeft de rechtbank gelet op de inhoud van de Pro Justitia-rapportage van 13 mei 2019. Uit de rapportage blijkt dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid, een verbaal gemaskeerde en vermijdende persoonlijkheidsstoornis die door verdringing van angsten niet direct zichtbaar is. Hiervan was sprake ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. De Pro Justitia-rapporteur heeft geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 8 juli 2019, waaruit volgt dat de reclassering zich aansluit bij het advies van de Pro Justitia-rapporteur. Zowel de reclassering als de Pro Justitia-rapporteur schatten het recidiverisico op de korte termijn laag in. Op de lange termijn kan recidive echter niet worden uitgesloten nu duidelijk is geworden dat verdachte onder druk zeer bijzondere en niet te voorspellen oplossingen kiest. Het ontbreekt bij verdachte aan afdoende coping mogelijkheden om problemen adequaat op te lossen. Zonder enige behandeling wordt de inschatting van de kans op recidive dan ook hoger ingeschat. Om herhaling te voorkomen, wordt door de Pro Justitia-rapporteur en de reclassering geadviseerd verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk op te leggen strafdeel, aan te melden bij een forensische polikliniek voor behandeling gericht op het versterken van de coping en het inzichtelijk maken van de dynamiek. Verder zou een meldplicht bij de reclassering zinvol zijn zodat zicht gehouden kan worden op het traject en hier, indien hier de noodzaak toe blijkt te zijn, ook ingezet kan worden op meer praktische hulp gericht op de financiën.

De rechtbank neemt het advies van de Pro Justitia-rapporteur en de reclassering over en maakt deze tot de hare.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling. Gelet op de ernst van de feiten zal daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uur worden opgelegd, te vervangen door 50 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht.

9 BENADEELDE PARTIJ

Rabobank Utrecht heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 67.202,07, bestaande uit materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

Bij de vordering van de benadeelde partij is geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel gevoegd. Nu uit de stukken niet blijkt dat de persoon die de vordering heeft ingediend daartoe door de Rabobank Utrecht is gemachtigd, heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij is niet onderbouwd. De raadsman heeft de schade geschat op € 9.000,-. De persoon die de vordering namens de benadeelde partij heeft ingediend, is echter niet door de Rabobank Utrecht gemachtigd. Nu verdachte zijn verantwoordelijkheid wil nemen en bereid is om een deel van de schade te vergoeden, heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 9.000,-. De raadsman betwist ten aanzien van dit deel de machtiging niet. De raadsman heeft de machtiging wel betwist ten aanzien van het meer gevorderde en heeft verzocht de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij Rabobank Utrecht is ingediend door [aangever] . Bij de vordering is geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel gevoegd, waaruit blijkt in welke verhouding deze persoon staat tot de benadeelde partij Rabobank Utrecht. De rechtbank kan om die reden niet vaststellen of de vordering is ingediend door een bevoegd persoon. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57 en 142a van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, primair en 2, primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, primair en 2, primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich één werkdag na het onherroepelijk worden van dit vonnis in persoon meldt bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

* zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart Rabobank Utrecht niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. C.M.A.T. van der Geest en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. Versluis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 5 februari 2019 te Utrecht een voorwerp, te weten een met tape omwikkeld pakket waarop een digitale klok was bevestigd van waaruit rode en zwarte draden staken, althans een soortgelijk goed, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op de Amerikalaan, bij of naast een filiaal van de Rabobank (gelegen aan de [adres] te Utrecht), heeft achtergelaten en/of geplaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 februari 2019 te Utrecht, een ander en/of anderen, te weten de medewerkers en/of klanten van het Rabobank-filiaal (gelegen aan de [adres] te Utrecht), door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten die medewerkers en/of klanten wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het pand te (laten) ontruimen en/of het pand te verlaten en/of de gebruikelijke werkzaamheden niet uit kunnen voeren (waaronder het voeren van het door verdachte en medewerkers van de Rabobank geplande gesprek op diezelfde datum), door een nepbom te plaatsen bij of naast dit Rabobank-filiaal (met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht);

2. hij op of omstreeks 18 februari 2019 te Utrecht een voorwerp, te weten een koffertje (bruin/zwart met zilveren omlijsting) met daarin een met tape omwikkeld pakket waarop een digitale klok was bevestigd van waaruit rode en zwarte draden staken, althans een soortgelijk goed, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op de Amerikalaan, bij of naast een filiaal van de Rabobank (gelegen aan de [adres] te Utrecht), heeft achtergelaten en/of geplaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 februari 2019 te Utrecht, een ander en/of anderen, te weten de medewerkers en/of klanten van het Rabobank-filiaal (gelegen aan de [adres] te Utrecht), door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten die medewerkers en/of klanten wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het pand te (laten) ontruimen en/of het pand te verlaten en/of de gebruikelijke werkzaamheden niet uit kunnen voeren (waaronder het voeren van het door verdachte en medewerkers van de Rabobank geplande gesprek op diezelfde datum), door een nepbom te plaatsen bij of naast dit Rabobank-filiaal (met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht).

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 2 april 2019, genummerd 2019095492 (z), opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 131. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Rabobank Utrecht, pagina 18 tot en met 20.

3 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever] , pagina 8 en 9.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Rabobank Utrecht, pagina 18 tot en met 20.